Naar overzicht

Hoe de hondenkar leidde tot de oprichting van de Dierenbescherming

Erik van den Berg

Al sinds de jaren '20 van de vorige eeuw is het op 4 oktober Dierendag. De aandacht voor het welzijn van het dier gaat in Nederland veel verder terug. In 1864 werd namelijk de 's Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren opgericht als voorloper van de Dierenbescherming in Nederland. Aanleiding was een van de meest curieuze vervoersmiddelen uit onze geschiedenis: de hondenkar.

"Sedert 1843, toen de zaak der dierenbescherming het eerst in hooge mate de aandacht trok, van welk jaar een Engelsche wet dagteekent, hebben alle beschaafde landen de zaak wettelijk geregeld, behalve Nederland en Spanje. Talrijk zijn de wreedheden, die nu en dan jegens dieren worden gepleegd."

Van wreedheden wilde het Arnhemse historische genootschap Prodesse Conamur zich nadrukkelijk distantiëren, zo was op 8 januari 1875 te lezen in het Algemeen Handelsblad. Het genootschap nam een aantal stellingen aan dat de positie van dieren moest beschermen. Allereerst het begrip Dierenbescherming, dat "plicht van den beschaafden en ontwikkelden mensch" ging zijn, en ten tweede de wettelijke strafbepalingen die tegen het mishandelen van dieren "onmisbaar" werden geacht. (Bron)

Prodesse Conamur was de zoveelste in een rij van lokale genootschappen en clubs in Nederland, ook in Zuid-Holland, die zich in wilde gaan zetten voor het welzijn van dieren. In de loop van de negentiende eeuw werd de omgang met dieren onderwerp van een maatschappelijke en politieke discussie; verwaarlozing, mishandeling en het afdanken van werk- en huisdieren waren dagelijkse praktijk.

Steeds meer mensen uit met name de gegoede burgerij vonden dit ‘een schande voor de Christelijke beschaving’. In 1864 werd daarom de 's Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren’ opgericht, en daarmee had de Dierenbescherming zich gevestigd in Nederland. Belangrijkste speerpunt werd de strijd tegen het gebruik van honden als spandieren voor trekkarren,  in de volksmond ook wel bekend als 'hondenkar' of 'hondenwagen'.

Advertentie in de Courant voor Maassluis, het Westland en Rozenburg (06-12-1876)

Alledaags verschijnsel

De hondenkar was een eenvoudig voertuig dat werd voortgetrokken door één of meerdere honden. Ze diende met name vanaf de negentiende eeuw als een betaalbaar alternatief voor paard en wagen, vooral voor diegenen die niet over de middelen beschikten om een paard te onderhouden. Hondenkarren waren bovendien klein en wendbaar en hierdoor veel handiger in gebruik in smalle stadsstraten dan grote, brede paardenkarren. 

Ook in Zuid-Holland werd de hondenkar daarom al snel een alledaags verschijnsel en ingezet voor verschillende doeleinden: het vervoeren van goederen, het afvoeren van afval en zelfs als taxi's voor personenvervoer over korte afstanden. Ook in de archieven blijkt de populariteit, bijvoorbeeld uit de vele 'zoekertjes' zoals hierboven.

Het gebruik van de hondenkar bereikte zijn hoogtepunt in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. In deze periode waren hondenkarren een alomtegenwoordig zicht in de straten van Zuid-Holland. Arbeiders gebruikten ze om hun gereedschap en materialen naar bouwplaatsen te vervoeren, handelaren gebruikten ze om hun waren te vervoeren en zelfs melkboeren maakten gebruik van hondenkarren om melk rond te brengen.

Wreedheden

Een zeer praktisch vervoersmiddel, zou je zeggen. Welke wreedheden werden dan zo veracht? En waarom juist vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw? Bernd Timmerman is historicus, socioloog en was adjunct-directeur bij de Dierenbescherming. Timmerman lichtte eerder in OVT Radio de maatschappelijke context toe: "Tussen 1850 en 1950 was er een enorme bevolkingsgroei, van 3 naar 10 miljoen Nederlanders. Die monden moesten gevoed worden en de de explosieve groei in de landbouw en veeteelt bracht misstanden met zich mee."

De elite keerde zich tegen deze en al bestaande ontwikkelingen en vormen van volksvermaak. Het Arnhemse genootschap kwam in 1875 met een opsomming van de standpunten die ze adopteerden van de dierenbescherming: vooral paarden en trekdieren zouden het nog steeds moeten ontgelden, er werd veel te zwaar werk van ze geëist. Bovendien zouden de muilbanden die honden droegen gevaarlijk zijn: "...die dieren worden erdoor verhinderd, het zweet te verwijderen van hun tong, door welk lichaamsdeel zij uitwasemen. Ook belet de muilband het dier insecten te verjagen."

Er werd gewezen op bescherming tegen hondsdolheid en het goed behandelen van honden. En wat verder opvalt is dat er ook toen al verzet was tegen kistkalveren en slechte veetransporten, maar of het dierenbelang hierbij nu voorop stond... Zo schreef het Algemeen Handelsblad op 8 januari 1875: "Het vervoer van slachtvee per spoor geschiedt vaak zonder eenige zorg, waardoor de dieren 20 procent aan voedingswaarde verliezen en somstijds zelfs het vleesch gevaarlijk wordt in het gebruik."

"De muilbanden die honden dragen verhinderen de dieren het zweet te verwijderen van hun tong, door welk lichaamsdeel zij uitwasemen. Ook belet de muilband het dier insecten te verjagen."

Onbeschaafd behandelen

In 1877 werden de lokale initiatieven samengevoegd tot de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren. Doel was om de leef- en werkomstandigheden van paarden te verbeteren, een verbod op het couperen van oren en staart bij honden en paarden, en betere slachtvoorschriften met verplichte verdoving.

De vereniging was in de eerste periode vooral een eliteclub: rijke dames en heren van stand, die de tijd hadden om zich in te zetten voor het gekwelde dier. Zij zagen de slechte behandeling van dieren vooral aanwezig in de lagere klassen van de samenleving, en met een beschavingsoffensief trachten zij deze bevolkingslagen te corrigeren.

Timmerman: "Deze behoefte kwam voort uit een gevoel van christelijke barmhartigheid en zedelijkheidsgevoelens. De elite geloofde dat het onbeschaafd behandelen van dieren leidde tot onbeschaafde mensen, en tot volksoproer. Het palingoproer van 1886 is daarvan een goed voorbeeld: een volksvermaak dat ten koste ging van dieren, waarbij veldwachters ingrepen. Dit liep volledig uit de hand, er vielen vijfentwintig doden."

Behalve voor palingtrekken gold deze beschavingsdrang overigens ook voor andere volksvermaken, zoals katknuppelen, haan- of ganssabelen, die ook in Zuid-Holland nog tot ver in de negentiende eeuw regelmatig plaatsvond bij kermissen en jaarmarkten. Het wedrennen was toch vooral "een uitheemsch vermaak", zo betoogde de Delftsche Courant (28-8-1881): "Vraagt men welke van die uitspanningen nationaler is, dan zijn het ontegenzeggelijk de eerstgenoemde, al worden ze niet meer door de overheid toegelaten. En terecht, want voor vele menschen een genoegen was, was eene grove wreedheid jegens dieren. Men hoefde geen hartstochtelijk dierenbeschermer te zijn, om dergelijke wreedheden af te keuren."

Advertentie in de Leydse Courant, 19-09-1864

"Hondenkar in strijd met lichaamsbouw"

Vooral het gebruik van dieren als transportmiddel veroordeelde de Dierenbescherming fel. Trekdieren, de hondenkar voorop, werden speerpunt van de vereniging. Ze achtte dit in strijd met de lichaamsbouw van honden. Rond 1900 waren er in heel Nederland zo’n 80.000 honden die zwoegend karrenvrachten trokken, vaak ondervoed en verwaarloosd.

Bakkers, slagers, groenteboeren, melk- of petroleumverkopers, maar ook boeren zetten trekhonden in om hun handelswaar te vervoeren. Zelfs Defensie had honden in dienst, die in tweespan mitrailleurwagens van zo'n 150 kilo vooruit trokken. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog, in 1919, werden de meeste honden weer verkocht.

De kritiek op de hondenkar leidde tot een hevige maatschappelijke discussie. Aan de ene kant stond de ‘Bond tot Bescherming van den Trekhond’ die van mening was dat elke hond geschikt was voor het zware werk en afschaffing van de trekhond ongewenst. Wel moesten de honden beschermd worden tegen verkeerde, ruwe en soms wrede behandeling.

Daar recht tegenover stonden de voorstanders van een verbod, de al genoemde ‘Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren’, de ‘Federatie van Vereenigingen inzake het gebruik van den hond als trekdier in Nederland’, de ‘Vereeniging tegen Trekhondenmisbruik’ en de Anti-Trekhondenbond.

Bestuur van de Anti-Trekhondenbond op het bordes van landgoed "De Dreef" in Hattem, 1928 (Foto: Spaarnestad)

Trekhondenwet

Wie keek nu toe op de naleving van die wetten? Timmerman: "In de eerste periode vanaf 1864 werden beloningen uitgeloofd aan agenten als ze processen verbaal uitschreven. Mits dit tot een veroordeling leidde, ontvingen ze een hele gulden (van de gegoede burgerij). Vanaf 1876 had de Dierenbescherming beschikking over haar eigen veldwachters, die bekeuringen konden geven. Ze kregen een eigen uniform en zagen toe op de naleving. Andere wachters gingen incognito de straat op."

In de eerste periode van de dierenbescherming werden mooie resultaten geboekt. In 1875 werd bij wet bepaald dat het opzettelijk mishandelen van een hond of kat strafbaar was. De wet diende ter voorkoming van hondsdolheid, een kwaal die tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw vooral in steden op grote schaal voorkwam.

In 1880 werd een aantal soorten vogels en zoogdieren bij wet beschermd, wel ging het hier om dieren die nuttig waren voor landbouw en veeteelt. Het dierenbelang stond misschien niet voorop, maar er was sprake van een enorme verschuiving van totaal geen naar wettelijke bescherming van diersoorten.

Traag maar gestaag, het werk van de dierenbescherming had resultaat: in 1886 kwam er een nieuw artikel in het Wetboek van Strafrecht, dat dierenmishandeling een misdrijf maakte. En in 1911 trad de 'beschermende Trekhondenwet' in werking. Eigenaren moesten vanaf nu een vergunning hebben en zich houden aan voorschriften voor hond, kar en tuig.

Omdat het ledental van de Vereniging sinds oprichting enorm gegroeid was, kon de Dierenbescherming op den duur meer personeel in dienst nemen. In 1920 waren achttien veldwachters in dienst, die dierenleed en misstanden opspoorden, onderzochten en daders bekeurden of toespraken. Tot de veldwachters verdwenen in 1943 en het toezicht werd overgenomen door de Koninklijke Marechaussee.

Hondenkar verboden

Speerpunt of niet, een verbod op gebruik van de hondenkar zou nog een poos duren. Pas in 1961 kwam de Wet op Dierenbescherming tot stand, die onder meer een definitief verbod op het gebruik betekende. Het zou nog tot 1963 duren voordat de trekhond definitief verdween uit het straatbeeld. 

In 1975 werd de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) opgericht, waarmee personeel hun volledige tijd als dierenbeschermer konden besteden. De LID moest toezien op naleving van de wet, klachten behandelen en proefcontroles uitvoeren. Ze ging nauw samenwerken met de politie en de nVWA. De beroepsinspecteurs hadden opsporingsbevoegdheid. Vrijwillige inspecteurs door het hele land werden ingezet om ze te ondersteunen.

In 1992 en 1998 werd de veiligheid voor dieren verder verzegeld met de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, en de Flora- en Faunawet. Uiteraard mede mogelijk gemaakt door de Dierenbescherming. De samenwerking tussen Dierenbescherming en inspectiedienst zou daarmee nog intensiever worden.

Naast de inspecteurs van de LID is er tegenwoordig bij de politie een aantal agenten in dienst dat toeziet op het dierenwelzijn. De één noemt het caviapolitie, voor de ander is het een logische stap vooruit. Timmerman: "Je kunt drie fasen onderscheiden. In de eerste fase werden agenten door de elite beloond met een gulden per bekeurde persoon. In de tweede werkten veldwachters in dienst van de Dierenbescherming. Bij de derde fase komt die taak bij de overheid te liggen."

En zo was de hondenkar voorgoed verleden tijd. Wie het woord tegenwoordig op Google zoekt, ziet dat de rollen omgedraaid zijn. Misschien tijd om de dieren te beschermen tegen hun baasjes? Gelukkig kunnen we altijd nog terugkijken...

De hondenkar in actie, gefilmd in 1898. Regisseur: William Kennedy-Laurie Dickson | Productiebedrijf: Nederlandsche Biograaf- en Mutoscope Maatschappij i.s.m. British Mutoscope and Biograph Syndicate

Bronnen

Over de auteur

Erik van den Berg werkt als communicatie-adviseur bij Erfgoedhuis Zuid-Holland. Na zijn opleiding geschiedenis (BA) en journalistiek (MA) in Leiden werkte hij als redacteur bij de Publieke Omroep (VPRO, NTR) en als zelfstandig tekstschrijver.

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.