Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Gorinchem en de proefkolonie (door Will Schackmann)

Het was zo'n rustig stukje Drenthe. Heide, zandverstuivingen, slechts af en toe een eenzame boerderij met bosjes eromheen. Nu wordt de laatste hand gelegd aan nieuwbouw. Er zijn tweeënvijftig eenvoudige huisjes, met steeds een flinke afstand ertussen, verrezen. Gezinnen uit het hele land stromen toe, van Groningen tot Goes, van Nijmegen tot Medemblik. En tot de eerste vijf gezinnen die donderdag 29 oktober 1818 arriveren, behoort ook de afvaardiging uit Gorinchem, Leonardus Biemans met echtgenote en zes kinderen.

Het was zo'n rustig stukje Drenthe. Heide, zandverstuivingen, slechts af en toe een eenzame boerderij met bosjes eromheen. Nu wordt de laatste hand gelegd aan nieuwbouw. Er zijn tweeënvijftig eenvoudige huisjes, met steeds een flinke afstand ertussen, verrezen. Gezinnen uit het hele land stromen toe, van Groningen tot Goes, van Nijmegen tot Medemblik. En tot de eerste vijf gezinnen die donderdag 29 oktober 1818 arriveren, behoort ook de afvaardiging uit Gorinchem, Leonardus Biemans met echtgenote en zes kinderen.    

De armoede in het koninkrijk der Nederlanden is anno 1818 intens. Enkele eeuwen eerder waren we - de Gouden Eeuw- verreweg het rijkste land van de hele wereld. Maar nu is het niks meer. De beter gesitueerden in de steden moeten de armenkassen van diaconiën en parochies spekken om regelmatige soepbedelingen te laten plaatsvinden en dan nog worden ze de hele tijd lastig gevallen door paupers die vragen om een betaald karweitje of om een aalmoes. Op het platteland zwerven groepen 'nachtbidders' die half bedelend, half-dreigend, de afgelegen boerderijen afgaan. Er moet wat gebeuren.

De Maatschappij van Weldadigheid vraagt de burgers een stuiver per week opzij te leggen. Met het zo gevormde kapitaal kunnen arme gezinnen worden overgebracht naar het nog onontgonnen Drenthe om daar te leren de eigen kost te verdienen. Het initiatief slaat geweldig aan, wat de Maatschappij ook wel verwacht had gezien het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie'. Alle kranten maken juichend melding van deze 'verbroedering', vanaf kansels worden oproepen gedaan, sympathiserende notabelen laten plakkaten verspreiden, in de betere buurten gaat men van deur tot deur, heel Nederland wil dat dit dorp geopend wordt.

Er wordt besloten nog dit jaar 'over te gaan tot het nemen eener proeve'. Alle steden en dorpen worden opgeroepen een subcommissie van weldadigheid op te richten om de contributies te innen en alvast armen te selecteren die naar Drenthe gestuurd kunnen worden. Luttele dagen daarna, op 23 juli 1818, ontvangt de Maatschappij een briefje dat de subcommissie van weldadigheid Gorinchem haar werkzaamheden is begonnen. De Maatschappij wil niet met elke subcommissie in elk gehucht of elke vlek afzonderlijk corresponderen - niet onterecht, want binnen anderhalf jaar zijn er over de 700 (!) subcommissies van weldadigheid - en daarom moet Gorinchem ook de contacten tussen de dorpscommissies in haar regio en de landelijke leiding onderhouden.

Het 'arrondissement' omvat maar liefst 31 subcommissies - alleen Alkmaar met 40, Hoorn met 36 en en Utrecht met 33 zijn groter - die tezamen 105 contribuanten tellen. Dat laatste is verhoudingsgewijs dan weer niet zo veel, maar daarnaast levert ook de vrijmetselaarsloge te Gorinchem leden. Hun contributie kan niet door de subcommissie geïnd worden - het lidmaatschap van de broederschap moet namelijk geheim blijven - en die dragen de f 2,60 per jaar af aan iemand die landelijk de vrijmetselaarsgelden incasseert. Gorinchem wordt genood een van de eerste 52 huisjes te vullen met een plaatselijk gezin. De stad doorzoekt haar bestand op mensen die zowel arm als vlijtig als netjes zijn en de keus valt op de 45-jarige Biemans, geboren in Zeelst, voormalig linnenbleker, gewoond hebbend - in ieder geval in 1811 - op de 'Visschersdijk wijk A No 117' te Gorinchem.

Rijke archieven
Het leuke is dat de Maatschappij van Weldadigheid vanaf de eerste dagen van haar bestaan een geweldig goed archief heeft bijgehouden. Dankzij dat archief zijn de gebeurtenissen op en rond de kolonie bijna van dag tot dag te volgen en dat is ook wat ik heb geprobeerd te doen in mijn boek De proefkolonie. Het archief berust onder inventarisnummer 0186 bij het Drents archief in Assen.

Daar is ook bewaard gebleven de voordrachtsbrief van de subcommissie. Zij prijst Leonardus Biemans aan als 'geschikt tot allerlei boeren werk, hoe ook genaamd waarin de breuk die hij heeft hem niet hinderlijk is, en een bekwaam linnenwever'. Van zijn echtgenote, de 44-jarige Johanna Riem, moet met toegeven dat zij niet kan spinnen, maar zij is 'overigens tot alle vrouwelijk bedrijf in staat'. Johanna is eerder getrouwd geweest, met de inmiddels overleden Balthasar Kients of Kientz uit de omgeving van Frankfurt, en er gaan twee kinderen uit dat eerste huwelijk mee: 'Johannes Kiens oud 17 en Ignatius Kiens oud 14 jaren, de laatste enigzins kreupel'. Ignatius zal in de boeken van de maatschappij vreemd genoeg meestal 'Bernardus' gaan heten.

Er gaan vier kinderen van Johanna en Leonardus mee: een tweeling van 7 jaar, een meisje van 4 en een jongetje van 20 maanden. 'Op het zedelijk gedrag van alle deze personen', roemt de subcommissie, 'valt niets aan te merken.'En ze geeft ook een verklaring voor de hulpbehoevende staat waarin zij zich bevinden. 'Alleen tegenspoeden en de talrijkheid van het huisgezin hebben hetzelve tot armoede gebragt; zoo dat wij hopen dat hetzelve zal worden aangenomen.' Afgelopen september 2007 verraste René van Dijk van het Regionaal Archief Gorinchem mij met de mededeling dat er ook een halve meter archief van de subcommissie van weldadigheid Gorinchem bewaard is gebleven. Dat archief is door hem geïnventariseerd onder nummer 108, is op het archief in te zien en levert ook een alleraardigst inkijkje in de armenzorg aan het begin van de negentiende eeuw.

Daartussen bevindt zich de reactie op de voordracht van de landelijke leiding. Die laatste heet de permanente commissie en bestaat met Johannes van den Bosch, Jeremias Faber van Riemsdijk en Paulus van Hemert uit respectievelijk twee jonge honden en een ervaren grijsaard. Men vindt het gezin wat 'sterk bemand voor de kolonie', maar neemt het toch in 'gunstige aanmerking' en enkele dagen later bericht de permanente commissie 'dat het huisgezin van L. Biemans, sterk 8 hoofden, door U opgegeven voor de kolonie te Westerbeeksloot nabij Steenwijk, door haar is aangenomen.'

Frederiksoord
Er wordt wel op gewezen dat de Maatschappij slechts kleding verstrekt aan zes personen per huishouden, zodat de jongste twee het met de afleggertjes van de anderen moeten doen, maar voor de rest kan het gezin op pad. De subcommissie geeft ze een 'reispenning' van tweegulden en voor f 3,25 aan brood en kaas mee en onderweg kunnen ze voor onderdak en hulp aankloppen bij plaatselijke subcommissies.

Maandag 26 oktober arriveren ze in Amsterdam en melden ze zich bij 'W. Holtrop, onderdirekteur der Policie, op den Kloveniersburgwal'. In een kazerne 'aan de Utrechtsepoort' worden ze opgevangen en ontmoeten ze hun toekomstige dorpsgenoten. Het merendeel van de tijdelijke bewoners van de kazerne noemt zich hervormd of gereformeerd, wat in deze tijd nog op hetzelfde neerkomt, maar er zijn ook katholieken, luthersen en mennonieten. Zo verschillend als hun geloofsovertuigingen en hun plaatsen van herkomst zijn ook de beroepen die zij uitgeoefend hebben. Leonardus Biemans is linnenwever geweest, Anthonie Gerards suikerbakkersknecht, de weduwe Vergeer uit Gouda had ooit de kost verdiend als vlashekelster en Sarus van Rhee uit Wijk bij Duurstede als wagenmaker. Maar de onderdirecteur van Policie gaat bij het registreren al uit van hun toekomstige status. Bij iedereen wordt als beroep genoteerd 'landarbeider'.

De volgende avond, dinsdag 27 oktober, nemen ze gelijk met de kolonistengezinnen uit Leiden, Amersfoort, Zaandam en Broek in Waterland het beurtschip dat de geregelde, nachtelijke verbinding onderhoudt met het aan de andere kant van de Zuiderzee gelegen Blokzijl. Voor onderweg krijgt 'ieder persoon een half witte of roggebrood, 1/2 pond kaas en 1 kruik bier'. De oversteek verloopt voorspoedig. De kort voor hen opreizende Johannes van den Bosch had nog een straffe oostenwind tegen gehad en 'er is met een bestendige oostenwind bijna geen water voor Blokziel zoodat zelfs de beurtman dikwijls niet varen kan'. Maar in de laatste dagen van oktober draait de wind naar het westen.

In Blokzijl stappen ze over op een platbodem die hen door het Steenwijker diep voert. Als ze geluk hebben staat er op twee uur van Blokzijl, bij de ondiepte van Muggenbeet, genoeg water. Anders moeten ze even uitstappen om de boot lichter te maken. Ze worden door de subcommissie van Steenwijk van voedsel en slaapgelegenheid voorzien en de volgende dag is het nog twee uur op ossewagens over een ongelijk zandpad voor ze donderdag 29 oktober als allereerste vijf gezinnen aankomen bij de proefkolonie. Die heeft inmiddels zijn definitieve naam gekregen: Frederiks-oord, naar de jongste zoon van koning Willem I.

Ik ben nimmer besluiteloos
Direct bij aankomst worden ze - behalve dus de jongste twee - in de kleren gestoken. Alle kolonisten lopen in blauwe, uniforme kleding. Daar zitten twee gedachten achter. Als mensen nette spullen hebben, zullen ze zich automatisch netjes gaan gedragen. Maar ook: 'De desertie wordt door eene herkenbaare soort van kleding moeijelijk gemaakt.' Het gezin Biemans betrekt hoeve nummer 1, op de eerste rij vanaf de Vledderweg (die tegenwoordig Majoor van Swietenlaan heet), recht tegenover het logement (tegenwoordig Hotel Frederiksoord). Het zijn eenvoudige huisjes, niet groot, maar onvergelijkbaar beter dan de vochtige keldertjes, houten barakken en andere armenhuisvesting in de steden. Wie heden ten dage door Frederiksoord loopt kan nog een boel van die huisjes in hun oorspronkelijke staat zien. Nouja, als je het dubbelglas wegdenkt en de centrale verwarming...

En prompt begint ook het werk. Het is hier geen vakantiekamp, de bedoeling is dat iedereen met zijn werk niet alleen de eigen kost bij elkaar scharrelt maar ook de gedane investeringen terugverdient, zodat met dat oorspronkelijke geld een volgende kolonie gesticht kan worden en nog een en enog een. De man achter die ambitieuze plannen is generaal-majoor Johannes van den Bosch.

Achtendertig jaar, een self-made man, een charmeur, maar vooral een doener, een aanpakker, een wervelwind: 'Ik ben nimmer besluiteloos en draal nog minder'. Een lezeres van het boek noemt hem op haar website 'een 19de eeuwse variant op wat we tegenwoordig een ADHD-er zouden noemen'. Dat is misschien wel een beetje waar. Maar de Volkskrant schreef: 'Op de keper beschouwd verdient die man een monument'. En daar ben ik het ook mee eens, het ging niet altijd subtiel of doordacht maar Johannes van den Bosch probeerde tenminste wat tegen de armoede te doen.

Bijna naakt
Mannen en oudere jongens werken op het land, vrouwen en de andere kinderen spinnen wol en vlas. De meeste tijd in dienst van de Maatschappij, maar enkele dagen per week moet op het landje rondom de eigen hoeve gewerkt worden. De arbeidsprestaties van de familie Biemans vallen tegen. Daar komt nog bij dat hun landje een moeilijk te bewerken ondergrond heeft. Vermoedelijk wordt Leonardus bedoeld als de directeur van de kolonie toestemming vraagt om 'een ongeschikt werkman die in het bosch woond en dus zwaren arbeid heeft' woningruil te laten doen met 'een bekwamen die op vlak terrain woont'. In ieder geval wonen ze na een tijdje op hoeve 29, op de derde rij huisjes vanaf de Vledderweg.

Niet dat het dan beter gaat. In plaats van af te lossen op de investeringen hebben ze na acht maanden kolonisatie 55 gulden meer verteerd aan eten en andere verstrekkingen dan ze met werken verdiend hebben. Die extra schuld blijft stijgen, met name omdat steeds nieuwe kleding nodig is, want echtgenote Johanna wordt in dat opzicht 'verregaande slordigheid' verweten. En als de directie na anderhalf jaar voor het eerst de kolonisten beoordeelt en gouden, zilveren of koperen medailles uitreikt, krijgt het gezin helemaal niets en de slechts denkbare beoordeling.

In januari 1821 is het helemaal erg. Over het algemeen gaat het de kolonisten goed, kan de directeur de permanente commissie rapporteren, maar Biemans en de kolonist uit Vlaardingen 'maken daarop eene uitzondering en hunner toestand is aller ellendigst.' Hij denkt te weten hoe dat komt: 'Luiheid en verregaande slordigheid zijn daar van oorzaak en geven geen hoop meer op beterschap.' Hij heeft noodgedwongen wel een gebaar moeten maken: 'Niettegenstaande zij nog aanzienlijke betalingen op hunne kleeding te doen hebben, zijn deze schulden nog veel verhoogd geworden, dewijl de beide huisgezinnen bijna naakt waren en door de strenge koude zouden hebben moeten bewzijken.' Om de kosten een beetje in de hand te houden heeft hij 'na taxatie hen zo veel doenlijk, oude kleeding stukken gegeven.'

Standsverwisseling
Maar terwijl enkele andere kolonisten met aanzienlijk minder schulden als leeglopers van de kolonie worden weggestuurd, mogen de Biemansen blijven. Want Leonardus weet hoe het hoort. Het is, vindt de burgerij, goed om goed te doen, maar dan moeten de mensen die goed 'aangedaan' wordt wel een beetje dankbaar zijn. En van die taak kwijt Leonardus Biemans zich met verve. Al anderhalve maand na aankomst heeft hij een brief naar huis gestuurd, waarmee hij volgens de subcommissie 'zijne bloedverwanten en alle menschenvrienden verblijd heeft, door eene mededeeling van de gunstiger omstandigheden, waarin hij zich thans verplaatst ziet'. De subcommissie doet kond van het schrijven in de Staatscourant van 15 december 1818: 'Zijne brief bevat de duidelijkste blijken van tevredenheid over zijne standsverwisseling, en van dankbaarheid voor de aan hem bewezen weldaad.'

Zoveel dankbaarheid moet de gulle gevers een goed gevoel geven en de subcommissie Gorinchem grijpt het bericht aan voor een dosis propaganda: 'De subcommissie durft zich dus te vleijen, dat de gewenschte uitslag dezer eerste proeven de ingezetenen van Gorinchem aansporen zal, om hare fondsen te helpen vergroten, opdat deze stad, in het aanstaande jaar, opnieuw eenige harer verarmde inwoners in den zege mag zien deelen, welke door de maatschappij van weldadigheid verspreid wordt.'

De brief zelf is niet bewaard gebleven. In latere brieven steekt de handtekening van Leonardus houterig af tegenover het handschrift in de rest van het schrijven, dus het is de vraag in hoeverre hij die vaardigheid beheerst en of hij niet een van de buren gevraagd heeft dat voor hem te doen. Zoja, dan heeft hij mazzel gehad met die buur. De proefkolonist uit Goes komt in grote problemen als hij een brief naar het thuisfront dicteert aan een buurvrouw die er ongevraagd de meest vreselijke roddels over de proefkolonie in opneemt.

84 nieuwe leden
Gesterkt door dit eerste resultaat blijft de stemming er in. Als de Maatschapij begin 1819 een eigen maandblad uitbrengt, treffen we op de abonneelijst naast boekhandelaar J. van der Wal diverse andere Gorinchemmers als J.C. Elen, D. de Graaff, G. van der Mast en H.H. Thooft, evenals abonnees uit Giessendam en Sliedrecht en uit laatstgenoemde plaats ook de 'leesvereniging met de Spreuk: Wij zoeken in deez' Broederkring, Verlichting en Verbetering.' En twee jaar later, als de landelijke steun voor de Maatschappij begint af te kalven, meldt datzelfde maandblad in het kader van een ledenwerfactie dat de subcommissie Gorinchem heeft geworven '84 nieuwe leden en 130,00 aan giften'.

Er worden een paar contracten tussen Gorinchem en de Maatschappij afgesloten. De stichting van een hoeve inclusief landaankoop en eerste ontginning is begroot op 1700 gulden. De subcommissie betaalt dat, uit haar contributies, in zestien jaarlijkse termijnen. Daarna heeft zij 'voor altoos' het recht om gratis mensen uit de plaats in die hoeve te plaatsen.

Gorinchem verwerft zo drie of vier van de vierhonderd hoeves die er uiteindelijk in Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord zullen verrijzen. Naast Biemans brengt de stad daar tot 1850 voor kortere of langere tijd onder de gezinnen van de weduwe Zwak, Jan Mulder, Pieter Bijsterveldt, Izak van Dijk en Pieter Josephus Souverein of Souverijn. Veel verloop zit er niet in. Kolonistenzoons trouwen met kolonistendochters en worden zelf kolonist. Van de genoemden zullen Zwak, Mulder en Souverein nazaten op de kolonie achterlaten. En Biemans, maar daarover later meer. Daarnaast mag Gorinchem net als alle andere plaatsen gratis arbeidersgezinnen plaatsen in de gestichten te Veenhuizen en zijn er plaatsgenoten die daar als zaalopziener over weeskinderen of bedelaars waken.

De Edeldenkende Subcommissie
Het gaat snel slecht met de Maatschappij van Weldadigheid, al een paar jaar na de oprichting raakt het ledental in een vrije val. Dat heeft ermee te maken dat het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie' altijd een kortademige aangelegenheid is: we willen wel geven, maar dan moet het ook klaar zijn. Maar bovendien kost de stichting van het hiervoor al even genoemde Veenhuizen in 1824-1825 en de gedwongen verplaatsing van wezen daarnaartoe, de Maatschappij veel goodwill en contribuanten. Gorinchem blijft trouw, tot een eindje in de twintigste eeuw functioneert de subcommissie, maar flink wat andere subcommissies heffen zichzelf na enkele jaren op.

Die negatievere kijk op de kolonisatie vinden we niet terug bij Leonardus Biemans. Integendeel. Als hij zelf ouder wordt doet hij alle moeite om zijn nageslacht op de kolonie te houden. Daar valt ook wel wat voor te zeggen. De kolonie is een plek waar je kinderen goed onderwijs krijgen - qua invoering van de leerplicht liep de Maatschappij van Weldadigheid een eeuw voor op de rest van Nederland-, waar de gezondheidszorg relatief goed is, en waar kolonisten kunnen rekenen op een gegarandeerde verstrekking van werk en eten. Die zekerheid van bestaan was in de rest van de maatschappij toen niet te krijgen.

De oudste jongen, Johannes Kientz, is na zijn trouwen al in de kolonie opgenomen en de ene helft van de tweeling, Helena, is gehuwd met een kolonistenzoon die het brengt tot wijkmeester in Frederiksoord, als het jongste meisje, Maria, in 1840 gaat trouwen met een kolonistenzoon uit Rotterdam. Hij mag van de subcommissie Rotterdam de hoeve van zijn vader overnemen. Maar daarbij doet zich een probleempje voor en om dat glad te strijken wendt Leonardus zich tot de subcommissie.

Na te hebben geroemd dat hij hier 'met de zijnen een ordelijk bestaan gevonden heeft' en hij dus alle reden heeft van tevredenheid', legt hij uit dat het jonge paar 70 gulden moet betalen voor de eerste vestiging op de hoeve. Dat hebben ze niet, hooguit de helft. Leonardus durft het ontbrekende aan Gorinchem te vragen omdat het vaker voorkomt dat de ene subcommissie de hoeve geeft en de andere het vestigingsgeld. 'Zulks doet hem de vrijpostigheid gebruiken om ook de Edelmoedigheid en Menschlievendheid van de Edeldenkende Sub Commissie van Gorinchem in te roepen'. Met tot slot de belofte dat 'ook hij, zoo wel als de jongelieden, trachten zullen te bewijzen, door hun gedrag en wandel, dat ook zoo danige weldaad, aan gene ondankbare zal bewezen zijn'. Aldus de 'onderdanigste Dienaar', Leonardus Biemans. De subcommissie vergadert niet zo vaak meer. Ze reageert pas na driekwart jaar en dan hebben de jongelui het geld zelf al opgebracht.

Desperado-kolonie
Zeven jaar later komt de andere helft van de tweeling, Henricus, in actie. Hij schrijft de subcommissie dat hij nog thuis woont, maar dat hij 'zich gaarne in den echtenstaat wenschte te begeven'. Hij roept 'Uwe welmenende hulp' in en komt met de 'ootmoedige bede, of er geene mogelijkheid zoude kunnen bestaan om hem met eene hoeve in gen. koloniën te willen begunstigen'. Mocht dat gebeuren dan zal hij 'door zijn gedrag trachten te toonen, dat die weldaad aan gene ondankbare zal bewezen zijn'. Blijkbaar hanteert de familie standaardformuleringen! Henricus heeft zijn scholing grotendeels op de kolonie genoten en dat valt aan de brief te zien. Een keurig, regelmatig handschrift en zijn ondertekening is een waar kunststukje.

Dat mag echter niet baten, de subcommissie heeft geen hoeves over. Henricus en zijn echtgenote moeten uitwijken naar Nijensleek, een van de illegale nederzettingen in de omgevin g van de vrije koloniën. Als iemand op het veen een hut bouwt e hij slaagt erin om voor de eerstvolgende zonsopgang 'rook en vuur' te hebben, dan mag hij volgens oud Drents gebruik daar blijven wonen. 'Desperado-koloniën' zijn verzamelingen van zelf gebouwde hutten, vooral bewoond door nakomelingen van kolonisten voor wie binnen de koloniën geen plek is.

Later zal Henricus het nog eens proberen maar ook dan krijgt hij de deur van de kolonie niet open. Dan trekt hij naar de verveningen in Salland, waar hij in plaatsen als Slagharen een omvangrijke Biemans-dynastie sticht. De volgende komt in 1850 en dan wordt alles van Leonardus' doorzettingsvermogen gevergd. Echtgenote Johanna is inmiddels op 73-jarige leeftijd overleden en op de hoeve wonen nu nog drie mannen. Leonardus, 77 jaar oud, wat hij zelf ook 'eene hooge ouderdom' noemt. Dan de jongste zoon van zijn vrouw uit haar eerste huwelijk, Ignatius Kiens, die ooit door de subcommissie was omschreven als 'enigszins kreupel'. Hoe ernstig dat is valt niet te achterhalen, want enerzijds wordt hij nu 'gebrekkelijk' en 'ongeschikt voor den arbeid' genoemd, anderzijds heeft hij 'toch nog sedert 20 jaren den post waargenomen van bode van hier naar Steenwijk'.

En tenslotte het jongetje dat op de prille leeftijd van twintig maanden in Frederiksoord arriveerde, Andries of Andreas. Die laatste heeft trouwplannen met een kolonistendochter uit Kampen en Leonardus doet de subcommissie het 'eerbiedig en smeekend verzoek' of Andreis de hoeve mag overnemen. En inderdaad, hij besluit dat 'hij ten allen tijde toonen zal, dat deze weldaad aan geene ondankbare zal bewezen zijn'.

Erfelijke hoeves
Als er na anderhalve maand geen reactie op de brief gekomen is, gaat hij er van uit dat 'dezelve adres zal gemist hebben'en richt hij zich rechtstreeks tot de burgemeester van Gorinchem. Hij wijst erop dat 'de jongelieden met liefde in mijn onderhoud zullen voorzien gedurende de dagen, dat de Algoeden vader mij nog bij het leven zal gelieve te sparen'. De slotzin is vervangen door een retorische vraag: 'Zal ik nu wel behoeven te zeggen dat ik op een 77 jarigen leeftijd, na eene 32 jarige verpleging in de kolonien, nadat bijna alle mijne kinderen daar hun bestaan vonden, mij gelukkig zou achten, dat men konden goedvinden aan deze mijne bede, en die van mijnen zoon, en aanstaande schoondochter, gehoor te geven'. Hij denkt niet dat het nodig is die vraag te beantwoorden, want hij weet dat de burgemeester en de subcommissie niets liever willen dan 'het geluk van hen te bevorderen, die door een zedelijk gedrag, gepaard aan arbeidzaamheid, daarop aanspraak mogen maken'.

Als er weer geen reactie komt, stapt hij op de directie af met als gevolg dat nu de permanente commissie een brief aan de subcommissie stuurt met mededeling van het verzoek. Maar als de subcommissie tenslotte, een half jaar na de eerste brief, bijeenkomt, wijst ze het voorstel af omdat 'dusdanige overschrijving onze hoeves erfelijk zou maken'. Ze willen wel weer eens een nieuw gezin sturen. Ze schrijven niet terug. Leonardus moet het van de koloniedirectie vernemen en diezelfde dag stuurt hij de volgende brief. Hij herhaalt zijn verzoek en doet dat voortaan elke maand, behalve wanneer zoon Andreas zelf aan de subcommissie schrijft. Het lijkt of daarbij de langjarige dankbaarheid langzaam wordt gemengd met een portie verongelijktheid.

Leonardus noemt zichzelf 'eenen grijzen', mijmert over het onaangename vooruitzicht om 'bij vreemden in te wonen' en over de wens 'zijne oude dagen genoeglijker en onbekrompener' te beleven. Hij stelt dat hem 'in vroeger jaren beloofd was, dat zelfs kleinkinderen erfelijk zouden zijn aan ene hoeve; echter hij zag zich in zijne verwachting deerlijk te leur gesteld'. Hij durft het zelfs de subcommissie kwalijk te nemen dat hij het ongunstige besluit niet van hen zelf heeft vernomen.

Al met al staat op de eerstvolgende subcommissie-vergadering geagendeerd: 'vijf brieven van de kolonisten Biemans, vader en zoon'. De commissie is murw, maar wil zich niet laten kennen. Het verzoek, zo schrijven ze aan Andreas, 'is door ons in nadere overweging genomen'. Ze kondigen aan dat 'den einduitslag'hem 'eerlang' zal worden medegedeeld, 'tot welk tijdstip wij u aanraden geduld te hebben'. Dat laatste lukt Andreas krap twee maanden, dan schrijft hij dat dit bericht hem weer hoop gegeven heeft, maar dat hij toch wel erg verlangt de einduitslag te horen. Zijn vader voegt er een beverig kriebeltje bij hoe hard hij hoopt dat Andreas in zijn plaats komt, 'dat zoude groot plasier wezen'.

Waarop de subcommissie tenslotte besluit dat de voorzitter bij een toch al gepland bezoek aan de kolonie de definitieve toestemming zal overbrengen. De subcommissie voegt aan de overschrijving op naam van A. Biemans nog toe 'mits zijnen vader tot aan diens dood bij hem doende inwonen en onderhoudende', wat de Maatschappij formuleert als de verplichting 'hem naar kinderpligt met liefde te verzorgen'. Op de hoeve van zijn zoon en schoondochter slijt Leonardus Biemans zijn laatste levensjaren. Alles bij elkaar is er flink wat familie in de buurt. De proefkolonist uit Gorinchem overlijdt tien jaar later op 87-jarige leeftijd. (© Will Schackmann)

Over de auteur
Wil Schackmann is schrijver van het boek De proefkolonie. Vlijt, vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie, over de begindagen van de Maatschappij van Weldadigheid, dat verscheen in 2006. Dit artikel is eerder verschenen in Oud-Gorcum Varia, het tijdschrift van de historische vereniging Oud-Gorcum (2008-1, p 4-15). Het artikel is overgenomen met toestemming van de auteur.

Archieven
Net als het boek is het eerste deel van dit artikel gebaseerd op het archief van de Maatschappij van Weldadigheid, bij het Drents archief in Assen, toegang 0186. Voor het tweede deel van het artikel werd gebruik gemaakt van het archief van de subcommissie van weldadigheid Gorinchem bij het Regionaal Archief Gorinchem, toegang 108. Het eigen maandblad van de Maatschappij heet De Star, waarvan kopieën aanwezig zijn op het Drents archief.

Links

Reacties

  1. anoniem

    Is er in het regionaal archief van Gorichem nog meer informatie op te zoeken ?

    29 november 2016

  2. Redactie

    Tip voor iedereen die meer informatie zoekt: op www.alledrenten.nl is veel te vinden over de inwoners van de armenkoloniën.

    30 november 2016

  3. anoniem

    Hierbij wil ik Wil Schackman bedanken voor de prachtige weergave van dit stuk geschiedenis. Ik ben ook een Kientz en nazaat van Johannes Kientz, stiefzoon van Leonardus Biemans. Geweldig interessant om dit te lezen.

    25 maart 2017

  4. Redactie

    Leuk om te horen! Het is sowieso een interessante geschiedenis, maar uiteraard extra boeiend als het om een van je (verre) verwanten gaat.

    27 maart 2017

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.