Naar overzicht

Vliegstrip Voorburg

Th. Buurman

Voorburg mocht zich in het jaar 1945 verheugen op een vliegveldje. Als getogen Voorburger vroeg ik me jaren geleden al eens af welke rol de vliegstrip heeft gespeeld, ook uit interesse voor de historie van de luchtvaart. Nagegaan wordt eerst wat zich heeft afgespeeld rond het terrein aan de Hoekwaterstraat. Daarna de deelname van drie Voorburgers of Leidschendammers aan de Tweede Wereldoorlog. Tot slot de landing van een Geallieerd toestel op hetzelfde sportveld.

Vliegveld Hoekwaterstraat. Bron: H. Grootens

In 1945 lag er een sportveld naast de spoorlijn Den Haag – Gouda op de grens tussen Den Haag en Voorburg. Het terrein, bedoeld voor de lichamelijke opvoeding in het onderwijs, behoorde toe aan de Stichting Haagse Sport- en Speelterreinen. Dit ging veranderen toen op 26 mei de commandant van het 6 Dutch Auster squadron, het volgende aan de voornoemde Stichting schreef betreffende de vordering van het terrein Hoekwaterstraat 151. “Als afgesproken deel ik u mede dat het sportterrein aan de Hoekwaterstraat (thans reeds als zodanig gebruikt) voor dit squadron als basis zal worden benut. De Town Major – de Geallieerde militaire vertegenwoordiger bij het gemeentebestuur - zal de vordering officieel registreren en de verdere afwikkeling van deze zaak ter hand nemen”.

Het Auster squadron, dat onder toezicht van de commanderende Geallieerde Generaal van het Netherlands District 21 Army Group stond, kwam van het vliegveld Gilze-Rijen. Volgens een vlieger volgde ook een afdeling van de eenheid van de airstrip te Zeist. De komst betekende, dat het sportveld ging dienen als vliegveld.

Vliegveld Hoekwaterstraat. Bron: H. Grootens

De turnzaal veranderde in vliegtuigwerkplaats. In de gebouwen kwamen ook de administratie en magazijnen. De kleedruimtes ondergebracht in enkele grote barakken werden ingericht als slaapplaats. Aan de Koningin Wilhelminalaan kwam in een tweetal benedenhuizen ook legeringruimte ter beschikking. De woningen bevonden zich tussen de Von Geusaustraat en de Van Wassenaerstraat. In de autocarrosseriefabriek van de firma Van Rijswijk, aan de Van Alphenstraat 62, kwam de keuken met eetzaal voor de manschappen. Stalling en onderhoud van auto’s konden ook in dit pand plaatsvinden. Op nummer 87 in dezelfde straat zat de garage Taurus. Deze diende eveneens voor stalling van voertuigen. Voor zowel het sportveld als de carrosseriefabriek en de garage werden de huurwaarden opgesteld. Een onderkomen voor de onderofficieren werd later in de buurt gevonden.

In de herinnering van een lid van de rolhockeyvereniging de Roller Club Residentie, zag de sporthal er vijf jaar na het vertrek van de eenheid als volgt uit. De houten hal had een binnenafmeting van ongeveer 37 x 15 meter. De hal bleef aan één lange zijde open. Aan de overkant bevonden zich drie deuren, respectievelijk naar twee kleedlokalen en een berghok. De verlichting was schamel. Douches waren er niet en men moest het doen met een wasbak en kranen. Het buitenterrein aan de open zijde bestond uit een betegeld voorplein en gaf zicht op de sportvelden.

In plaats van sportende leerlingen kregen de bewoners van de Hoekwaterstraat en omgeving sportvliegtuigen van het type Auster in militaire beschildering te zien. De toestellen stonden direct langs de weg en dit betekende een hele sensatie. Het was steeds een binnenkomen en vertrekken van vliegtuigen. Veel aanwezigen wilden eigenlijk ook wel eens een vlucht meemaken, net als de passagiers, die ze zagen in- of uitstappen. Het publiek kon dagelijks zien, ook op zondag, hoe naast postzakken ook stapels kranten werden aangevoerd en in de Austers gepropt. De bescheiden capaciteit van het vliegtuig zorgde ervoor dat naast de vlieger slechts één passagier of enkel post kon worden vervoerd. De plaatselijke geschiedschrijver wist te melden dat voor kennissen in de buurt regelmatig post van en naar Engeland, maar ook grammofoonplaten voor een straatfeest, werden meegenomen. In de vakanties kwam de jeugd het vliegveld bekijken. Jaloers waren ze op de jongens, die op het veld mochten meehelpen de toestellen schoon te houden. Onder de kijkers bevond zich soms de later bekende luchtvaartjournalist Bart van der Klaauw. Deze kwam uit Wassenaar fietsen om hier te kijken en vertelde dat een bewaker op een bepaald ogenblik onhandig deed met zijn geweer en deze per ongeluk liet afgaan. De kogel ging gelukkig tussen de benen van Bart door. Niet alleen Nederlandse vliegtuigen waren te zien, maar ook soms buitenlandse toestellen. Niet iedereen was blij met de Austers voor de deur. Als ze in de ochtend stonden warm te draaien, trokken de huisvrouwen boos de ramen van de slaapkamers dicht om het stof te weren.

Op de basis Voorburg vonden zover bekend twee ongevallen plaats. Op 9 september brak een toestel bij een landing het rechter landingsgestel. Een zoon van een huisarts uit de buurt noemde spontaan dit ongeval als herinnering aan het vliegveld. Hij had op zijn netvlies nog steeds het beeld hoe de Auster in een greppel terecht kwam, de staart omhoog ging en toen terugviel. Op 8 december stortte een Auster direct na de start neer en ging in vlammen op. De vermoedelijke oorzaak was ijsafzetting. Vlieger Schouten en zijn passagier liepen verwondingen op.

De taak van de eenheid bestond uit het maken van vluchten in eigen land, maar ook naar buitenlandse bestemmingen. Snel vervoer door de lucht had de voorkeur, daar de verbindingen over land niet altijd beschikbaar waren door oorlogsverwoestingen. Tot de passagiers behoorden onder andere Geallieerde militaire autoriteiten en ambtenaren voor hulp en controle. De vluchtopdrachten kwamen via het passagebureau van het Militair Gezag, gevestigd in het gebouw van de Bataafse Petroleum Maatschappij, aan de Carel van Bylandtlaan in de Hofstad. De personeelssterkte van het squadron bedroeg 22 man toen het half april uit Engeland kwam. In september waren het er tegen de 90 en begin november 120 man.

Onder de 120 bevonden zich een groot aantal oorlogsvrijwilligers en vliegers van voor de Tweede Wereldoorlog. Ook waren er burgers werkzaam. Vliegers, die te Voorburg bij het squadron kwamen, leerden het vliegen op de Auster op de airstrip aan de Gordelweg te Rotterdam. Na de komst te Voorburg kwamen ter versterking van het technisch personeel, leerlingen van een technische school en personeel van de voormalige Nationale Luchtvaart School (NLS) te Ypenburg. Een van de NLS’ers woonde vlakbij aan de Van de Wateringelaan, kende één van de vliegers en kon zo weer snel aan de slag. (Foto: grondwerktuigkundige H. Grootens te Voorburg. Bron: H. Grootens)

In de werkplaats vond reparatie, onderhoud en revisie plaats, allemaal door het eigen personeel. Van hen werd veel gevraagd en veel vrije tijd kregen ze niet. Met de toestellen werd veel gevlogen en werden landingen uitgevoerd op weilanden of sportvelden. Zo mankeerden de Austers wel eens wat. Soms kwamen verongelukte toestellen naar Voorburg. De trap, met planken erop, werd in een enkel geval gebruikt om een Auster van het veld naar de reparatiewerkplaats te brengen. Een nijpend tekort aan onderdelen werd gevoeld, waarbij het ging om instrumenten, motorpakkingen, vliegribben en andere onderdelen. Verzoeken om aanvulling gingen meerdere malen richting Londen, maar niet altijd met succes. Soms moest hierdoor bij de Geallieerden van alles met veel moeite en handigheidjes worden georganiseerd. Hun werkplaats op het volgende vliegveld Valkenburg kreeg zo de naam “Ritselhof”.

Na een begin van vluchten met een geïmproviseerd karakter, kwamen regelmatige en onregelmatige vluchten. Voor de dagelijkse noordelijke en zuidelijke postroute stelde het Militair Gezag een dienstregeling op. Den Haag was de verbinding tussen de twee routes. Dan bestond er nog de grote postdienst, een route die twee keer per week werd gevlogen. Van de dagelijkse route maakte het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), voor een snelle verspreiding van nieuwsberichten, dankbaar gebruik. Ook ging dan wel eens een journalist of iemand van het ANP mee. Hoe intensief de toestellen werden gebruikt, kwam naar voren uit de 636 gemaakte vlieguren in een bepaalde maand. Op een dag in juni werden de plaatsen Heerlen en Groningen aangedaan. De vlucht duurde iets meer dan vijf uur en dit toonde hoeveel de vliegers op één dag vlogen. Geen uitzondering in die dagen. De inzetbaarheid van de toestellen bedroeg tegen de 80 procent. Een vlieger kon wel eens dagen niet op de thuisbasis verschijnen bij een ongeregelde vlucht, ook wel een “wilde vlucht” genoemd. Eenmaal gestart was je voor een ieder eigenlijk onvindbaar, daar er geen radio aan boord was. Hij werd daarbij soms ook nog geconfronteerd met slecht werkende kompassen, een weersverwachting ontbrak en vliegkaarten waren er veelal niet.

Tegenover een vlucht met mooi weer, kon ook een vlucht met bar slecht weer staan. Zo zorgde een kletsnat veld bij een start te Voorburg voor ongemak. Met ook nog regen op de voorruit kon alleen wat opzij worden gezien. Terugkeren in het donker op de thuisbasis gebeurde zonder landingslichten. De straatlantaarns aan de Hoekwaterstraat gaven de vlieger gelukkig dan wat verlichting.

De veiligheid van sommige landingsstroken in gebruik bij het Auster squadron vond de Rijksluchtvaartdienst onder de maat, zeker nu de oorlog voorbij was. De eisen aan de dertig landingsstrippen, die ons land op dat moment rijk was, dienden te worden verhoogd en zeker bij civiel gebruik. Het gebruik van deze kleine verbindingsvliegtuigen bracht mensen op het idee om met luchttaxi’s bij steden te beginnen.

Hoe soms werd omgegaan met passagiers, die gebruik maakten van een vlucht, geven de volgende voorbeelden aan. Manschappen van de eenheid werden naar huis gebracht; een motorrijder, die een dienst had verleend, werd beloond met een vlucht over zijn huis; de Engelse miss Nedland moest worden meegenomen en plaatsgenoten van één van de vliegers mochten in ruil voor het meebrengen van benzine een rondvlucht boven hun dorp meemaken. Tot de categorie niet gebruikelijke vluchten behoorde het op grote hoogte vliegen ter genezing van een baby, die last had van de luchtwegen. Maar ook het slepen van een zweefvliegtuig naar het zweefvliegkamp te Leende, waarvoor speciale voorzieningen aan een toestel waren aangebracht. Auster toestellen in Rode-Kruis uitvoering zouden ook tot de eenheid hebben behoord. Dit viel op te maken uit de hulpverlening bij een epidemie op Urk en het ophalen van een gewonde vlieger in het buitenland. Bij het squadron zou, naast de 18 Austers die er opereerden, een Leopard Moth zijn ingedeeld. Het betrof een in het jaar 1939 gevorderd vliegtuig.

Stadionkade in Amsterdam. Bron: H. Grootens

Tot één van de hoogtepunten van de eenheid behoorde de luister bijzetten aan de eerste Koninginnedag na de oorlog. Deze vond plaats op 31 augustus in het Olympisch Stadion te Amsterdam. Kapitein Nienhuis liet zijn toestellen naar de strip aan de Stadionkade vliegen. (Foto: Stadionkade in Amsterdam. Bron: H. Grootens)

Onder de romp kwamen lakens met daarin rode, witte, blauwe en oranje bloemen. Aan het slot van het defilé lieten ze, samen met vliegtuigen van de Nederlandse Strijdkrachten en van de Britse Royal Air Force, duizenden bloemen neerkomen in het Stadion. Organisator Carel Briels schreef de kapitein dat het op de minuut ging, een prachtig gezicht was en de bloemen voor de voeten van het Prinselijk Paar neerkwamen. Aan boord van één van de toestellen zat een fotograaf uit Voorburg. Hij zou naast het opentrekken van de lakenzak door middel van een koord, tevens foto’s maken. Dit laatste vergat hij in zijn enthousiasme.

De brandstof gaf tijdens de vlucht weleens problemen. Het leidde een keer voor vlieger Hateboer tot een noodlanding op een Autobahn in Duitsland. Door het zoekend vliegen in de mist raakte de brandstof op. Hij ontdekte door een opening in het wolkendek een Geallieerde benzinepomp aan een autoweg, vloog een keer laag over en zette zijn toestel neer op de weg en sloot in de rij wachtende auto’s bij de benzinepomp aan. Toen hij aan de beurt was, schoot een Canadese kapitein vreselijk in de lach. Alsof dit de normaalste zaak van de wereld was om zo te tanken, steeg hij op. Een ander gebeuren speelde zich af in België. Extra brandstof werd in jerrycans aangetroffen. Dit leek verdacht en de politie dacht een stel goudsmokkelaars in handen te hebben. Een cel werd hun onderdak, maar contact met Den Haag deed hen vrijkomen. In het volgende geval moest de vlieger noodgedwongen meerdere dagen in Denemarken wachten op de juiste benzine.

het artiestenduo Snip en Snap en rechts sgt vlieger J.J. de Bruijn, waarschijnlijk locatie Voorburg. Bron: Stichting Vliegend Personeel 1939-1950

Tot de “stripverhalen” behoorde de opening van de mess op 20 juni met een feestavond. De eetzaal was omgetoverd tot schouwburgzaal en Willy Walden en Piet Muyselaar van de Snip en Snap revue traden op. 

Voor op de dansvloer waren meisjes uit de buurt uitgenodigd. Het feest duurde tot in de vroege uurtjes. Iemand kwam op het idee alle dames hun huis in Den Haag vanuit de lucht te laten zien. Niet alleen boven, maar ook door de straten werd gevlogen. Dit was de eenheid op zijn best. De commandant van “Circus Nienhuis”, zoals de eenheid al werd genoemd, kwam wakker geschrokken naar het veld. Iedereen in arrest plaatsen, zou betekenen dat de toestellen op de grond bleven en zoiets kon niet. Een regelmatige bezoeker van de Auster-strip was Prins Bernhard, die zich dan met het personeel onderhield. De Prins wilde op een dag van het toilet gebruik maken. Toen hij een toiletdeur in een barak opendeed, zag hij een soldaat op de toiletpot staan. Hij vroeg, zodra deze klaar was, of hij ook even gebruik kon maken van deze ruimte. De betrokkene dacht door het raampje in het toilet hem eens van nabij te kunnen zien, maar was hem uit het oog verloren. De Prins op die manier zien, had hij nooit verwacht. Een ander memoreerde het verzoek aan de commandant enkele militairen af te staan bij de inzegening van de Sint Liduinakerk aan de Schenkkade. De Haagse kerk liep bij het bombardement van het Bezuidenhout zware schade op.

Kapitein Nienhuis kreeg in een radio-uitzending der Luchtstrijdkrachten gelegenheid iets te vertellen over zijn kleine vliegtuigen, die overal boven Nederland te zien waren. Hij wees erop dat de Auster maar een klein veldje nodig had voor het werk. Ook bood een toestel uitkomst bij het wekenlang afzoeken van Noorse fjorden en havens naar verborgen Nederlandse schepen, met een vertegenwoordiger van de Commissie Shipping. Ook kon hij vertellen dat op 25 september het 3200ste vlieguur was voltooid met een afstand van 300.000 kilometer.

Op 1 november mocht H. Nienhuis het commando over het squadron overdragen aan zijn opvolger J.M.A. Collee. Overste Reijnierse, directeur der Luchtstrijdkrachten, sprak bij Nienhuis’ afscheid zijn waardering uit over het werk door dit squadron verricht voor het berichtenverkeer en personenvervoer direct na de bevrijding. Iedere aanwezige militair moest aantreden en de overdracht meemaken. Toen de overste bij de Luchtstrijdkrachten begon, liet hij weten dat, nu de oorlog voorbij was, het een professionele organisatie moest worden en het stadium van vliegclub achter zich moest laten.

Het Auster squadron bleef in de loop van de tijd niet de enige organisatie voor luchttransport, die werd ingezet voor het herstel van ons land. In de laatste dagen van de maand september 1945 begon de Regeringsdienst met binnenlandse vluchten. Gevlogen werd met tweemotorige vliegtuigen van het type De Havilland Dominie. Een Dominie zou dicht bij de Voorburgse airstrip van de rijksweg gebruik hebben gemaakt. Het kleine vliegveld was immers te klein voor een dergelijk vliegtuig. Eind oktober kon heel Nederland via deze vliegdienst worden bereikt. Tussen eind oktober en november werden door het squadron rond de 370 vlieguren gemaakt, minder vluchten dan in de eerste zes maanden. Naast de mindere behoefte speelden de slechte weersomstandigheden een rol.

In oktober verzocht de Sportvereniging de Minister van Onderwijs zijn collega van Oorlog te vragen de vordering van het terrein te beëindigen. De Town Major kreeg hetzelfde verzoek. De Gemeente Voorburg ontving begin september het bericht dat de vordering van enkele gebouwen als beëindigd moest worden beschouwd. De Dienst der Genie liet de squadroncommandant weten geen vervangende ruimte beschikbaar te hebben. De Woningdienst Voorburg leverde hetzelfde resultaat op.

De krantenlezer kreeg op 11 december onder ogen dat de vliegveldstrip in de daaropvolgende week zou worden gesloten, aldus de commandant. De Engelsen gingen op het vliegveld Valkenburg hun sterkte inkrimpen. Het Voorburgse squadron zou de vrijgekomen ruimte daar innemen. De commandant van het squadron kreeg tevens de opdracht een eventuele overdracht van het vliegveld Valkenburg aan de Luchtstrijdkrachten voor te bereiden, als de Engelsen zouden zijn vertrokken. De squadroncommandant schreef op 19 december vanaf Valkenburg aan de Commandant van de Grensbewaking, dat nu Voorburg de dag ervoor verlaten was, er geen bezwaar bestond dat zijn dienst het terrein en de gebouwen aan de Hoekwaterstraat in gebruik zouden nemen. Het Commando Luchtstrijdkrachten sprak van 15 december als datum van vertrek.

Voor wat de Gemeente Voorburg betreft is verder te melden dat de carrosseriefabriek B.F. van Rijswijk een bericht stuurde over de vordering van een deel van de fabrieksruimte door de Town Major. Het College van Burgemeester en Wethouders nam de vordering van het sportterrein Hoekwaterstraat voor kennisgeving aan, ging akkoord met de huurvergoeding aan de carrosseriefabriek Van Rijswijk; stelde voor een nader onderzoek uit te voeren naar de schade aan het sportterrein en nam kennis van het rapport over de vliegtuigbrand in de Van Lodensteijnstraat. Een huurvergoeding van bijna 300 en 600 gulden werden overgemaakt naar respectievelijk de firma Van Rijswijk en de Gemeente Den Haag ten behoeve van de Sportvereniging.

Binnen de gemeentegrens van Voorburg heeft het terrein gelegen, waar vanaf het Auster squadron (1) haar werk verrichtte. Dit squadron mocht een duidelijke rol spelen bij de wederopbouw van ons land, direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog.

Opgestelde Austers. Herkomst onbekend

Deelnemers WOII

In het voorgaande kwam de naam Nienhuis ter sprake als één van de drie Leidschendammers of Voorburgers, waarvan meer bekend is over hun deelname aan de Tweede Wereldoorlog. H. Nienhuis, de eerste van de drie, kwam uit de zweefvliegerij. Hij toonde internationaal zijn kwaliteiten en was werkzaam op Ypenburg. De Zaanse deurenfabrikant C. Bruynzeel senior, eigenaar van een zweefvliegtuig, koos hem tot zijn privévlieger. Toen het Luchtverdedigingsfonds hem de opleiding tot militair vlieger aanbood, maakte hij van de mogelijkheid gebruik. Deze zweefvlieger wist tijdens de mobilisatie bij de vliegschool te Vlissingen te komen. Ging vervolgens naar de opleiding voor gevorderden te Haamstede, maar werd uiteindelijk naar Vlissingen teruggehaald.

De tweede was sportvlieger E. Wils. Hij bezat ook het brevet om in tijd van oorlog eenvoudige militaire vliegopdrachten achter het front te vervullen. Wils vertrok tijdens de mobilisatie naar Vlissingen. De derde was J. Mulder. Hij koos, na een officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie, voor de opleiding tot vlieger en nam in 1939 aan de elementaire vliegopleiding te Vlissingen deel. De drie maakten op 10 mei 1940 de beschieting mee van de Zeeuwse vliegscholen door Duitse jachtvliegtuigen. Nienhuis en Wils kwamen niet in actie. Artillerist en leerling-vlieger Mulder kreeg de leiding over een sectie Jagers en voerde een actie uit bedoeld om vijandelijke parachutisten uit te schakelen.

Met lestoestellen en leerlingen vertrokken de instructeurs een paar dagen later naar Frankrijk. Nienhuis, Wils en Mulder volgden over de weg. Na omzwervingen kwamen ze alle drie aan in Engeland. Voortzetting van hun opleiding tot vlieger kwam daar eerst niet goed van de grond. Tot hun geluk konden ze hun opleiding voortzetten bij het 320 squadron van de RAF, waarin de uitgeweken Marineluchtvaartdienst was ondergebracht.

Leerling-vlieger J. Mulder werd begin september bij het 320 squadron gedetacheerd. Hij volgde in Nederlands-Indië zijn opleiding, vertrok juli 1941 van daaruit via de Verenigde Staten naar Engeland, maakte de opleiding af en keerde in 1942 terug bij het 320 squadron. Aankomend-vlieger H. Nienhuis vertrok ook naar Nederlands-Indië, behaalde zijn waarnemerbrevet, ging via Noord-Amerika naar Engeland en kwam ook bij dit squadron.

Leerling E. Wils ging ook naar het Verre Oosten en maakte soortgelijke omzwervingen als Nienhuis. In opdracht vertrok hij met een groep vliegers, onder andere de zoons van Ir. Rosenburg en van Mr. Mulder uit Voorburg, naar Amerika om nieuwe toestellen in te vliegen. Hij bracht een bezoek aan Prinses Juliana, keerde terug naar Engeland, kreeg verdere opleiding en trad toe tot het 320 squadron. G.J. Rosenburg zat ook bij het 320 squadron.

Wat betrof de deelname aan de oorlog door vlieger J. Mulder ging het om tachtig vluchten. De doelen lagen achtereenvolgens op zee, in Noord-Frankrijk, Duitsland en uiteindelijk Nederland. Een keer zat zijn bommenwerper vol met kogelgaten door vijandelijk afweergeschut. Hij nam deel aan de Slag om Arnhem met als doel een kazerne in Ede. Maar vanwege de bewolking liet hij de bommenlast niet vallen. Het doel kende hij goed uit zijn eerdere legering op die plaats. Boven Zuid-Engeland, tijdens een bijzondere oefening, werd hij door een bondgenoot voor een Duitser aangezien, geraakt en verzocht allen te springen. Maar hem schoot te binnen dat een bemanningslid geen parachute had en hij besloot tot een noodlanding. Hij bracht het eerst tot vliegtuigcommandant en daarna tot formatieleider. Was squadroncommandant, maar ging terug naar zijn functie, toen zijn voorganger terugkeerde.

Vlieger H. Nienhuis maakte meer dan zeventig oorlogsvluchten. Zijn eerste doel in Nederland was de scheepswerf De Schelde in Vlissingen. De geschutskoepels van de daar te bouwen vliegtuigen kwamen van de machinefabriek Enkes te Voorburg. Zijn toestel werd geraakt, maakte een landing op zee en werd Nienhuis met de andere bemanningsleden gered.

Vlieger E. Wils maakte boven de Belgische Ardennen mee, dat op grote hoogte de motoren in brand werden geschoten. Bij het neerstorten durfde een inzittende niet te springen. Die werd uit het brandende toestel geduwd en Wils sprong toen zelf ook. Veilig kwamen ze aan hun parachutes net achter de eigen frontlijn aan de grond.

Het trio Mulder, Nienhuis en Wils hebben in Engeland gezamenlijk deelgenomen aan een vliegercursus. Hun levensloop vermeldt verder dat Mulder na een verblijf van twee jaar bij het 320 squadron, vertrok naar het opkomstdepot Oorlogsvrijwilligers in Eindhoven. Hij doorliep hogere rangen en had verschillende functies binnen de Luchtmacht. In 1970 bereikte hij de rang van generaal-majoor. Hij woonde in datzelfde jaar in Londen, namens de Luchtmacht, een bijeenkomst bij in verband met de herinnering aan de voedseldroppings door de RAF in 1945.

De op 6 oktober 1915 te Voorburg geboren Joop Nicolaas Mulder overleed op 2 mei 1991 te Den Haag. In 1995 kreeg een transportvliegtuig van de Koninklijke Luchtmacht de naam Joop Mulder.

Nienhuis behoorde tot de bemanning van het eerste Nederlandse militaire vliegtuig, dat in september 1944 op een geallieerd vliegveld in Nederland neerstreek. Op 5 mei 1945 landde hij met een Auster in Amsterdam. “Voor familiebezoek en de Duitsers hebben toch gecapituleerd”, zei hij tegen een verslaggever. Half december 1945 ging een telegram van het Ministerie van Waterstaat te Londen naar de Rijksluchtvaartdienst te Den Haag. De inhoud van het telegram was als volgt:: “captain nienhuis probably and lieutenant vermeer certainly still in military service stop demobilisation compagnie ministry of war the hague can enlighten you about nienhuis stop being in military service selling aircraft in private enterprise is strictly forbidden as director lsk told me stop cancel purchase of austers on these grounds and order tigermoths soonest stop have friday meeting on lsk about trainingschool will monday visit de havilland and return wednesday stop“.

Uit verdere archiefstukken bleek niet direct het waarom van dit bericht. Wel bevestigde de Rijksluchtvaartdienst kort voor het telegram, aan iemand in Wassenaar, de bestelling van tien Austers ten behoeve van een overgangsopleiding. Gedurende de maand april 1946 stond een Auster Autocrat ingeschreven op de naam H. Nienhuis. Op 19 september 1908 werd Harke Nienhuis te Voorburg geboren. Hij overleed op 21 april 1962, tijdens een noodlottig ongeval op het water.

Wils ging, na het maximum aantal oorlogsvluchten, instructie geven op de B-25 Mitchell bommenwerper. Begin 1945 werd tot overplaatsing naar het Communication squadron besloten. Op 9 mei 1945 maakte Wils een landing aan de Westvlietweg te Stompwijk achter het architectenbureau van zijn vader. Een weerzien met zijn ouders volgde na 5 lange oorlogsjaren. Evert Jan Wils werd te Den Haag geboren en overleed in Breda op 27 augustus 1998 op 82 jarige leeftijd.

Filmploeg van de geallieerden. Bron: Fam. Heijdt

Eind april 1945 liep Nazi-Duitsland op haar laatste benen. Overgave op overgave volgde zich in snel tempo op. Op 4 mei werd de capitulatie ondertekend, waarin stond dat de Duitse troepen op 5 mei 1945 om 8 uur in de ochtend de wapens in de rest van Nederland zouden neerleggen. De bevolking in het westen van ons land begreep echter niet waar ze aan toe was. De mensen hadden gehoord, dat de Duitsers zich hadden overgegeven. Maar de bezetter liep nog rond alsof er niets was gebeurd. Geen bevrijder liet zich zien. De bevrijding verliep hier rafelig, zoals de historicus Lou de Jong de gang van zaken omschreef. 

Twee Geallieerden ondervonden op weg naar Den Haag ook wat er kon gebeuren als iets werd gezegd, maar nog niet zover was. De Britse radio liet op 5 mei, rond het middaguur in de mededeling over bevrijde plaatsen, het volgende weten. De Geallieerde troepen stonden op het punt Den Haag binnen te trekken of waren net in deze stad aangekomen. Afgaande op dit nieuwsbericht steeg rond 5 uur in de namiddag in de buurt van de Duitse stad Minden een klein toestel op van het type Auster, met daarin twee inzittenden. Doel van de vlucht was Den Haag. De nood moest daar waarschijnlijk het hoogst zijn gestegen De twee hoopten opnamen te kunnen maken van de bevrijding en van het uitwerpen van voedsel en medicijnen door Geallieerde toestellen. Na meer dan een uur vliegen, kwamen ze in de buurt van Den Haag, maar namen geen enkel teken waar van colonnes en van eigen militairen. Onderweg hadden ze een tussenlanding gemaakt, maar geen benzine getankt. De twee gingen er van uit die plaats wel met een weinig gevulde brandstoftank te bereiken. Daar zouden hun troepen wel beschikken over benzine.

Wat nu, want wat nog in de tank zat, maakte een terugkeer onmogelijk. Gelukkig ontdekten ze een voetbalveld. Hierlangs stonden huizen en op de plek, waar ze wilden landen, liepen dieren. Een perfecte landing volgde om, zoals één van de inzittenden later aan zijn zoon vertelde: “to find petrol for their reconnaissance aircraft”. Al snel omringden bewoners van de Hoekwaterstraat hen. Ze waren uit hun huizen toegesneld en zorgden voor een vrolijk zwaaiende menigte. De mensen verdrongen elkaar om hen de hand te schudden. De twee werden naar een woning gebracht. Daar ze kregen uitgelegd dat de bezetter er nog was en de gevraagd wat ze kwamen doen. Een militair voertuig vol met Duitsers was intussen aan het einde van de straat verschenen en stopte vlakbij de grote groep mensen.

De bewoner van het huis, die de Engelse taal perfect beheerste, vertelde dat iedere dag werd gewacht op de bevrijding. Betekende jullie komst het begin van de bevrijding? Hun antwoord hield in dat ze geen voorbode waren, maar fotografen in uniform in een toestel zonder benzine. De aanwezige Duitsers maakten een zo snel mogelijk vertrek van de twee noodzakelijk. De Auster kon gelukkig ook op rode benzine vliegen. Hun gastheer vertrok om hen daar in de zo kortst mogelijke tijd aan te helpen. Tijdens het wachten hoorden ze buiten steeds harder de kreet RAF roepen. Vanaf een balkon kon worden gezien hoe op een hoogte van 500 voet Engelse bommenwerpers van het type Lancaster voedsel en medicijnen aan parachutes lieten vallen.

Manna

Een paar straten van het sportveld vandaan was nog voor het “Manna” viel het aantal monden in een gezin verminderd door de drie oudsten naar een ander deel van ons land te laten brengen en wel naar het nog niet bevrijde Emmen. Een grote zorg was het kind op komst. Half maart werd het geboren. De huisarts kon niet meer beloven dan dat moest worden afgewacht of het jongentje het zou redden. Op de avond van de geboorte kwam een meisje aan de deur van het betreffende huis. Gehoord was over een geboorte van een kind en ze kwam een pak Molenaars kindermeel aanbieden.

Een van de ouders was ook één van de ondertekenaars van het boekwerk “Thank you RAF” met als inhoud: Hand illuminated testimonial containing some 5000 signatures, presented to Air Vice Marshal E. C. Huddlestone by the citizens of Voorburg (a suburb of the Hague) in May 1945 in gratitude for Operation Manna during which the RAF had dropped many tons of food and clothing for the inhabitants of the Western regions of the Netherlands. De huldeblijk van 130 bladzijden staat vol met handtekeningen en ook meerdere gekleurde illustraties. Sommige handtekeningen werden met potlood geschreven. Uit vele straten tekenden bewoners. In de Hoekwaterstraat werden enkele handtekeningen verzameld. Van meerdere bewoners uit mijn straat was hun naam te herkennen. Het Imperial War Museum te Londen kreeg de beschikking over het boek.

Terwijl mensen het veld waren opgerend, kon met bevende handen filmbeelden van het gebeuren worden gemaakt.

De Film Production Unit van de Royal Air Force gaf de opname als volgt weer: Two members of the R.A.F. Film Production Unit flew to The Hague in one of their camera aircraft to cover the triumphant entry of the Allied troops. Much to their surprise, when they landed, there was no sign of the expected troops and these two men, F/O Challis, Cameraman, and F/O. Welsh Pilot, were the first Allied military that the Dutch civilians have seen. They were mobbed to such an extent by the Dutch people, that the cameraman was only able to get a few brief shots of the joyous crowd, and one shot of them mobbing F/O Welsh. (Foto: de eerste RAF-officier in Den Haag. Bron: KIJK, speciale uitgave 1944-45)

Op de film kon ook worden opgenomen hoe mensen het veld opgingen, waar hun toestel zich bevond. De opname van ongeveer 3 minuten vond een plaats in hetzelfde museum als “Thank you RAF”. Op tijd kwamen de bewoner en de buren terug met de benodigde brandstof. Ze renden door de mensenmassa naar de Auster en lieten de benzine snel in de tank lopen. Gedurende het half uur, dat de twee zich in de woning ophielden, hadden vele mensen op iedere mogelijke plek op de romp van het toestel iets geschreven. Het sportveld werd onmiddellijk van mensen en vee vrijgemaakt, waarna het vliegtuig snel kon opstijgen. Het was hen gelukt “to escape under the noses of the German tanks who were stationed nearby”, zo kon later thuis worden verteld. Op het vliegveld waar werd geland, kreeg de pers te horen wat er was gebeurd. Het verhaal haalde veel Londense kranten en het bioscoopjournaal. Een generaal, die zijn troepen had verzameld voor een officiële intocht in Den Haag “was not amused” over het gebeuren en diende een krachtig protest in bij het hoofdkwartier van de RAF. Hij, die de film had opgenomen, was achteraf nieuwsgierig naar hoe het de Nederlandse familie was vergaan. Op 8 mei keerde de heer Challis weer terug naar Voorburg. Op de dag van de officiële bevrijdingsoptocht reed hij ook mee. Zelf schreef hij mij: On the 5th of May 1955 the Het Haagsch Dagblad published a tenth anniversary edition of the liberation which included a long article about our landing. Mr Bob van Dijk visited me in England and brought with him gifts from the Burgemeester of Voorburg”.

Zelf keerde de filmer, voor zover mij bekend, niet terug naar de plek waar hij eens was geland. Een van zijn kinderen deed dit 55 jaar later wel. Het Gemeentearchief van Voorburg werd bezocht en zijn zoon verbaasde zich over wat aanwezig was over de landing. Tevens werd hem de weg gewezen naar de plek van het bedoelde sportveld, nu Utrechtsebaan en een parkje.

(1) De periode Voorburg maakt deel uit van een onderzoek naar de geschiedenis van het Auster squadron, waarvan weinig tot geen archiefstukken bewaard zijn gebleven.

(2) Het 6 Arva Squadron in Nederlands- Indië 1946-1950 / G.J. Burgers. 2002.

Over de auteur

Th. Buurman is werkzaam bij het Gemeentearchief Leidschendam-Voorburg.

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden

Ontdek meer

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.