Naar overzicht

Kinderarbeid in Zuid-Holland

Cor Smit
16 oktober 2023

Bij kinderarbeid denk je misschien aan de huidige lagelonenlanden of aan kinderen in negentiende-eeuwse fabrieken. Grootscheepse kinderuitbuiting bestond echter al veel eerder. Tot ver in de twintigste eeuw moesten veel kinderen bijdragen aan het gezinsinkomen. In de Gouden Eeuw maakten weeskinderen al lange dagen in de Leidse wolindustrie. Ook op de steenplaatsen langs de IJssel, op touwbanen en in fabrieken was sprake van grootschalige kinderarbeid. In dit verhaal lees je hoe ideeën over de inzet van kinderen door de eeuwen heen veranderden. 

 

Middeleeuwse gilden

In de Middeleeuwen speelden kinderen van oudsher een rol in de huishoudeconomie, maar doorgaans was die vrij bescheiden. Af en toe een handje helpen, vaak spelenderwijs, waarbij ze tegelijkertijd belangrijke vaardigheden leerden. Met het toenemen van de arbeidsdeling, gingen kinderen ook gericht in de leer, vooral in ambachten.

In de middeleeuwse steden was dat vrij duidelijk geregeld via de gilden. Jongere kinderen deden doorgaans thuis wat lichter werk; vanaf een jaar of twaalf kon je leerling worden bij een meester. Dat lichte werk kon in drukke tijden best oplopen, maar uitgangspunt was dat je van kinderen niet hetzelfde kan verwachten als van volwassenen. Naarmate ze ouder werden deden kinderen steeds meer, maar er werd pas volwaardig werk verwacht vanaf een jaar of vijftien.

Op het platteland, waar gilden en stedelijke keuren ontbraken, was dit mogelijk minder goed geregeld. Althans, bij arme kinderen: gewone boerenkinderen groeiden geleidelijk het bedrijf in. Maar de landbouw op het Zuid Hollandse platteland had al vroeg een commercieel karakter. Daardoor ontstond er een fiks landbouwproletariaat, dat allerlei soorten loonarbeid verrichtte. Vaak verhuurde het complete gezin zich, bijvoorbeeld voor de oogst, of aan de opkomende steenindustrie. 

Kinderexploitatie in de 'Gouden Eeuw'

Vanaf het eind van de zestiende eeuw veranderde er ook veel voor de stadskinderen. Nieuwe ondernemers lieten zich minder gelegen liggen aan oude bepalingen. De vraag naar eenvoudige, goedkope arbeid steeg door de opbloei van de economie. Vooral textielondernemers zetten op grote schaal steeds jongere kinderen in, met name bij het spinnen. Vaak ging het om weeskinderen. 

Weeskinderen werden al langer 'uitbesteed', een praktijk die enerzijds geld opleverde voor de weeshuizen, anderzijds fungeerde als beroepsopleiding. Vanaf ca. 1600  zetten textielondernemers weeskinderen aan het werk zetten vanaf een jaar of negen. Formeel waren de weesjes 'leerlingen',  in de praktijk moesten ze vooral productie draaien.

Dit gebeurde op grote schaal in Leiden, de Hollandse wolstad bij uitstek, maar bijvoorbeeld ook in Delft. De stedelijke autoriteiten gaven toestemming – het leverde geld op – maar zij worstelden er ook mee. Ze probeerden de kinderen te beschermen door de werkdag te beperken tot veertien (!) uur, mishandeling  te verbieden en onderwijs te stimuleren.

In de praktijk bleek dat moeilijk te handhaven. In 1671 kwamen wezen in Leiden in opstand tegen deze uitbuiting. Jongens en meisjes gooiden de ruiten in bij de ergste lokale spinbazen. Opvallend: de schutterij greep niet in en niemand werd vervolgd. De sympathie van de burgers lag bij de kinderen. Het laat zien dat velen nog vast hielden aan de oude, middeleeuwse opvattingen over leeftijd en leertijd.

Het waren niet alleen weeskinderen die als goedkope arbeidskrachten werden ingezet. Op het hoogtepunt van de Leidse bloei werken duizenden kinderen vanaf dat ze een jaar of negen waren bij spinnersbazen. En de meeste bleven dat doen, want een echte leerplek was alleen voor middenklassenkinderen weggelegd.

Kinderen aan spinmachines in een Leidse fabriek, ca. 1875 (Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken)

Machines en gaslicht bepalen de werkdag

Ruim honderd jaar na de opstand van de weeskinderen zijn de opvattingen veranderd: er is afscheid genomen van het middeleeuwse leerling-concept. De Verlichting stimuleert weliswaar ideeën over opvoeding en onderwijs, tegelijkertijd vindt men dat arbeid van groot opvoedkundig belang is voor arme kinderen vanaf een jaar drie, vier (!). Dat is terug te zien in de werkhuizen en vergelijkbare instellingen die eind 18e, begin 19e eeuw werden opgericht.

Als modelinstelling gold de inrichting die in 1812 in het Pesthuis in Feijenoord wordt gevestigd. Hier werkten jongens en meisjes in de leeftijd van acht tot veertien jaar twaalf uur per dag, waarbij ze een uur onderwijs kregen. Al snel bleken onderwijs en arbeid moeilijk te combineren. De instelling in Feijenoord produceerde vooral, met name garens.

Het idee dat werken opvoedkundig goed is én te combineren met onderwijs, houdt in de 19e eeuw nog een tijd stand, maar blijkt een illusie met de opkomst van moderne stoomfabrieken met gasverlichting. Machines en gaslicht bepaalden de werkdag, er was geen tijd meer om tussen de middag naar een armenschool te gaan. In Leiden merkten de armbestuurders dat de armenscholen leegliepen. Zij maakten zich dan ook steeds meer zorgen over de moraal van de jeugd.

Verzet tegen 'Engelse toestanden'

Al in de jaren dertig, veertig van de 19e eeuw klinkt er bezorgdheid over fabrieksarbeid door kinderen. Men is bang voor 'Engelse toestanden', waar ellende en uitbuiting al in 1833 leidde tot wetgeving. Zo ver was het nog niet in Nederland.

De eerste publieke aanklacht tegen kinderarbeid dateert van 1855. De Moordrechtse onderwijzer Lalleman schreef een artikel over kinderarbeid op de touwbanen. Hij noemt het slavernij. In de jaren daarna richt de kritiek zich op moderne fabrieken, met name de Leidse wolfabrieken. Deze gaan op grote schaal over op stoomkracht en dat leidt tot steeds meer fabrieksarbeid door kinderen. Rond 1860 was ongeveer veertig procent van de mannen en vrouwen in de Leidse textielfabrieken onder de zestien, een groot deel daarvan zelfs onder de twaalf. Meer dan veertig procent van de textielarbeid(st)ers begon vóór hun tiende met werken; nog eens een kwart startte op tien- of elf-jarige leeftijd.

De toestanden in Leiden werden landelijk aangekaart, maar ook door Leidenaren zelf, zoals diaken Herman Zaalberg en de antirevolutionaire fabrikantenzoon Samuel le Poole. J.J. Cremer beschreef in 1863 de Leidse ellende in zijn novelle Fabriekskinderen en smeekte om wetgeving. Verrassend genoeg sloot een gezelschap van Leidse fabrikanten zich bij zijn smeekbede aan, maar minister van binnenlandse zaken Thorbecke was niet overtuigd. Het lukte hem om de komst van wetgeving voorlopig te vertragen. 

Voor de duidelijkheid: kinderarbeid beperkte zich niet tot ouderwetse touwbanen in Moordrecht of moderne spinnerijen in Leiden. In Schiedam was in 1871 in de traditionele mouterijen een op de vijf arbeiders onder de zestien. In de nieuwe kaarsenfabriek aldaar was dat cijfer nog hoger. In de Hollandse IJsselstreek waren anno 1866 de cijfers van Gouda verontrustend: 381 van de 837 arbeiders in 36 bedrijven werden aangeduid als 'jongens' en 'meisjes'. Indrukwekkende cijfers, maar tot arbeidswetgeving leidde het niet.

In 1871 werd het verbod op alle kinderarbeid tot zestien jaar het speerpunt van de eerste Nederlandse vakbeweging, het liberale Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV). Overleg van het ANWV met jonge liberale parlementariërs leidde in 1874 tot het Kinderwetje van Van Houten, een initiatiefwet.

Meisjes aan het werk in zeepfabriek Sanders in Leiden, ca 1925. (Foto Royal Sanders)

De gevolgen van het Kinderwetje

Helaas werd de wet zoals Van Houten die had voorgesteld uiteindelijk flink uitgekleed. Een arbeidsverbod voor twaalfjarigen werd geschrapt – zestien jaar kwam sowieso niet in beeld. De beperking van de kinderarbeid gold ook alleen voor 'fabrieken en werkplaatsen', niet voor ‘veldarbeid’. In controle werd niet voorzien: dat moest de politie er maar bij doen…

Toch sorteerde het Kinderwetje effect, zeker in fabrieken en stedelijke gebieden. De leeftijdsgrens werd daar al vrij snel een algemene norm, waaraan zowel de meeste ouders als de meeste fabrikanten zich hielden. De keerzijde daarvan was wel dat arbeiderskinderen vaak direct van school worden gehaald, zodra ze twaalf werden. Bijna alle kinderen gingen naar de lagere school, maar arme kinderen maakten die zelden af. De Leerplichtwet van 1901 veranderde daar niets aan. Pas na 1911, toen de leeftijdsgrenzen van de Leerplichtwet en de Arbeidswet gelijk werden geschakeld, werd schoolverzuim door twaalfjarigen gehandhaafd.

De kinderarbeid in fabrieken verdween echter niet, ook niet door de modernisering van de industrie, zoals wel beweerd wordt. Het tegendeel is waar. Vanaf de jaren negentig van de 19e eeuw, toen sprake was van een nieuwe industriële vernieuwingsgolf in Nederland, steeg ook het aantal kinderen onder de zestien dat in fabrieken werkten.

De omvang van de industrie nam tussen 1860 en 1900 sterk toe en daarbinnen groeide het aandeel van kinderen jonger dan zestien jaar. Het Kinderwetje beschermde weliswaar de allerjongste kinderen van acht t/m elf tegen fabrieksarbeid, maar per saldo werkten er rond 1900 veel meer kinderen in fabrieken dan veertig jaar eerder. Industriële kinderarbeid vond je anno 1910 in de textiel, de papier, (moderne) drukkerijen en uitgeverijen, smederijen, gieterijen en de leerbewerking.

Nederland was een uitzondering met de leeftijdsgrens van twaalf jaar die werd gehanteerd. Van oudsher gold in veel landen vijftien jaar als einde van de kindertijd, ook in de 19de eeuw. 

Kinderarbeid bij een steenoven. Houtsnede uit 1819 (Collectie ISSG)

Sjouwen met stenen

Op het platteland was sprake van een andere situatie: het Kinderwetje ging immers niet over 'veldarbeid’. Met veldarbeid werd niet alleen landbouw bedoeld. Volgens de steenfabrikanten langs de Oude Rijn en Hollandse IJssel viel hun bedrijf ook onder veldarbeid, zeker de steenplaatsen waar kinderen werkten. Al eeuwen werden tussen april en september complete gezinnen ingehuurd voor dit seizoenswerk. Kinderen sjouwden met stenen, vaak tientallen kilometers per dag, inderdaad in de open lucht.

Kinderen werden op het platteland sowieso veel vaker ingezet. Kinderen van boeren en tuinders hielpen normaliter hun ouders zodat ze later het bedrijf over konden nemen: het traditionele patroon. Ook de kinderen van de armere plattelandsbewoners deden vaak betaalde klusjes, al dan niet met hun ouders. Maar vooral bij de oogst werden op grote schaal arme kinderen ingeschakeld, al dan niet in gezinsverband.

Aardappelvakantie

De tuinbouw – met in de 19e eeuw de bollenteelt als nieuwe loot aan de stam – en de akkerbouw werden steeds grootschaliger. Bij de akkerbouw speelde ook de opkomst van de bieten- en de aardappelcultuur een rol. Ook bij de oogst van die gewassen – en soms tussendoor – waren vele handjes nodig. Die van arme kinderen waren zeer bruikbaar en goedkoop.

In eerste instantie zag de politiek geen reden deze 'gezonde lichaamsbeweging' te beperken. Onder druk van mensen uit het onderwijs veranderden de inzichten. De Arbeidswet van 1890 – die ook de industriële kinder- en vrouwenarbeid beter reguleert – stelde voor het eerst grenzen aan de 'veldarbeid', vooral die in loonverband. De steenfabrieken gingen overstag en productiewijzen die eeuwenlang onveranderd waren werden eindelijk gemoderniseerd. Kinderarbeid verdween niet helemaal, maar werd wel sterk teruggedrongen.

Voor de land- en tuinbouw leek de invoering van de Leerplicht in 1901 problematisch, maar de wetgever hield rekening met de agrarische belangen. De Grote Vakantie is uitgevonden om bij de oogst toch over kinderkracht te kunnen beschikken. Aardappelen worden echter in het najaar geoogst. Daarom werd de Herfstvakantie ingesteld (soms gewoon 'aardappelvakantie' genoemd).

Omdat deze vakanties niet alle oogsten dekken, werd in 1920 het Landbouwverlof ingevoerd. Via plaatselijke verordeningen kon buiten de vakanties twee weken verlof van school worden geregeld. Dit was vooral bedoeld voor kleine tuinders, zodat hun kinderen een handje konden helpen. De regeling werd echter op grote schaal gebruikt om twee weken lang schoolkinderen te rekruteren, tot woede van het onderwijs. Zeker vóór de oorlog werd volop misbruik gemaakt van het Landbouwverlof, door kinderen (te) lang te laten werken of ze voor ander werk in te zetten, bijvoorbeeld op de veiling. Deze wet werd in 1958 afgeschaft, maar in bijvoorbeeld Hillegom werd de verordening pas in 1972 ingetrokken...

Kinderen op de Veluwe aan het aardappelrooien. Foto door H.C. Termaat, rond 1920. (Collectie Zuiderzeemuseum)

Van kinderarbeid naar zakgeld verdienen

Dat kinderen door werk moesten bijdragen aan het gezinsinkomen, verdween slechts langzaam. In 1919/1920 werd de minimumleeftijd om te werken verhoogd tot 14 jaar, en de leerplichtige leeftijd gelijkelijk verhoogd. Pas in 1960 werd het verder verhoogd naar 15 jaar. In de tussenliggende jaren gingen veel kinderen toch direct na de lagere school aan de slag: de armoede in de gezinnen was nog lang groot.

Pas vanaf de jaren zestig leek de noodzaak te verdwijnen. De welvaart steeg, de economie moderniseerde verder, opleiding werd belangrijker. Op het platteland drong de mechanisatie als nooit te voren door. Er waren minder handjes nodig in de fabrieken en op het platteland – en steeds vaker werden hiervoor werknemers in het buitenland geworven. 

Kinderen verdienen nog steeds geld met grote of kleine klussen en met (vakantie)werk. Maar sinds de jaren zestig verdwijnen die verdiensten steeds minder in de algemene huishoudportemonnee. Het is extra zak- of vakantiegeld voor de kinderen zelf. Dat geld hebben ze ook wel nodig, want inmiddels zijn kinderen en jongeren een belangrijke doelgroep voor de commercie geworden, consumenten die geld te besteden hebben.

Landbouwverlof in de jaren vijftig: aardbeienoogst in de buurt van Roelofarendsveen (Particuliere collectie, met dank aan Stichting Oud Alkemade)

Literatuur

Brugmans, I.J., De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw, 1813-1870 (Utrecht/Antwerpen 1971-8)

Cunningham, H., Children and childhood in western society since 1500 (Harlow 2005-2)

Hindman, H.D. (ed.), The world of child labor. An historical and regional survey (Armonk/Londen 2009)

Nederveen Meerkerk, Elise van, ‘Child labor in the Netherlands during proto- and early industrialization’, in Hindman (ed.), The world of child labor, 625-628.

Nederveen Meerkerk, Elise van, Schmidt, Ariadne, ‘Tussen arbeid en beroep. Jongens en meisjes in de stedelijke nijverheid, ca. 1600-1800’, in: Tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis, jrg 3 (2006), nr. 1, 24-50;

Schenkeveld, W., Het werk van kinderen in de Nederlandse landbouw 1800-1913, Tjdschrift voor sociale en economische geschiedenis, jrgh 5 (2008), nr. 2, 28-54.

Smit, Cor, De Leidse Fabriekskinderen. Kinderarbeid, industrialisatie en samenleving in een Hollandse stad, 1800-1914 (Proefschrift UU, 2014)

Stearns, P.N., Childhood in world history (New York/Londen 2006);

Vleggeert, J.C., Kinderarbeid in Nederland 1500-1874. Van berusting tot beperking (Assen 1964).

Over de auteur

Cor Smit (Schiedam 1954), studeerde sociale en economische geschiedenis in Leiden. Sinds 2002 werkte hij als zelfstandig gevestigd historicus. Hij publiceert regelmatig over Leidse geschiedenis en over kinderarbeid, werkte mee aan diverse historische televisieseries, zoals Het Verhaal van Nederland, en is betrokken bij de regionale website rijnlandgeschiedenis.nl. In 2014 promoveerde hij in Utrecht op 'De Leidse Fabriekskinderen. Kinderarbeid, industrialisatie en samenleving in een Hollandse stad, 1800-1914'.

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden

Ontdek meer

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.