Naar overzicht

Vrouwen op de poldermolen

Marloes Wellenberg
— 1 reacties

Vrouwelijke molenaars, is dat iets van nu? Of waren er altijd al vrouwen die maalden op poldermolens? Ian Wielaard dook op verzoek van Erfgoedhuis Zuid-Holland in de archieven en deed daar enkele verrassende ontdekkingen.

Aanleiding voor het onderzoek was het project Molenverhalen van het Erfgoedhuis, waarbij in 2019 en 2020 mensen zijn geïnterviewd over het dagelijks leven op de poldermolens in Zuid-Holland [1]. Diverse geïnterviewden vertelden dat niet alleen hun vader, maar ook hun moeder met de molen maalde als dat zo uitkwam. “De boeren hadden veel liever een getrouwde molenaar dan een vrijgezel, want dan was er altijd iemand thuis. Mijn moeder kon ook prima met de molen overweg”, aldus één van de geïnterviewde molenaars. Een andere geïnterviewde, die opgroeide op een poldermolen, vertelde dat zijn moeder was benoemd tot “molenares” nadat zijn vader in 1940 overleed aan de gevolgen van een ongeval. Hij had de aanstellingsbrief nog, maar vertelde er bij dat zijn moeder veel te druk was met het huishouden en in de praktijk het malen door zijn broers werd gedaan. “Wie (…) het meeste verdiende, ging werken en wie het minst verdiende maalde met de molen. Zo ging dat.” Maar zo ging het zeker niet overal. Andere geïnterviewden herinneren zich juist strikte taakverdelingen. De kersverse echtgenote van een poldermolenaar kreeg bij haar trouwen van haar schoonmoeder te horen: “Buiten is voor hem, binnen is voor jou.” Reden genoeg om nader onderzoek te doen naar de historische rol van vrouwen op de Zuid-Hollandse poldermolens. Ian Wielaard, student aan de Erasmus Universiteit, pakte de handschoen op in het kader van zijn onderzoeksstage.

Ian startte met een oproep in de nieuwsbrief van Erfgoedhuis Zuid-Holland, waarop veel historische verenigingen zijn geabonneerd. De reacties liepen nogal uiteen. Terwijl de onderzoeksvraag of in de archieven sporen te vinden waren van vrouwelijke molenaars door sommigen als onrealistisch werd beschouwd – “Vrouwelijke molenaars? Die ga je niet vinden”, kwamen er tegelijkertijd mails binnen met concrete tips en in één geval zelfs een lijst (!) met vrouwelijke molenaars uit de 18de en 19de eeuw in een specifieke regio. Aan de hand van deze tips, aangevuld met eigen onderzoek, heeft hij een aantal vrouwelijke molenaars nader onder de loep genomen.  

Mevrouw Kleimeer-Pauw, molenaar van de Veenhuizermolen in Heerhugowaard bij het gemaal, anno 1965. (Collectie Nationaal Archief)

Nieuwkoop en Zevenhoven

Zo waren in de droogmakerijen van Nieuwkoop en Zevenhoven al vanaf de achttiende eeuw diverse vrouwelijke molenaars actief. In het archief zijn namen van achttien vrouwen te vinden die poldermolens in Nieuwkoop, Zevenhoven, Nieuwveen, Noorden en Korteraar hebben bemalen.[2] Ook de Bleiswijkse Droogmakerij kende verschillende vrouwelijke molenaars. Dat deze vrouwen officieel benoemd waren tot molenaar, betekent uiteraard niet per se dat zij ook gemalen zullen hebben. Het is mogelijk dat, net zoals in één van de aangehaalde interviews, het werk werd uitgevoerd door bijvoorbeeld hun kinderen. Dat is uit archiefbronnen niet meer te achterhalen, maar geldt in wezen ook voor mannelijke molenaars.

Martinus van Schijndel en Antonia van der Stap

Een interessante vondst in dit licht werd aangetroffen in het Historisch Archief Westland. In 1909 kwam de molenaar van de Nieuwe Molen in de Woudsepolder in de problemen. Martinus van Schijndel, al tien jaar woon- en werkzaam op de molen met zijn gezin, kreeg op 12 mei en op 10 november van dat jaar een boete wegens het boven peil malen om zijn deel van de polder droog te krijgen. De Nieuwe Molen lag in het lagere deel van de polder en om de boeren tevreden te houden wilde hij meer water kwijt dan is toegestaan. Het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland was hier niet over te spreken en droeg het polderbestuur op om Martinus te ontslaan. En dat gebeurde, op 18 Juni 1910 werd Martinus ontslagen.[3] Anders dan je zou denken veranderde er voor Martinus en zijn gezin – hij en zijn vrouw hadden maar liefst negen kinderen - niet veel. Ze hoefden huis en haard niet te verlaten, want een dag later werd echtgenote Antonia Hendrika van der Stap aangesteld als de nieuwe molenaar. Zij functioneerde klaarblijkelijk naar alle tevredenheid, want in 1913 werd het jaarsalaris verhoogd van 95 naar 100 gulden. En toen later het ouderdomspensioen van Martinus werd berekend, telden het bestuur de dienstjaren van zijn vrouw mee.[4] Was deze move van het polderbestuur een ingenieuze zet om hun waardering voor molenaar Van Schijndel te laten blijken? Nam Antonia daadwerkelijk het werk op de molen over van haar man? Het is uit de bronnen helaas niet op te maken. Het is ook mogelijk dat Antonia altijd al de molen in de gaten hield – met negen kinderen was ze ongetwijfeld aan huis gebonden – en dat er met haar aanstelling in de praktijk niet veel veranderde.

Opvolging

Meestal gebeurde het niet bij leven, zoals bij het echtpaar Van Schijndel-Van der Stap, maar dat een vrouw haar man opvolgde kwam veel vaker voor. Dat ontdekte Ian Wielaard bij het doornemen van diverse andere archiefbronnen, waaronder notulen van polderbesturen en strafregisters van waterschappen en polderbesturen. Is er sprake van een vrouwelijke molenaar, dan sluiten haar dienstjaren in de regel direct aan op het overlijden van haar echtgenoot. Logisch, want als het molenaarschap niet door een gezinslid werd overgenomen, zou de weduwe, en eventuele andere gezinsleden, de molen per direct moeten verlaten om plaats te maken voor een nieuwe molenaar. In de archieven zijn brieven te vinden die deze situatie illustreren. Op 8 april 1874 verzocht “de bejaarde en tevens arme” Jaantje van Dam het polderbestuur of zij het werk van haar overleden man, Jacob van Schaik, mocht overnemen als molenaar van Bovenmiddelmolen nummer 7 in Korteraar, “daar zij anders (…) tot de Diaconie hare toevlugt zou moeten nemen’.[5] Het polderbestuur stemde toe. Jaantje mocht op de molen blijven als ze haar plichten als molenaar trouw zou vervullen en als er sprake zou zijn van enige assistentie.[6]

“Assistentie”

Daarmee komen we bij een interessant verschijnsel: als een weduwe werd aangesteld als molenaar, dan werd in de regel vastgelegd dat een bekwame assistent moest worden aangesteld, die ook goedgekeurd moest worden door het polderbestuur. Soms ging het om een zoon, vaak ook om derden. Een heel enkele keer verzocht het polderbestuur aan een naburige molenaar om bij nacht en bij slecht weer de voorgedragen knecht behulpzaam te zijn. Het is onduidelijk wat de taakomschrijving van de assistent was en hoe de taakverdeling er precies uitzag. Ging het polderbestuur er vanuit dat vrouwen de molen niet zelfstandig konden bedienen? Dat in de archieven alleen melding wordt gemaakt van mannelijke assistenten lijkt er op te wijzen, dat de mening bestond dat in ieder geval voor bepaalde werkzaamheden mannelijke spierkracht nodig was.[7] Het financiële aspect roept ook vragen op. Het is bekend dat het salaris van een poldermolenaar geen vetpot was en dat bijverdiensten essentieel waren om een gezin te kunnen onderhouden. In hoeverre kon een weduwe op leeftijd rondkomen van een pover molenaarssalaris als ze daarvan een significant deel moest afstaan aan een assistent? Om over boetes nog maar te zwijgen... Uit strafregisters blijkt dat vrouwelijke molenaars net als hun mannelijke collega’s eindverantwoordelijk werden geacht voor hun molen. In de registers zijn overtredingen te vinden als: “Bij maalbaar weder ’s avonds uitgespannen”, “bij maalbaar weder slapende bevonden”, “bij stormachtig weder te veel zeil gevoerd”.[8] Op overtredingen, of die nu door de molenaar of door haar assistent werden begaan, stond een geldboete die zij moest betalen.

Elisabeth van Leeuwen

Ook de 49-jarige Elisabeth (“Lijsje”) van Leeuwen, die in het voorjaar van 1842 werd benoemd tot molenaar op Ondermolen H in Zevenhoven, was weduwe. Elisabeth woonde sinds haar huwelijk in 1829 op de molen en nadat haar man Simon Spruitenburg in februari van dat jaar overleed verzocht zij het polderbestuur haar “met hulp van eenen adsistent als molenaresse” aan te stellen.[9] Op de molen woonde ook haar stiefzoon Cornelis, uit het eerste huwelijk van molenaar Spruitenburg. Het polderbestuur stemde in met haar verzoek en Elisabeth bleef tot aan haar heengaan op 24 december 1869 – maar liefst 27 jaar – molenaar, door de jaren heen geassisteerd door diverse knechten. De Ondermolen was een seinmolen en dat betekende dat Elisabeth ook tot taak had andere molens in de omgeving het sein te geven de bemaling van de polder op gang te brengen of te staken. Op haar overlijdensakte werd “watermolenaresse” als beroep genoteerd, wat een aanwijzing is dat zij in haar omgeving ook als zodanig werd beschouwd. [10]

Vrouw in molen te Schermerhorn (Noord-Holland). Vrouw tijdens het voorleggen van een molenzeil van een 8-kante rietgedekte binnenkruier. (Collectie Nationaal Archief)

Adriana Verweij

“Wie (…) het meeste verdiende, ging werken en wie het minst verdiende maalde met de molen”. Het al eerder aangehaalde citaat uit het project Molenverhalen lijkt een accurate beschrijving van hoe het op veel poldermolens ging. Wie thuis was, kon meteen de molen in de gaten houden. En verhuisde de molenaar die formeel was aangesteld, dan nam één van de achterblijvende familieleden zijn plek in. Dat zien we ook op molen nummer 3 van de Nieuwkoopse Droogmakerij. Toen molenaar Leendert Roodenburg op 20 april 1835 overleed, nam aanvankelijk zijn stiefzoon Maarten Bosman diens functie over. Hij woonde al op de molen, met zijn moeder Adriana Verweij. Maarten trouwde negen dagen na het overlijden van zijn stiefvader maar verliet de molen enkele maanden later, naar we aannemen met zijn kersverse echtgenote. Of dit al in de planning lag, of dat het wellicht botste tussen zijn moeder en zijn kersverse vrouw is onduidelijk. Alleen de volgende aantekening van de seinmolenaar is bewaard gebleven: “genoemde [Maarten] Bosman heeft op den 2 July 1835 zijn molen eigendunkelijk verlaten en bedankt, waarna deszelfs moeder Adriana Verweij is aangesteld tot molenaresse met adsistenten van Adrianus Bruglande.[11] Het molenaarschap van Adriana Verweij was overigens niet van lange duur. Zij overleed driekwart jaar later, op 14 februari 1836.

Nader onderzoek

De beperkte duur van de onderzoeksstage en het feit dat de archieven dit voorjaar een tijd niet toegankelijk waren als gevolg van de coronamaatregelen betekenen dat slechts enkele “molenaresses” nader konden worden onderzocht. De gevonden voorbeelden geven desondanks een interessant inkijkje in het leven op de poldermolens in Zuid-Holland. Hoewel vrouwen pas in beeld kwamen als molenaar na het overlijden van hun echtgenoot of na het vertrek van andere mannelijke familieleden, is duidelijk dat vrouwelijke molenaars beslist geen zeldzaamheid waren en het goed mogelijk is dat vrouwen – maar ook andere gezinsleden - een actievere rol speelden op de poldermolens dan vaak wordt aangenomen. Nader onderzoek zou wellicht antwoord kunnen geven op vragen over de rolverdeling tussen molenaar (v) en assistent, maar ook over mogelijke regionale verschillen. Er is nog veel te ontdekken als het gaat om de geschiedenis van de poldermolens in Zuid-Holland.

 

Met dank aan Rien Koene (vrijwilliger bij het Historisch Archief Westland), Gert Rijlaarsdam (Historische Kring Liemeer), Ton Vermeulen (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard), Carla de Wilt (Hoogheemraadschap van Delfland), Ron Biegel (Cultuurhistorische Vereniging Ter Aar), het Hoogheemraadschap van Rijnland en de vele andere historische verenigingen en archieven die hebben gereageerd op Ian’s oproep en nuttige onderzoekstips hebben verstrekt.

Dit artikel van Ian Wielaard, Ellen Steendam en Marloes Wellenberg is eerder gepubliceerd in tijdschrift De Nieuwe Molenwereld

Lees de Molenverhalen

Wil je meer weten over het leven op een Zuid-Hollandse poldermolen? Lees dan de Molenverhalen!

Noten

[1] Bron: www.erfgoedhuis-zh.nl/molenverhalen

[2] Arjan van ’t Riet e.a., Op de bodem van een binnenzee. 200 jaar Polder Nieuwkoop (2010).

[3] Rien Koene, Speurtocht naar het verleden. Een familie van Watermolenaars in Delfland. Geschiedenis van meer dan tien generaties Koene (Maassluis 2006), 194.

[4] Hoogheemraadschap van Delfland, Inventaris 105, de Woudse Polder, 1707-1976, archiefstuk 105.

[5] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5, polder Nieuwkoop, archiefstuk 39.

[6] Enkele voorbeelden van gehonoreerde verzoeken komen voor in de volgende documenten: Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstukken 7, 8, 9, 10, 42; Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Inventaris 54, Zevenhoven, 1770-1976, archiefstuk 2.1.5.07.7. 232.

[7] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstuk 9. Ook hier wordt de suggestie gewekt, dat de werkzaamheden op de molen nogal wat vragen van de molenaar. Het verzoek van molenaar Hermanus Woerden aan het polderbestuur om zijn zoon Jan, zeventien jaren oud, aan te stellen tot assistent molenaar, wordt van de hand gewezen op grond van de nog te jeugdige leeftijd.

[8] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5, polder Nieuwkoop, archiefstuk 39; Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstuk 42.

[9] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstuk 8.

[10] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstukken 8, 9, 42. In de notulen van de vergaderingen van dijkgraaf, heemraden en ingelanden is het merendeel van de assistenten terug te vinden. Ook het strafregister der molenaars maakt beknopt melding van de molenaars op Ondermolen H. De overlijdensakte is terug te vinden via www.wiewaswie.nl.

[11] Hoogheemraadschap van Rijnland, Inventaris 2.1.5.1, Nieuwkoopse en Zevenhovense polders, archiefstuk 42.

Over de auteur

Marloes Wellenberg is historicus en werkt als adviseur voor Erfgoedhuis Zuid-Holland. Zij werkte mee aan onder meer de Canon van Zuid-Holland. Zuid-Holland in 50 verhalen (2011), de Atlas van de Trekvaarten in Zuid-Holland (2021) en is projectleider van het oral historyproject Molenverhalen, dat tot doel heeft het dagelijks leven en werken op de Zuid-Hollandse poldermolens vast te leggen.

1 reacties

L. v. d. Kruyk 14 december 2023

Bedankt, zo intresant!

Plaats een reactie

Verzenden

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.