Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Het verzwegen Indië in Oude Wetering

Schrijver Reggie Baay kijkt terug op zijn Zuid-Hollandse jeugd in zijn Indische gezin

Door: Reggie Baay

Hoe bijzonder is het om altijd te denken dat de enige band tussen het Zuid-Hollandse dorp waar je bent opgegroeid en het voormalige Nederlands-Indië het gezin is waar je deel van uitmaakt, om vervolgens na bijna vijftig jaar te ontdekken dat in het betreffende dorp al die jaren tal van onzichtbare banden met de Oost aanwezig zijn geweest? Banden die heel lang onder de Zuid-Hollandse oppervlakte verborgen zijn gebleven.

Een verleden in de Oost
Dat is wat mij is overkomen toen ik enkele jaren geleden onderzoek deed voor het schrijven van mijn boek Het kind met de Japanse ogen, waarin ik mijn familiegeschiedenis reconstrueer. Een familiegeschiedenis die zich deels afspeelt in het vroegere Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, én het dorp Oude Wetering waar ik ben opgegroeid.

Mijn ouders, helaas beiden al enige jaren geleden overleden, werden beiden geboren in die vroegere kolonie in de Oost. Beiden uit wat we in de moderne terminologie een ‘gemengde relatie’ noemen: een relatie van in dit geval een Nederlandse en Indonesische partner. Die afkomst had vooral gevolgen toen achtereenvolgens begin 1942 de Japanse bezetting van Indië plaatsvond en direct daarna de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog uitbrak. Hoewel donker van uiterlijk, waren mijn ouders voor de wet immers Nederlands burger. Voor mijn vader, die destijds diende in het koloniale Nederlands-Indische leger, betekende dat tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangenschap en dwangarbeid aan de beruchte Birma-Siam dodenspoorlijn en voor mijn moeder internering in een Japans kamp. Direct daarna volgden in 1945 de verschrikkingen van de Indonesische onafhankelijkheids-oorlog. Een tweede oorlog dus die voor mijn ouders – die in Indonesië werden beschouwd als mensen die heulden met de Nederlandse ‘vijand’- eindigde in een vlucht uit het land waar ze geboren en geworteld waren en dat ze eigenlijk nooit hadden willen verlaten.

undefined
Met ouders bij het Braasemermeer in de jaren vijftig. Foto uit persoonlijk archief Reggie Baay

In 1950 kwam het jonge gezin in Nederland aan en mijn vader, die op dat moment als onderofficier in het Nederlandse leger werkzaam was, werd vervolgens in de toen nog bestaande Doelenkazerne in Leiden geplaatst. Toen moest daar natuurlijk ook een woning voor het jonge gezin gevonden worden. En dat in een tijd, zo vlak na de oorlog, dat de woningnood in geheel Nederland groot was. 

Een naoorlogs wijkje in Oude Wetering
Het voerde ons in de vroege jaren vijftig naar het nabij Leiden gelegen kerkdorp Oude Wetering. Een dorp dat tot in de jaren veertig van de vorige eeuw eigenlijk alleen bestond uit lintbebouwing langs het water waaraan het dorp ook zijn naam ontleent: de (Oude) Wetering, een vaarverbinding tussen de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder en het Braasemermeer. Net als elders in ons land kampte ook de toenmalige gemeente Alkemade, waar Oude Wetering deel van uitmaakte, met woningnood. Besloten werd dat in het laaggelegen gebied achter de dijk van de Wetering bebouwd zou gaan worden. Het betekende een significante uitbreiding van het dorp dat vanaf zijn ontstaan eigenlijk alleen bestond uit, zoals gezegd, lintbebouwing langs het water aan de twee straten die het dorp Oude Wetering rijk was en die uiteraard in elkaars verlengde lagen: de Kerkstraat en de Veerstraat.

undefined
Oude Wetering in de jaren veertig van de vorige eeuw: lintbebouwing langs 'de Wetering'. Foto uit persoonlijk archief Reggie Baay

De bestrijding van de naoorlogse woningnood in ons land werd destijds gekenmerkt door schaarste: schaarste aan bouwmaterialen, schaarste aan geld, schaarste aan goede bouwvakkers en natuurlijk schaarste aan tijd. Zaak was dus om voor weinig geld, snel en met gebruikmaking van de beschikbare materialen en het liefst eenvoudige methodes te bouwen. De oplossing werd vervolgens gevonden in prefabricage en serieproductie.

Op deze wijze verrees in het laaggelegen gebied achter de dijk in Oude Wetering in korte tijd ook een wijkje van goedkope, eenvormige doorzonwoning-rijtjes. En daar in dat wijkje, dat door de bewoners met dorpse spitsvondigheid al gauw ‘De Kuil’ werd genoemd, kregen mijn ouders hun eerste huurhuis toegewezen.

Ik weet het nog goed: het huis in de Hoolboomstraat nummer 5, een rijtjeshuis opgetrokken uit geprefabriceerde betonnen elementen met gehorige dunne houten vloeren én een zolderplafond dat was afgewerkt met dunne zachtboard platen, zodat je er niet kon lopen zonder het gevaar er door de vloer te zakken… En net zo eenvormig als de huizen was de bevolkingssamensamenstelling van de Kuil: allemaal jonge, pasgetrouwde stellen met jonge kinderen of met een kind op komst. Voor mij was dat natuurlijk een fantastische omstandigheid: in bijna elk huis in de Kuil woonde wel een kind waarmee ik kon spelen! En - dat realiseer ik me achteraf pas goed - we waren weliswaar de enige donkere mensen in het dorp, maar dat heeft in mijn geval in mijn contact met leeftijdsgenootjes geen enkele negatieve rol gespeeld. Kinderen waarmee je opgroeit maken geen onderscheid. Voor de kinderen in de Kuil had ik een andere huidskleur, net zoals een ander kind rood haar en sproeten kon hebben. Voor mij was het leven in het dorp dan ook een en al vrolijkheid, speelplezier en zorgeloosheid.

undefined
Broer en zus spelend voor het ouderlijk huis in de Hoolboomstraat in de 'Kuil' (ca. 1958). Foto uit persoonlijk archief Reggie Baay

Wrange herinneringen verborgen onder de oppervlakte
Maar die eenvormigheid, vrolijkheid  en zorgeloosheid hield voor mij op zodra ik de voordeur achter mij sloot. Want achter de voordeur van Hoolboomstraat nummer 5 was alles anders. Daar ademde alles Indonesië. En dan niet het mooie, tropische Indonesië zoals velen van ons dat nu van vakantie kennen, maar het Indonesië van oorlog, van geweld, van onvoor-stelbaar menselijk leed en van dood en verderf. Daar achter die voordeur in de Kuil werd ik vrijwel dagelijks geconfronteerd met de vreselijke gevolgen die een oorlog, of in het geval van mijn ouders, twee opeenvolgende oorlogen, teweeg kunnen brengen. Die oorlogen die mijn ouders hadden meegemaakt waren in het ouderlijk huis altijd dreigend en loodzwaar aanwezig; óók als erover gezwegen werd. En dit laatste was eigenlijk voortdurend het geval.

Pas later zou ik begrijpen dat ze door hun oorlogservaringen zwaar getraumatiseerd waren. In die tijd sprak men daar niet over. Er was er weinig aandacht voor en de enige remedie leek: doorgaan en er niet over zeuren. Als kind in Oude Wetering hield ik die verschillende werelden overigens zonder merkbare moeite, zo herinner ik me dat, gescheiden: de wereld van de Kuil en die achter de voordeur. Buiten sprak ik nooit over Indonesië en wat de oorlogen daar met mijn ouders hadden gedaan. En ik heb ook altijd gedacht dat wij, het enige donkere gezin uit Indië, echt de enigen in het dorp waren die een band met de Oost hadden.

En toen kwam ik , omdat ik bezig was met  het schrijven van mijn roman, na bijna vijftig jaar terug in ‘mijn’ dorp Oude Wetering. Ja, en toen vielen mij, om maar eens een toepasselijke uitspraak te gebruiken in het voormalige kerkdorp, opeens de schellen van de ogen. Aan een oud-klasgenote die er nog steeds woont vertelde ik over het doel van mijn komst. Tot mijn stomme verbazing liet ze me weten dat de vaders van twee andere meisjes met wie wij op de basisschool jarenlang in de klas hadden gezeten eveneens een ‘verleden’ in Indië hadden. Als argeloze, jonge dienstplichtigen waren deze mannen in de tweede helft van de jaren veertig van de vorige eeuw de oorlog in Indonesië in gestuurd, nadat Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid van Indonesië hadden uitgeroepen. Daar hadden beide mannen, om het zo maar eens te zeggen, mentaal een enorme knauw aan overgehouden. Hun gezinnen zijn daar zeer onder gebukt gegaan: enorme spanningen, verdriet, nachtmerries, woede-aanvallen… Alles wat ik ook zo goed kende van mijn eigen thuissituatie. En net als in ons gezin het geval was, bleef dit alles bij deze gezinnen ook verborgen achter de voordeur. Er werd gewoon niet over gesproken. Nooit heb ik dan ook geweten dat in dat Zuid-Hollandse dorp buiten ons gezin ook in andere gezinnen Indonesië, dat land aan de andere kant van de Oceaan, in diepe stilte een bepalende rol speelde. 

undefined
De Hoolboomstraat in de Kuil anno 2019: gerenoveerde huizen waarvan alleen de daken nog herinneren aan  de oude huizen uit de jaren vijftig. Foto uit persoonlijk archief Reggie Baay

En toen ik dát wist en ik me de vaders van deze twee meisjes weer voor de geest haalde, zag ik ze weer voor me: de loodgieter en de bakker. Twee zwijgzame, nerveuze en in zichzelf gekeerde mannen die ik destijds werkelijk nooit heb zien lachen… En het werd nóg interessanter. Toen ik vervolgens contact had met beide oud-klasgenotes kwam ik via hen te weten dat er in het dorp destijds meer jonge vaders waren die als Nederlandse dienstplichtige militairen naar Indië waren gestuurd en die met allerlei narigheid in hun geestelijke bagage waren teruggekeerd. En zij hadden er evenmin over gesproken!

Toen drong de tragiek ervan eigenlijk pas goed tot me door. In dat kleine, nieuwe wijkje achter de dijk in Oude Wetering dat aan het begin van de vijftiger jaren met naoorlogse systeembouw uit de grond was gestampt, waren ook de pas uit Indië teruggekeerde dorpsjongens met hun jonge gezinnen ondergebracht! Dienstplichtige dorpsjongens van de lichtingen 1946 tot en met 1949. Zonder dat ik het toen wist was de Kuil, althans voor een deel, dus een stille Oosterse enclave in Oude Wetering!

Een mens gaat met deze wetenschap dan onwillekeurig graven in zijn geheugen. En toen kwamen die jonge Nederlandse dorpsvaders me weer voor de geest. Een voor een. En ik verbeeldde me dat ik nu iets in mijn herinnering terugzag wat ik destijds niet heb gezien of niet heb kunnen verklaren: de nervositeit die mijn nabijheid destijds bij bepaalde vaders teweegbracht… En toen realiseerde ik me, dat ik, als donker, Indonesisch uitziend kind voor deze mannen zonder het te weten destijds misschien wel een rondwandelende nachtmerrie moet zijn geweest. Misschien was ik door mijn uiterlijk voor menige vader wel een jonge Indonesische vrijheidsstrijder die hen ’s nachts in hun boze dromen bezocht, of misschien herinnerde ik hen wel, zonder het te weten, aan een gedode Indonesiër van wie ze het beeld nog elke nacht in hun slaap voor zich zagen opdoemen…

Licht op deze episode in onze geschiedenis
Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond er in Nederlands-Indië een zogenaamd machtsvacuüm. Bij afwezigheid van de vooroorlogse Nederlandse kolonisator werd door de Indonesische politieke leiders Soekarno en Hatta dan ook al snel de onafhankelijkheid van Indonesië uitgeroepen. En daarmee gaven ze gehoor aan een inmiddels steeds breder gekoesterde wens onder de Indonesische bevolking. Een wens die overigens al ruim voor de Tweede Wereldoorlog ontstond. De Nederlandse regering reageerde met repressie: eerst moest er rust en orde heersen en dan viel er wellicht te praten. Het betekende in de praktijk dat met militaire inzet werd gepoogd die rust en orde te realiseren om zo eerst weer de macht in de kolonie in handen te krijgen.

Gedurende de periode van de Indonesische onafhankelijk-heidsstrijd, tussen 1945 en 1949, zijn meer dan honderdduizend jonge, dienstplichtige Nederlandse militairen met dit doel naar Indië gestuurd. Hun inzet mocht overigens niet baten: mede onder zware internationale druk gaf de Nederlandse regering in 1949 de kolonie Nederlands-Indië op, waarna op 27 december van dat jaar in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaatsvond. Het aantal slachtoffers dat deze oorlog uiteindelijk had geëist wordt geschat op ruim honderdduizend aan Indonesische en ruim vijfduizend aan Nederlandse zijde.

Zoals in elke oorlog hebben veel van deze jonge mannen vreselijke en schokkende ervaringen opgedaan. Met name tijdens de zogenaamde politionele acties in respectievelijk 1947 en 1948-1949. Bij terugkeer was er voor hen echter geen of nauwelijks opvang en geestelijke begeleiding als daar behoefte aan was. Toen zij weer voet op vaderlandse bodem zetten, bleek er in de Nederlandse samenleving nauwelijks belangstelling te zijn voor wat zij hadden meegemaakt.

undefined
Dienstplichtige militairen uit het dorp. (ca. 1948). Foto uit persoonlijk archief Gerrit en Jan Kuipers

In de recente Nederlandse geschiedenis is de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en de ervaringen en gevolgen ervan voor de direct betrokken Nederlandse militairen eigenlijk nog steeds een van de meest onbesproken episodes. Daar zijn verschillende redenen voor. In politiek en militair opzicht verdiende de Nederlandse opstelling natuurlijk geen schoon-heidsprijs. Er was sprake van nationale en vooral inter-nationale verontwaardiging en afkeuring  en ons land haalde uiteindelijk bakzeil in een poging de kolonie ten koste van vele levens te behouden. De behoefte om hier na afloop over te praten was voor de betrokkenen dan ook automatisch veel minder groot dan wanneer het een ‘succes’ zou zijn geweest. Daarnaast was de tijdgeest er niet naar; zo vlak na de Tweede Wereldoorlog was men volop in beslag genomen door de wederopbouw en was de oorlog die hier in het collectieve geheugen gegrift stond die tegen de Duitse bezetter. En in die jaren was het sowieso niet gebruikelijk om over gevoelens of geestelijke problemen te praten. ‘Niet zeuren, maar aanpakken en doorgaan’, was vooral het adagium. En ook al zouden de mannen erover hebben willen spreken: verwerking en traumabehandeling zoals we dat nu kennen stond nog in de kinderschoenen of was zelfs nog onbekend. Allemaal factoren die ertoe bijdroegen dat de betreffende jonge vaders er het zwijgen toe deden en veelal stilletjes met hun loodzware geestelijke ballast door het dorp zeulden.

Illustratief voor het lange zwijgen en tegelijkertijd verheugend is dat in dezelfde periode dat ik met mijn research en het schrijven van mijn boek bezig was, door de Stichting Oud Alkemade, de historische vereniging van de gemeente waartoe Oude Wetering behoort, aandacht is besteed aan de Indië-veteranen uit de gemeente en hun ervaringen in de vorm van een bescheiden expositie. Dat was meer dan zestig jaar nadat de laatste veteraan was teruggekeerd in het dorp. En die aandacht is terecht. Na al die jaren van zwijgzaamheid is het goed om licht te werpen op deze persoonlijke geschiedenissen die veelal zeer ingrijpend zijn geweest. In de eerste plaats de mannen zelf, maar ook voor hun gezinnen én voor de plaatsen waar ze woonden. Het laat ook de banden zien tussen oost en west, tussen in dit geval Indië/Indonesië en een dorp in Zuid-Holland. Banden die er al die jaren waren, maar voornamelijk verborgen bleven onder de oppervlakte. Deze verborgen banden met de Oost zijn natuurlijk niet specifiek voor Oude Wetering of Zuid-Holland, maar bestaan ook in zoveel andere dorpen en steden in ons land. Want voor al die direct betrokken mannen hield die oorlog in de Oost helaas niet op toen de vrede was getekend… 

Over de auteur
Reggie Baay (Leiden, 1955) studeerde aan de Rijksuniversiteit Leiden waar hij zich specialiseerde in de koloniale en postkoloniale literatuur en geschiedenis. Hij is auteur van romans, non-fictie en toneel. Zijn laatste boek, de roman Het kind met de Japanse ogen (2018), stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2019. 

Reacties

  1. anoniem

    Ik ben ook een Indisch kind.En ik kwam met mijn moeder ,broer ,zus en oma eind jaren 40 van de vorige eeuw vanuit Indonesië naar Nederland. Toen ik begin jaren 50 ,op de mulo zat, hadden we een leraar Nederlands .Het leek wel of hij een hekel aan mij had. Hij negeerde mij en als ik mijn vinger opstak voor een vraag,deed hij net alsof hij mijn vinger niet zag.Ik moest altijd helemaal achterin de klas gaan zitten.Ik kreeg nooit een beurt van hem en mijn schriftelijk werk werd altijd beoordeeld met een vijf. Toen ik dat eens aan mijn moeder vertelde,is ze naar die leraar toegegaan,om “verhaal te halen”. De leraar vertelde aan mijn moeder dat hij in Indonesië meegedaan had bij de politionele acties.Hij zag in mij een klein meisje dat angstig aan de benen van haar moeder hing die stond naast het dode lichaam van haar man.mijn aanwezigheid in de klas was voor hem een kwelling.Hij vond nl.dat ik op dat meisje leek.

    06 oktober 2020

  2. anoniem

    De familie Baay uit de Hoolboomstraat. "de Kuil" inderdaad. Ik herinner ze me nog goed, zelf wonend boven aan de brug. De vader als stille teruggetrokken man inderdaad. en alles hierboven lezend, klopt dat wel. P. Boers.

    08 oktober 2020

  3. anoniem

    Ik herinner me jullie ook nog goed. Mooi geschreven en verwoord.

    10 oktober 2020

  4. anoniem

    Familie Baay waren mijn overburen in de Hoolboomstraat, zoon Ed was mijn klasgenootje,ik herinner mij de familie als heel vriendelijke mensen Jan Borgers

    10 oktober 2020

  5. anoniem

    Ja, ik was ook een klasgenoot van Ed, jaren 50 dus, enkele maken bij jullie over de vloer gekomen. Niet te veel, ik woonde niet in de kuil. Zelf heb ik niets van een verleden gemerkt, wel dat er altijd een ander lucht in het huis hing. Ik herkende dit niet, heeft zeker iets met de Indonesische kookkunst te maken. Veel later werd dit een beetje duidelijk toen mijn zus nasi probeerde te maken. Maar altijd goed contact met Ed gehad tot onze wegen gingen scheiden vanwege het verlaten van de basisschool. Ik ben benieuwd hoe het verder met Ed is gegaan. En leuk stukje om dit te lezen. Ruud vd Meer.

    10 oktober 2020

  6. anoniem

    Mooi verhaal Reggie, Heel boeiend om te lezen welk leed zich achter die voordeuren afspeelde. Ook fijn om te lezen dat de kinderen in ‘de kuil’ zo’n goed zorgeloos contact met elkaar hadden. En ook de foto’s geven een goed inkijkje. Dankjewel voor het delen, Lieve groet, Astrid

    10 oktober 2020

  7. anoniem

    Mooie verhalen prachtige inzichten over een goed gedocumenteerd verleden. Ik zou graag contact met je willen opnemen Riekje riekje.hoffman@gmail.com

    10 oktober 2020

  8. anoniem

    Reggie, een goed verhaal. Heb jullie gezin goed gekend en ben vroeger ook bij jullie over de vloer geweest. Later woonden jou ouders en jij met je zus vlak bij mij. Jullie ouders waren heel aardige mensen. Ik zie bijna elke dag je zus. Maar het verhaal achter de voordeur heb ik als kind nooit gekend. Ik zat met Ed op de lagere school en weet van de tijd erna. Indrukwekkend om jou boeken te lezen. Zo heb ik de verhalen achter de voordeur toch nog gekend. Dit heeft veel indruk op mij gemaakt. Herman Gortzak.

    10 oktober 2020

  9. anoniem

    Prachtig artikel. Ik heb ook veel van je boeken gelezen. Goed geschreven en indrukwekkend. Ik herinner je nog als die Indische jongen in Our House, wat nu Splotsz is. In mijn familie en schoonfamilie in Roelofarendsveen ook diverse ooms die in dienst waren bij de politionele acties. Ik herinner me niet dat er spanning was in die gezinnen. Ik weet wel dat een oom een tijd behandeld werd in centrum 40-45 vanwege nachtmerries en paniekaanvallen. Mijn tante vertrouwde mijn moeder toe dat dat kwam omdat hij mensen had gedood en dat niet kon verwerken. Mijn moeder schrok daar zo van dat ze het aan mij vertelde. Ik was toen 16 en kon het niet geloven. Mijn oom was zo 'n vriendelijke, betrokken man. Die kon zoiets niet gedaan hebben. Hij leeft niet meer maar ik moest sterk aan hem denken toen vorig jaar het programma over indiegangers op tv was. Het geeft zoveel meer begrip. Hartelijke groet, Elly

    10 oktober 2020

  10. anoniem

    Wat een aangrijpend verhaal kende je ook maar nooit zoiets vermoed. Fijn dat wij als kinderen dat onderscheid niet maakte. Wat goed dat je hier zo 'n positieve draai aan gegeven hebt! Ik wens je heel veel goeds. Willy Bollen van der Tang

    10 oktober 2020

  11. anoniem

    Ik ben van 56 dus we schelen niet veel, ik denk dat mijn broer Aad (Meijer) nog even bij jou in de klas heeft gezeten. De Hoolboomstraat was toen de knikkerstraat en wij woonden een paar huizen verderop aan dezelfde kant. Een broer van mijn (pleeg)vader had ook lichtelijk een trauma opgelopen in Indië . Maar daar wisten wij als kinderen ook niks van. Succes, groetjes Jan van der Heide( vroeger bekend als Jan Meijer)

    10 oktober 2020

  12. anoniem

    Ik herinner je ouders 1979/1980 als zeer zorgzaam Voor jullie en vooral het heerlijke eten wat zij maakten . Jouw vader zei na de geboorte van “Polletje” uitkijken met de kruiden ! Maar het was zo lekker dus.,,

    10 oktober 2020

  13. anoniem

    Bovenstaande is van Lyneke

    10 oktober 2020

  14. anoniem

    Bijzonder dat mijn partner na de familie Baay in dit huis is komen wonen.

    10 oktober 2020

  15. anoniem

    Ik woonde als kind in de Hoolboomstraat op nr 19. Persoonlijk kan ik me daar niet veel van herinneren, was 4 toen we verhuisden. Maar ik weet nog wel een paar verhalen van mijn moeder. Heel persoonlijk, dus wil dat hier niet delen. Maar je mag me mailen als je het wilt weten. linetdegreef@gmail.com Linette van der Krogt

    10 oktober 2020

  16. anoniem

    Reggie, een goed verhaal. Ik heb bij jou in de buurt gewoond en samen op de Mulo gezeten. Pas toen ik een aantal passages uit je boeken had gelezen wist ik dat wat er achter jullie voordeur heeft afgespeeld. Ik heb er in de jaren waarin ik samen met jou op de mulo zat en ook met jou omging niets van gemerkt. Ons gezin is ook halfbloed maar mijn ouders en oudste zussen hebben die 2e oorlog niet meegemaakt. Mijn ouders hebben bij de onafhankelijkheid van Indonesië gebruik gemaakt van de mogelijkheid om naar Nederlands Nieuw-Guinea te verhuizen. Tijdens de 2e wereldoorlog zat mijn vader bij de marine en was gestationeerd in Australië. Mijn moeder en oudste zus zaten in een kamp. Ondanks de ellende die ze beiden hebben meegemaakt hebben ze daar klaarblijkelijk geen trauma's aan overgehouden. Eentje dan, geen trauma maar meer een principe als gevolg van zijn oorlogsverleden. Mijn vader wilde beslist geen Japanse auto. Rex.

    11 oktober 2020

  17. Redactie

    Wat een bijzondere reacties allemaal, dank voor het delen.

    13 oktober 2020

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.