Naar overzicht

Lustrum, corpora en ontgroeningen: de geschiedenis van studentenverenigingen

Ingrid van der Vlis
— 1 reacties

Bol van tradities of juist eigenwijs-eigentijds? De grootste of juist een intiem-kleine club? Het beste bier van de stad of juist wat minder nadruk op alcohol? Tijdens de jaarlijkse introductieweken verdringen studentenverenigingen zich om de aankomende studenten te werven. Er is keuze te over. Zoveel keuze is relatief nieuw, want lange tijd is er vaak maar één vereniging. En je daar niet bij aansluiten is eigenlijk geen optie.

Oudste sociëteit en jongste corps

Ontgroeningen – dat is vaak het eerste waar je aan denkt bij een studentenvereniging. Dat is niet zo vreemd, want ontgroeningen zijn ouder dan de verenigingen zelf. Aan het eind van de achttiende eeuw is het al gebruik dat ouderejaars in zogenoemde groensenaten de nieuwe studenten een pittig ontgroeningsritueel voorschotelen. Dat gebeurt tegen de wens van de universiteiten in, waar professoren zich opwinden over rituelen die rechtstreeks zijn overgenomen uit de universitaire praktijk. De groensenaten steken de draak met het gebruik van Latijn als voertaal, het geven van examens en het uitreiken van een bul. Uit deze senaten ontstaan in de negentiende eeuw de eerste studentenverenigingen, de traditionele corpora.

In 1815 wordt het eerste studentencorps in Nederland opgericht. Het is een club voor mannen, vrouwen zijn nog niet welkom op de universiteit. Dat eerste corps ontstaat niet aan de oudste universiteit van het land, in Leiden, maar in Groningen. De leden scharen zich er onder de leuze Vindicat atque Polit (Handhaaft en Beschaaft). Leiden volgt in 1839 met het Leidsch Studenten Corps en de lijfspreuk Virtus Concordia Fides (Deugd, Eendracht, Trouw). In 1848 ontstaat het Delftsch Studenten Corps, terwijl ook Utrecht dan formeel een corps krijgt. Corpora uit Amsterdam en Wageningen sluiten voorlopig de rij in respectievelijk 1851 en 1878.

Bij de heropening van de Leidse universiteit in september 1945 lopen vaandeldragers van de verschillende studentenverenigingen eendrachtig samen op. (foto Anefo, Nationaal Archief)

De sociëteiten waar studenten samenkomen zijn vaak al ouder dan de verenigingen, dus de volgorde van anciënniteit is afhankelijk van welke startdatum gebruikt wordt. Groningen mag zich het oudste Corps noemen, maar de Leidse Sociëteit Minerva dateert al van 1814 en is daarmee de oudste sociëteit. Of het nu om de sociëteit of het corps zelf gaat, het derde corps in Zuid-Holland – het Rotterdamsch Studenten Corps – is hoe dan ook de jongste in ieder rijtje, want wordt ‘pas’ opgericht in 1913. Deze vereniging ontstaat in hetzelfde jaar als de Nederlandse Handels Hogeschool, die vanaf 1985 bekend komt te staan als de Erasmus Universiteit.

Ontgroeningstijd in Rotterdam, 1958. (foto Ary Groeneveld, Stadsarchief Rotterdam)

Vreemde eend

In dit rijtje heeft het Delftsch Studenten Corps meteen bij de oprichting al een aparte status, want de leden van die vereniging studeren aan de Koninklijke Akademie – een in 1842 door koning Willem II opgerichte instelling. Een ingenieursopleiding, geen eeuwenoude universiteit. Omdat de directeur van de Akademie ook nog eens toezicht uitoefent op het Delftse Corps willen de andere corpora deze vereniging niet als gelijke erkennen. Het zijn ‘jongens die op school zitten’, ze hebben geen klassieke vooropleiding gehad en lopen blijkbaar aan de leiband van de instelling. In 1857 erkennen vrijwel alle corpora alsnog hun Delftse medevereniging, met uitzondering van Amsterdam. Het Delftse Corps wint aan prestige als het de poot stijf houdt in een discussie over vrije studiekeuze. Die herwaardering blijkt van korte duur, want als de Akademie in 1864 wordt omgevormd tot Polytechnische School vervalt de erkenning weer. Zo’n praktische ingenieursopleiding past niet in het straatje van de universitaire corpora.

Voor het studentenleven in Delft maakt het overigens weinig verschil. De Polytechnische School groeit en het Corps groeit mee. Er zijn sportevenementen, debatavonden en grootse lustrumvieringen – allemaal zaken die bij een traditioneel corps thuishoren. Geleidelijk aan erkennen verschillende corpora in het land hun Delftse collega’s. Het pleit is definitief beslecht als de Akademie in 1905 wordt omgedoopt tot Technische Hogeschool. Kort daarvoor heeft Delft nóg een uitzonderlijke situatie: vanaf 1895 zijn er twee corpora in de stad. Het Indologische Studenten Corps richt zich op studenten die de Indische opleiding aan de Polytechnische School volgen. Wanneer die opleiding in 1900 stopt, verdwijnt ook dit tweede Delftse corps.

Een rijk gedekte tafel bij het Delftsch Studenten Corps in sociëteit Phoenix, 1917. (foto J.C.C. Witte, Stadsarchief Delft)

Meer smaken gewenst

Een tweede corps in één stad is uitzonderlijk. Zelfs een tweede studentenvereniging is lange tijd onbestaanbaar. De corpora fungeren als belangenvereniging voor alle studenten, aangezien in het begin ook vrijwel alle studenten lid zijn. Het Corps is de spreekbuis van de rijke jongeheren die aan de universiteit hun chique opleidingen volgen. Dat is lange tijd geen probleem, want waar je ook bent in het land, de typische student is overal gelijk: man, vermogend, klassieke opleiding en voorbestemd om in de toekomst een leidinggevende functie te krijgen. Daar komt aan het eind van de negentiende eeuw geleidelijk aan verandering in. De instroom van nieuwe studenten verandert.

Lustra worden van oudsher groots gevierd. Het Delftsch Studenten Corps houdt in 1908 voor het twaalfde lustrum een steekspel op de Markt, in aanwezigheid van koningin-moeder Emma. (foto Charles Abraas, Stadsarchief Delft)

Als in 1863 de hogere burgerschool (hbs) wordt opgericht is dat om een goede opleiding te bieden voor de burgerij. De elite hoort thuis op het gymnasium en de universiteit, de burger op de hbs en in het bedrijfsleven. Dat strikte onderscheidt verwatert. Er zijn ook hbs-leerlingen die willen doorstuderen. Dat betekent dat de studies niet meer alleen rijke jongemannen uit de meest welgestelde milieus trekken. Er zijn steeds meer zogenoemde ‘burger-studenten’ die zich aanmelden en die met moeite hun studie kunnen betalen. Zij moeten hard werken om de opleiding zo snel mogelijk te voltooien. Zij zien niets in een dure en tijdverslindende studentenvereniging als het Corps met traditionele inburgeringsrituelen en peperdure lustrumfeesten. Deze studenten worden ook wel ‘nihilisten’ genoemd, ze horen nergens bij. Een groep Delftse studenten omarmt die term in 1897 als een geuzennaam en richt de Delftsche Studenten Bond op, juist voor nihilisten. Zij willen wel de gezelligheid van een vereniging, maar zijn niet bereid om aan allerlei dure activiteiten deel te nemen.

Er komen meer scheurtjes in het bastion van de corpora. De universiteiten zijn openbare instellingen waardoor de studentenverenigingen als vanzelf liberaal zijn. Met het toenemende belang van de verzuiling in de maatschappij komt er vraag naar katholieke en protestantse verenigingen. In 1886 richten Leidse studenten daarom de gereformeerde studentenvereniging Unie Hendrik de Cock op, vanaf 1905 bekend als Societas Studiosorum Reformatorum (S.S.R.) met vanaf dan steeds meer afdelingen in verschillende studentensteden. Vanaf 1907 in Delft, en vanaf 1918 in Rotterdam. Op dat moment is – in Leiden – inmiddels ook een rooms-katholieke studentenvereniging opgericht, vanaf 1899-1900 bekend als Sanctus Augustinus. Zoals de traditionele corpora hun Latijnse lijfspreuken koesteren, zo kiezen de katholieke verenigingen een heilige als naamgever. Sanctus Virgilius in Delft en Sanctus Laurentius in Rotterdam.

Ongeveer tegelijk met de confessionele studenten roeren ook vrouwelijke studenten zich in de studentencultuur. Nadat Aletta Jacobs de weg heeft vrijgemaakt, starten mondjesmaat steeds meer vrouwen met een universitaire studie. In 1900 wordt de Vereeniging van Vrouwelijke Studenten (V.V.S.L.) in Leiden opgericht. Delftse vrouwelijke studenten volgen in 1904 met de Delftsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging. Op het moment dat in Rotterdam de Nederlandse Handels Hogeschool opent, in 1913, volgt deze moderne nieuwe opleiding versneld de ontwikkeling van studentenverenigingen. Als eerste ontstaat het Rotterdamsche Studenten Corps (1913), op de voet gevolgd door de katholieke vereniging Sanctus Laurentius (1914), de Rotterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging (1915) en een Rotterdamse afdeling van S.S.R. (1918). Nieuw is dat hier in 1921 een speciale verenigingen voor spoorstudenten ontstaat: het Rotterdamsch Studenten Gezelschap. Studenten die in Leiden studeren, maar in Rotterdam wonen zijn bij de beide corpora niet welkom – dan is een nieuwe vereniging het passende antwoord.

De Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (V.V.S.L.) viert het vierde lustrum in de Stadsgehoorzaal van Leiden, 1920. (foto N.V. Vereenigde Fotobureaux, Nationaal Archief)

Toch samen?

In de jaren ’20 en ’30 is het duidelijk dat de corpora niet meer dé verenigingen voor alle studenten zijn. Voor aankomende studenten valt er iets te kiezen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog telt dat onderscheid niet meer zo sterk. Er is één gezamenlijke vijand waartegen juist onder studenten relatief veel actief verzet wordt gepleegd. Zeker als sociëteiten gedwongen sluiten en verenigingen verboden worden, leidt dat tot een groot gemeenschapsgevoel. Na de oorlog vinden veel studenten dat het uit moet zijn met de versplintering. De doorbraakgedachte die in de landelijke politiek opgang doet, wordt ook in studentenkringen omarmd. Leiden gaat hierin het verst met het streven naar een Civitas Academica. Volgens de civitas-gedachte ontmoet je bij de vereniging iedereen ongeacht welstand, afkomst of godsdienst. Sanctus Augustinus en S.S.R.-Leiden sluiten zich als subverenigingen aan bij het Leidsch Studenten Corps. Volgens dit idee zouden er maar twee verenigingen moeten zijn: één voor jongemannen en één voor jongedames. Dat streven houdt maar korte tijd stand. Lang niet iedereen voelt zich thuis bij de traditionele corpscultuur die automatisch de overhand krijgt in de samengestelde vereniging. In Leiden gaan de confessionele verenigingen toch weer zelfstandig verder en komt er in 1952 ook een algemene vereniging voor zogenoemde ‘nihilisten’: V.S.L. Catena.

De Katholieke Studentenvereniging Sanctus Laurentius uit Rotterdam biedt een klein model Euromast in Madurodam aan, 1960. (foto Herbert Behrens, Nationaal Archief)

De onderwijsrevolutie in de jaren ’60 zorgt voor een enorme aanwas van nieuwe studenten. Jongens, meisjes, gymnasiasten, hbs’ers, arm, rijk, eenvoudig, elitair – voortaan moet iedereen die er de hersens voor heeft kunnen studeren. Nederland maakt een enorme inhaalslag waarbij het aantal studenten tussen 1950 en 1970 verdrievoudigt. In 1980 is dat aantal nog eens tweemaal zo hoog. Onder meer deze veranderingen zorgen ervoor dat er veel meer verschillende soorten verenigingen ontstaan. Vaak tientallen per studentenstad, waar aankomende studenten via een ‘verenigingenwijzer’ een keuze uit kunnen maken.

Meer verenigingen hebben ook om meer ruimte nodig. Studentengezelligheidsvereniging Ecterode in Rotterdam zoekt een eigen plek in 1963. (foto Ary Groeneveld, Stadsarchief Rotterdam)

En terwijl de diversiteit toeneemt, zoeken de oudste corpora juist naar samenwerking. Ze blijven de traditionele verenigingen, maar dan wel met jongens en meisjes samen. Het Leidsche Studenten Corps en de V.V.S.L. fuseren in 1974, en heten sindsdien Minerva. Twee jaar later gaan ook het Delftse Corps en de Delftsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging samen verder. Rotterdam is ook hier – vanzelfsprekend – hekkensluiter met de fusie van het Rotterdamsch Studenten Corps en de Rotterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging in 2017.

Over de auteur

Ingrid van der Vlis is historicus en werkt voor haar eigen onderzoeksbureau Tijdelijk. Zij schreef boeken over verschillende weeshuizen en publiceerde veel over Delft. Zowel de lijvige stadsgeschiedenis vanaf 1795, Vooruit met veel verleden, als diezelfde historie in pocketformaat: De kleine geschiedenis van Delft voor dummies. Ook schreef zij ruim 50 Bevrijdingsbulletins over alles waar mensen dat eerste jaar na de Tweede Wereldoorlog mee te maken kregen in Delft.

1 reacties

Fynn Feringa 13 september 2023

wanneer is dit artikel geschreven?

Redactie 19 september 2023

Dag Fynn, dat was in 2022.

Plaats een reactie

Verzenden

Ontdek meer

Heb jij een verhaal over de Zuid-Hollandse geschiedenis?

Welk verhaal mag volgens jou niet ontbreken op deze website? Deel je verhaal of tip met de redactie! Lees de voorwaarden en tips voor het schrijven van een verhaal.

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.