We kwamen als laatste groep in Westerbork aan

Johan Knoester
02 mei 2009

Walter Jacques Wijnberg stamt uit een Joodse familie en was bij het uitbreken van de oorlog zeven jaar oud. Zijn vader, Simon Wijnberg, was leraar klassieke talen op Het Rotterdamsch Lyceum. Eind oktober 1940 werden Joodse leraren ontslagen. Er begon voor de familie Wijnberg een tijd van angst en onzekerheid. Met veel geluk overleefden zij de oorlog.

De oorlog breekt uit

"Ik werd op 10 mei 1940 wakker van het licht en ik ging naar de slaapkamer van mijn ouders om een stukje muziek (‘Donauwellen’ van J. Ivanovici) op de blokfluit te laten horen. Dat had ik ingestudeerd voor mijn vader, die op 10 mei jarig was. Ik weet nog goed dat mijn ouders bij het raam naar buiten stonden te kijken waar het door de lichtkogels net dag leek. Het bleek echter pas vier uur in de ochtend en ik was wakker geworden van de lichtkogels. Toen ik later op die dag met mijn vader op straat liep, kwamen wij een vriend van hem tegen die zei: 'Simon dat ziet er niet goed uit voor ons (Joden)'. Dat bleek inderdaad al in het najaar toen mijn vader geen ariërverklaring kon inleveren."

Ontslag en dan?

"Mijn vader werd bij rector Schrijver geroepen. Deze had gezegd: 'Ik moet je ontslaan en ik ontsla je hierbij' zonder er verder woorden aan te wijden. Hij kwam geslagen thuis en was heel kwaad op Schrijver. Dat heeft hij hem nooit vergeven. Mijn moeder trouwens ook niet. Een koperen asbak die mijn vader bij zijn promotie van Schrijver had ontvangen gaven ze met genoegen mee toen de Duitsers metalen gingen invorderen. Hij heeft een tijd geen werk gehad. Vanaf september 1941 mochten de Joodse leerlingen niet meer terugkeren op hun oude school. Zelf heb ik een tijdje les gehad van een ontslagen Joodse onderwijzer die bij hem thuis een schooltje had. Later kwamen er aparte Joodse scholen. Ik kwam uiteindelijk terecht op de lagere school aan de Molenwaterweg. Mijn vader werd ongeveer in dezelfde tijd rector van het nieuw ingestelde Gemeentelijk Lyceum voor Joodse leerlingen aan de Speelmanstraat. Een gebouw waarvan de bovenverdieping bij het bombardement verloren was gegaan. Mijn vader was hier rector tot maart 1943. Toen waren alle Joden afgevoerd of ondergedoken."

Isolement

"Je ‘arische’ vriendjes mochten op een gegeven moment niet meer komen. Mijn moeder heeft toen contact gezocht met een ander Joods gezin. Met een van de zoons speelde ik toen vaak. Later kwam ik hem in Westerbork weer tegen. Verder hadden mijn ouders nog wel contact met de niet-Joodse aardrijkskundeleraar Klein en zijn vrouw die goede vrienden van mijn ouders waren. Mevrouw Klein heeft via haar contacten nog gezorgd dat we op de 'lijst Weinreb' kwamen. Maar dat bleek uiteindelijk van geen waarde. Later is er nog sprake geweest van een vluchtroute naar Zwitserland, maar nadat familieleden op die route opgepakt waren hebben mijn ouders daar toch vanaf gezien."

Barneveld

"Eind maart 1943 vertrokken we naar Huize De Biezen in Barneveld. We waren namelijk geplaatst op de 'lijst Frederiks' (naar de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken), een lijst met Joden die van maatschappelijk belang waren geweest. (Eigenlijk stonden we op de 'lijst Van Dam' (staatssecretaris van Onderwijs), een afgeleide van de lijst Frederiks, speciaal voor onderwijspersoneel. Mijn grootmoeder, die al eerder op De Biezen was aangekomen, stond wel op de ‘echte’ lijst Frederiks, omdat haar overleden echtgenoot ridder in de Orde van Oranje Nassau was.) Men sprak ook wel van de Barneveldgroep."

"In De Biezen sliepen mannen en vrouwen apart. Ik sliep daar eerst samen met mijn vader in een grote zaal. Later sliep ik met een paar andere mensen apart in een barak. We aten wel samen. Er was een groot terrein om het gebouw heen. Daar mocht je niet vanaf tenzij voor doktersbezoek e.d. Er was geen zware bewaking. We hebben daar gezeten tot eind september. Zeker voor kinderen was het geen slechte tijd. Ik had genoeg aanspraak aan leeftijdgenoten. Ik herinner me alleen maar mooi weer en sportwedstrijden (kastie). Er was wel een schooltje voor lager onderwijs maar niet voor middelbaar onderwijs (voor zover ik me kan herinneren). Mijn vader gaf daar geen les maar was bij een onderhoudsploeg van het kamp ingedeeld."

Westerbork

"Eind september 1943 gingen we met een gewone personentrein naar Westerbork. We kwamen daar als laatste groep Joden aan tegelijk met de leiding van de Joodsche Raad. Toen was Nederland officieel ‘Judenrein’. Het kamp was toen nog erg vol maar het zou de komende tijd steeds leger worden. Want elke dinsdag vertrok er een transport naar ‘het oosten’. In het begin waren mijn ouders bang dat wij ook doorgestuurd zouden worden. Ze verwachtten niet veel meer van de bescherming van de lijst Frederiks. Maar dat bleek uiteindelijk mee te vallen."

"De Barneveldgroep werd ondergebracht in een aparte barak. Daarbinnen sliepen de mannen en vrouwen in aparte ruimtes. ’s Avonds omstreeks zeven uur at je samen met je ouders - en grootmoeder - en andere mensen aan een tafel tussen de drie-hoog-stapelbedden. Mijn vader werkte als magazijnmeester in de kampgarage waar de wagens van het bewakingspersoneel werden onderhouden. Kinderen mochten niet rondzwerven door het kamp. We moesten naar een soort circustent waar je bezig werd gehouden met liedjes en zo. Dat was allemaal heel waardeloos. Maar later, toen het kamp leger en leger werd, heb ik – op de lagere school - van een aantal Barnevelders, middelbare-schoolleraren, fantastisch goed les gehad. Ik was in Barneveld overgegaan naar de zesde klas. De lessen begonnen al om zeven uur. Mijn ‘ontbijtlerares’ was de harpiste Rosa Spier. Er was nog iets bijzonders, ’s middags moest je verplicht twee uur slapen in een aparte barak. Daarna ging je nog naar een soort naschoolse opvang tot je om zeven uur ging eten. Het eten was smerig."

Theresienstadt

"Begin september 1944 vertrokken wij met een van de laatste transporten vanuit Westerbork naar Theresienstadt. Helaas is mijn koffer met alle tekeningen die ik had gemaakt in Barneveld en Westerbork op het perron in Westerbork blijven staan. Een selectie van mijn tekeningen uit Theresienstadt is opgenomen in de tentoonstelling ‘No child’s play’, die sinds negen jaar achtereenvolgens in diverse plaatsen in Nederland en Duitsland wordt gehouden. Na een reis van verscheidene dagen in opgepropte beestenwagens kwamen we in Theresienstadt aan."

"Daar moest ik, na eerst koeriersdiensten te hebben verricht, werken bij een ‘keramische Werkstatt’ waar serviezen, potten, vazen e.d. werden vervaardigd. Dat was een bedrijfje van de commandant. Nadat ik eerst samen met mijn ouders en grootmoeder op de zolder van een kazerne had geslapen, kwam ik later terecht in een ‘Kinderheim’. Ik at wel samen met mijn ouders en oma. Het eten was goed maar weinig, En dat was precies anders dan in Westerbork waar je meer eten had maar van een slechte kwaliteit. Mijn vader werd in Theresienstadt betonwerker en moest in de winter wakken hakken. Dat was zwaar werk. Hij is in die tijd ook regelmatig depressief geweest. Mijn moeder werkte na verloop van tijd als een soort dienstbode bij een bejaard Tsjechisch ‘Prominenten’-echtpaar."

"Theresienstadt was net als Westerbork een doorgangskamp vanwaar je ook op transport kon worden gesteld. Er heerste dezelfde angst. Maar begin februari 1945 gingen er geruchten dat een transport naar Zwitserland gestuurd zou worden. Na later bekend is geworden, had een Amerikaans-Joodse organisatie geld bij elkaar gekregen om een paar honderd Joden los te kopen. De Duitsers zouden auto’s kunnen kopen voor de wederopbouw. De Zwitsers wilden met de toelating van de Joden tegen het einde van de oorlog laten zien dat ze, hoewel neutraal, op tijd aan de goede kant stonden."

Naar Zwitserland

"Een groot deel van de Barneveldgroep ging naar Zwitserland. Alleen mensen van zeer hoog kaliber hielden de Duitsers liever achter als gijzelaar. Het was dus zaak je bij de selectie door de SS-kampleiding eenvoudig voor te doen. Op de desbetreffende vraag naar het beroep, zei mijn vader dat hij ‘Philologe’ was. Hoewel dat bij mij tamelijk vooraanstaand overkwam, kwamen we toch op de lijst voor Zwitserland. Op 5 februari vertrokken we in een echte personentrein. Toen de Zwitserse grens in zicht kwam, moesten we zorgen dat we er zo netjes mogelijk uitzagen. In de trein kregen we voedsel uit Rode Kruispakketten die in Theresienstadt nooit waren uitgedeeld en ik herinner me dat er zelfs make-up spullen waren. De ontvangst in Zwitserland was roerend."

"Overal stonden mensen langs het spoor en op de perrons waar we langs kwamen die chocola, sigaretten en fruit door de openstaande ramen van de trein wierpen. In Zwitserland werden we na enkele dagen in een school in Sankt Gallen te hebben vertoefd ondergebracht in een ‘Flüchtlingauffanglager’ in Adliswil, niet ver van Zürich. Dit kamp was – als ik mij goed herinner – gevestigd in een voormalige papier- of strokartonfabriek. Na enige maanden werden we overgeplaatst naar een kampje in Les Avants, in de omgeving van Montreux. Na daar korte tijd te hebben verbleven ging ik in april/mei 1945 naar het Prinses Beatrix Lyceum in Glion sur Montreux waar ik in enige maanden de eerste klas doorliep. Mijn vader werd daar plaatsvervangend conrector."

 

Terug in Nederland

"In augustus 1945 keerden we terug naar Nederland. Mijn vader ging zonder veel gedoe weer teug naar Het Rotterdamsch Lyceum. En ik ging daar ook heen, omdat ik de eerste klas van het lyceum, zonder Latijn, had afgemaakt en dus niet op het gymnasium terecht kon. Er bestond toen, volgens mijn vader, geen ander geschikt lyceum in Rotterdam. Over wat je had meegemaakt sprak je niet. Er was geen belangstelling voor, want men had hier toch de Hongerwinter meegemaakt en er was nog altijd wat antisemitisme. In 1948 werd een gedenkmozaïek op school aangebracht, maar daar heb ik nauwelijks een herinnering aan. En ik kan me ook niet heugen dat er ooit toen ik op school zat een herdenking bij gehouden is. Men wilde vooruit en niet omkijken."

De gedenkmozaïek in het Rotterdamsch Lyceum (Foto Johan Knoester)

Door de jaren heen heeft het verhaal van Walter Wijnberg de nodige bijzondere reacties opgeleverd. In dit overzicht (PDF) zijn deze terug te lezen. 

Over de auteur

Johan Knoester is oud-docent geschiedenis aan Het Rotterdamsch Lyceum en werkte daarna geruime tijd bij Erfgoedhuis Zuid-Holland. Hij is bestuurslid van de Historische Vereniging Nieuwerkerk aan den IJssel.

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden

Meer persoonlijke verhalen over de oorlog

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.