Buitenplaatsen in de zeventiende en achttiende eeuw

— 1 reacties

Alles over de geschiedenis van landgoederen en buitenplaatsen

De in 1588 uitgeroepen Republiek der Verenigde Nederlanden ontwikkelde zich tot een toonaangevend land. In de 17e of ‘Gouden' Eeuw bloeiden niet alleen de handel en economie, maar ook de wetenschap en cultuur. Regenten en rijke kooplieden gaven de toon aan in de steden. Zij breidden de steden uit met grachtengordels, en lieten daar fraaie panden bouwen. Als zomerverblijf lieten de allerrijksten een buitenplaats aanleggen op het platteland.    

Smerige steden

Het bezit van een buitenplaats gaf niet alleen status, maar had ook praktische voordelen, want ondanks de welvaart was het destijds niet echt goed toeven in de Hollandse steden. Er was geen schoon water, geen riolering en geen afvalverwerking. Daardoor braken er vooral ‘s zomers vaak ziektes uit. Wie het zich kon permitteren, bracht de zomer liever in de gezonde buitenlucht door. Burgers die zich geen buitenplaats konden veroorloven, kochten vaak een zogeheten 'speeltuin' of lusthof.

Bereikbaar vanuit de steden

De dorpen op de oude strandwallen langs de kust boden zeer geschikte locaties voor buitenplaatsen. Ze lagen in fraaie bosrijke gebieden en waren vanuit steden als Den Haag, Leiden en Haarlem goed te bereiken. Een plaats als Voorschoten bijvoorbeeld telde tientallen buitens. Toen in 1657 de trekvaart tussen Haarlem en Leiden werd aangelegd nam het aantal buitenplaatsen langs deze route meteen sterk toe. Reizen met de trekschuit was veel comfortabeler dan per rijtuig en ook was het gemakkelijker om huisraad te vervoeren en bezoekers over te laten komen.

Huys te Warmont

Hofwijck, Clingendael, Zorgvliet


Sommige buitenplaatsen waren tot ver over de grenzen bekend. Dergelijke buitens waren bijvoorbeeld Hofwijck, dat rond 1640 in opdracht van Constantijn Huygens werd gebouwd en Clingendael, dat van 1591 tot 1727 in bezit was van de regentenfamilie Doublet. Dichter en bestuurder Jacob Cats kocht het landgoed 'Zorgvliet' bij Den Haag, dat tegenwoordig onder de naam ‘Catshuis’ dienst doet als ambtswoning van de minister-president. Ook kwam het voor dat rijke burgers adellijke heerlijkheden kochten om zich voortaan 'heer van ...' te kunnen noemen. Staatsman Johan van Oldenbarnevelt bijvoorbeeld, kocht in 1600 een heerlijkheid waardoor hij zich Heer van Berkel en Rodenrijs kon noemen.

1 reacties

Anoniem 15 juli 2021

Leuk!

Plaats een reactie

Verzenden
Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.