Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Huisvrouw zijn was vakwerk

Door Ingrid van der Vlis

Vieze sokken, spinrag aan het plafond en een volle boodschappenlijst. Huishoudelijk werk is van alle tijden. Maar wie noemt zich tegenwoordig nog huisvrouw? Aan het eind van de negentiende eeuw vormen huisvrouwen juist een nieuwe beroepsgroep. Hun werk wordt geprofessionaliseerd, er komt vakliteratuur, er verrijzen scholen en de huisvrouwen verenigen zich. Het beroep huisvrouw neemt een grote spurt in de twintigste eeuw en beleeft zijn hoogtepunt in de jaren vijftig. Daarna komt het vak in een kwaad daglicht te staan: zijn deze vrouwen de slaaf van hun eigen bestaan?

Beroep: huisvrouw
Het zijn vooruitstrevende vrouwen van de eerste feministische golf die het werk en aanzien van huisvrouwen op de kaart zetten. Dat begint bij een veranderde kijk op vrouwenarbeid. Het is zeker in de hogere standen niet gebruikelijk dat dames betaald werk verrichten. Dat wordt problematisch als de inkomsten van de kostwinner laag zijn of om welke reden dan ook wegvallen. Feministen hameren erop dat vrouwen ook de mogelijkheid moeten krijgen om op een fatsoenlijke manier geld te verdienen. Dames die toevallig wel een rijke man of vader hebben, hoeven hun dagen dan ook niet per se in ledigheid te slijten. Er liggen vooral kansen voor vrouwelijke ontplooiing in het huishouden, het terrein waar zij ook voor die tijd al de scepter over zwaaien.

undefinedWillem van de Poll, Huisvrouw in modelkeuken bezig met het maken van een taart. Foto in het boek 'Wij bakken zelf' van R. Lotgering-Hillebrand.  (Nationaal Archief, Fotocollectie Van de Poll, CC BY 4.0)

Geld- en standsverschillen zijn in de negentiende eeuw nog van doorslaggevend belang voor de kijk op huishoudelijk werk. Dames uit de elite hebben dienstmeisjes die het praktische werk voor hen verrichten, zij zien slechts toe op de uitvoering ervan. Om het personeel goed te kunnen instrueren, hebben zij echter wel de juiste kennis nodig. Vrouwen uit de arbeidersklasse hebben geen tijd om zich thuis als huisvrouw te profileren; zij moeten uit werken voor brood op de plank. De groeiende middenklasse blijkt het meest vatbaar voor veranderingen op dit vlak. Een onderwijzer, ambtenaar of kantoorbediende bijvoorbeeld verdient wel genoeg om een gezin te onderhouden, maar niet genoeg om personeel aan te nemen. Om de boel thuis op de juiste wijze draaiende te houden, leggen deze vrouwen zich vol overgave op het huishouden toe. Zuinigheid en vlijt zijn dan zeer waardevolle eigenschappen, passend bij het zich ontwikkelende vak van huisvrouw.

Bij een echt vak hoort een goede opleiding. Dat valt in dit geval samen met een beschavingsoffensief onder de arbeidersgezinnen, die te weinig kennis over gezond eten en hygiëne hebben. De volksgezondheid leidt daaronder, maar de betere kringen hebben er ook last van: hun dienstpersoneel bezit weinig huishoudelijke kennis. Huishoudonderwijs dient zo meerdere doelen. In 1888 start de Haagsche Kookschool aan de Stille Veerkade, waar voedingsleer en kookkunst op het programma staan. Meteen schrijven zich al 114 leerlingen in voor een cursus van vier maanden, zij krijgen tweemaal per week les. Huisvrouwen en dienstbodes hebben er hun eigen curriculum en recepten; standsverschil moet er zijn. De gemene deler is de nadruk op voedzaam, gezond en betaalbaar eten. Enkele jaren later staat de opleiding bekend als Kook- en Huishoudschool en halen leerlingen geld op voor de aan de school verbonden volkskeuken waar arbeiderskinderen gratis les kunnen krijgen.

undefined
Interieur van de Haagsche Kookschool, ca. 1905 (collectie Haags Gemeentearchief) 

Meer nog dan met de school weet directrice A.C. Manden haar ideeën op de kaart te zetten met Het Haagsche Kookboek. In 1895 verschijnt de eerste editie, in 2010 rolt de 82ste druk van de persen. Inmiddels onder de titel het Het Nieuwe Haagse Kookboek, maar in opzet nog steeds gelijk. Er verschijnt meer vakliteratuur in de loop der jaren. Van het tijdschrift De Huisvrouw 1872) en boeken als Ik kan huishouden (1890) tot Wat moet gij weten, encyclopaedie voor de huisvrouw (1928).

Huishoudschool
De kookschool vindt in 1891 navolging in onder meer Rotterdam. In datzelfde jaar richten Jeltje de Bosch Kemper en Hendrina Scholten-Commelin de Amsterdamsche Huishoudschool op, met een breder curriculum voor al het huishoudelijke werk. Er is een bescheiden vraag naar deze opleiding. Onder meer Arnhem, Nijmegen en Utrecht openen vergelijkbare scholen, vooralsnog vooral bezocht door dochters uit welgestelde gezinnen en door dienstboden die de cursus van hun werkgever krijgen aangeboden. In 1895 houdt Anna Sophia Tydeman-Verschoor, directrice van de Rotterdamsche Kookschool een vlammend pleidooi voor de opleiding die volgens haar ‘in miscrediet’ staat. De school heeft nu 60 tot 70 leerlingen, maar dat zouden er in deze stad minstens driemaal zoveel moeten zijn. Ze betreurt het dat leren met ‘hoofd’ en ‘handen’ zo verschillend beoordeeld wordt. Tydeman-Verschoor waarschuwt meisjes die nu de hbs volgen, maar straks niet weten hoe ze hun dienstpersoneel moeten instrueren. Eind van het lied is dat haar man haar een standje geeft: ‘Jij had niet mogen trouwen, jij had eerst moeten leeren hoe men een huishouden verzorgt!’ En het meisje? Dat ‘begrijpt dat hij gelijk heeft’. Ook de cursus van vier maanden over voedingsleer en kookkunst beveelt zij van harte aan. Dat is toch het minste wat een aankomend echtgenote zou moeten doen.

undefinedKostuumklas van de Industrie- en Huishoudschool voor Meisjes, 1920 (Collectie Regionaal Archief Dordrecht) 

Na de eeuwwisseling komen er meer scholen die ook steeds vaker voor een grotere doelgroep zijn. Zo opent Dordrecht in 1901 de Industrie- en Huishoudschool voor Meisjes, die tot doel heeft ‘de opleiding van meisjes en vrouwen uit alle standen der maatschappij’ te organiseren. Het succes van de huishoudschool breekt pas echt door na invoering van Wet op het Nijverheidsonderwijs uit 1919 die regelt dat huishoud- en nijverheidsscholen subsidie van de overheid ontvangen. Er komt dan ook meer uniformiteit in de opleiding, die vrijwel overal een tweejarige opleiding wordt. Daarna volgt een vakopleiding en eventueel daarna nog een leraressenakte. In het verzuilde Nederland blijft het meestal niet bij één huishoudschool per stad. Delft heeft in de jaren twintig maar liefst drie scholen: een Katholieke Vakschool voor Meisjes, een Christelijke Nijverheidsschool en een openbare School voor Nijverheidsonderwijs. De succesformule van de scholen is de verwachte win-winsituatie voor de meisjes die zowel een opleiding krijgen om in de nijverheid (fabriek), het huishouden (dienstbode) of de verzorging te werken en die al hun kennis ook later in het eigen gezin kunnen toepassen.

De huishoudschool is een pittige opleiding. Leerlingen maken lange dagen met algemene vakken als Nederlands, rekenen en kennis der natuur- en scheikunde. Daarnaast gaat er veel tijd zitten in koken, huishoudelijk werk en ‘waschbehandeling’, maar de absolute topper is het handwerken. Er zijn afzonderlijke lessen voor kostuum naaien, breien/stoppen/mazen, praktisch verstellen en lingerie. Voeg daarbij nog de vakken strijken, gezondheidsleer, fröbelen, kinderverzorging én boekhouden en het is duidelijk dat de meisjes een gedegen opleiding ontvangen. In de scholen verrijzen moderne praktijklokalen waar de meisjes leren koken, wassen, strijken, naaien, mazen en stoppen. In theorielokalen staan warenkennis en voedingsleer centraal. Huisvrouw worden is een serieuze bezigheid.

undefined
Onmisbare vakliteratuur: Baedeker voor de huisvrouw, vanaf 1953 uitgegeven in 25 (!) delen met titels als ‘Eén recht, één averecht’, ‘Huishouden op rolletjes’ en ‘Gelukkig gezin’

De groeiende beroepstrots uit zich in de vakorganisatie die in 1912 het levenslicht ziet: de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (NVvH). Ook dit is weer een feministisch initiatief, want het neemt de vrouwen en hun werk uitermate serieus. De vereniging komt op voor de huisvrouw ‘als consumente en als belanghebbende bij het woningvraagstuk’. We moeten ons voorstellen dat bij de oprichting de meeste vrouwen hun taken nog verrichten zonder mechanische apparatuur. Leidingwater, gas en elektriciteit zijn in die tijd de belangrijkste vindingen waarover zij in het huishouden beschikken.

Apparatenrevolutie
De NVvH ijvert voor toezicht op de woningbouw, de uitbouw van huishoudonderwijs en de kwaliteit van levensmiddelen. Daarnaast richt de vakorganisatie zich van begin af aan op vereenvoudiging van het huishoudelijk werk, iets waar zeker in de twintigste eeuw forse winst op wordt behaald. Zodra er nieuwe apparatuur op de markt komt, licht de NVvH de leden hierover voor. In 1926 richt de NVvH het Instituut voor Huishoudtechnisch Advies op. Dat is ook het moment dat het bekende en door fabrikanten felbegeerde keurmerk wordt geïntroduceerd: ‘goedgekeurd door de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen’. Na de Tweede Wereldoorlog komen steeds meer apparaten binnen het bereik van de gemiddelde huishoudportemonnee. Dat is ook het moment waarop de eerste Damesbeurs plaatsvindt, vanaf 1950 bekend als de – nog altijd populaire – Huishoudbeurs. Hier worden alle nieuwe snufjes aan de vrouw gebracht, de man is louter als chaperonne bedoeld. Moderne koelkasten, wasmachines en naaimachines staan hier tentoongesteld, naast minder hoogdravende uitvindingen als een opblaasbare kleerhanger en een jampotopener.

undefined
Harry Pot/Anefo,  Het wagenpark op de Huishoudbeurs wordt onderzocht, 1960 (Nationaal Archief,  Fotocollectie Anefo, CC0)

De stofzuiger is de eerste belangrijke vinding die veel huishoudens bereikt. Een ongekend belangrijke uitvinding in een tijdsgewricht waarin huizen voornamelijk verwarmd worden op hout en steenkool. Tegen die hoeveelheid stof en gruis is nauwelijks op te poetsen, vegen en boenen. Kleden, traplopers en matten kunnen alleen buiten uitgeklopt worden. De stofzuiger verslaat de mattenklopper met gemak en dat betekent ook meteen winst voor de volksgezondheid. Mede om die reden maakt de NVvH zich sterk voor verbreiding van het nieuwerwetse apparaat. De vereniging koopt er rond 1918 een aantal om aan leden te verhuren. In de jaren twintig verspreidt de mare van dit geweldige apparaat zich door het land en in de jaren dertig wordt de goedkoper geworden stofzuiger overal langs de deuren verkocht door colporteurs. Met succes. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezit ongeveer 65% van de Nederlandse huishoudens een stofzuiger. De strijd tegen het stof wordt geleidelijk aan gewonnen, zeker als ook moderne gasfornuizen en de centrale verwarming hun intrede doen.

De wasmachine levert waarschijnlijk de grootste tijdswinst op. In het weekend de was sorteren en in de voorwas zetten, zijn slechts de voorbereidende werkzaamheden. Daarna volgt op ‘maandag wasdag’ het hele proces van inzepen, wassen, boenen en spoelen – met de hand. In de daaropvolgende dagen van de week moet er gedroogd, gemangeld en gestreken worden totdat in het weekend de riedel weer opnieuw begint. Rond de eeuwwisseling komen de eerste elektrische wasmachines op de markt, aanvankelijk alleen voor bedrijven en rijke gezinnen. Pas na de Tweede Wereldoorlog komen er zogenaamde langzaamwassers en snelwasmachines voor de particuliere klant. Tot die tijd richten diverse steden wasserettes en wasinrichtingen in waar huisvrouwen de was komen doen. Begin jaren zestig zorgen de uitvindingen van synthetisch wasmiddel en de volautomatische wasmachine voor een gezamenlijke doorbraak: binnen tien jaar tijd heeft het merendeel van de huishoudens een wasmachine in huis. Met dank ook aan de loonexplosie, waardoor steeds meer apparatuur binnen het bereik van gewone gezinnen komt.

undefined
Sparen voor een koelkast bij de Albert Heijn, Leidsch Dagblad (16 mei 1962)

Boodschappen doen en koken veranderen ook drastisch. Lange tijd wecken huisvrouwen groente en fruit in het najaar, opdat ze deze ook in de andere seizoenen kunnen gebruiken. Die noodzaak neemt af als de conserveringstechnieken toenemen en als huishoudens een eigen koelkast of zelfs vrieskist kunnen kopen. Begin jaren zestig breekt de koelkast door in de gemiddelde keuken. De dan al snel groeiende supermarktketen Albert Heijn wijdt er een spaaractie aan en slijt op die manier 145.000 koelkasten. Die kunnen allemaal gevuld worden... met spullen uit de zelfbedieningswinkel, ook al een nieuw fenomeen. In de jaren vijftig openen steeds meer van dit soort winkels, waar je zélf spullen uit het schap mag halen. In 1957 komt in het nieuws dat in de wijk Morgenstond in Den Haag de eerste rijdende zelfbedieningswinkel in gebruik wordt genomen. Daarmee stijgt het aantal winkeliers aan de deur nog eens. De schillenboer, de kruidenier, de groenteboer en de melkboer komen immers ook wekelijks aan huis. Die noodzaak neemt af als de auto binnen bereik van steeds meer huishoudens komt en bijna iedereen een koelkast bezit. Je hoeft niet meer thuis te wachten tot de middenstander langskomt, je rijdt zelf naar het moderne winkelcentrum.

Stofzuigervee
‘Een echte huisvrouw is nimmer gereed’, zo omschrijft de Libelle in 1934 haar doelgroep. Het tijdschrift verschijnt vanaf dat jaar wekelijks en bereikt honderdduizenden lezeressen. Met de Margriet (vanaf 1938) en Beatrijs – katholiek weekblad voor de vrouw (1939) dragen de damestijdschriften het vak van huisvrouw decennialang met verve uit. Hoewel apparaten het fysieke werk lichter maken, blijft er vraag naar tips over de grote schoonmaak, gezonde recepten, breipatronen, klustips en het draaiende houden van een compleet gezin. Want dat is waar de taak van huisvrouw zich in de jaren vijftig en zestig mee uitbreidt: zij is verantwoordelijk voor de inrichting van het huis, het bijhouden van de tuin én het opvoeden van de kinderen. In 1953 verwoordt de staf van de openbare Huishoudschool Rust Roest in Delft de noodzaak van de eigen opleiding: ‘Omdat het werk van de vrouw, waar dit ook ligt, altijd veelzijdiger is. Elke vrouw moet namelijk voor zichzelf en ook voor anderen kunnen zorgen. De man werkt en láát voor zich zorgen.’ De naam van deze huishoudschool doet de opleiding eer aan. Wat in 1934 al wordt gesteld, krijgt in 1964 een cijfermatige onderbouwing. Tijdsbestedingsonderzoek van Philips stelt dat een huisvrouw gemiddeld 57 uur per week aan het huishouden besteedt. Haar werk is inderdáád nooit gereed, en dat wordt steeds vaker als vervelend ervaren. Vrouwen willen niet altijd meer alleen maar voor anderen zorgen.

undefined
Willem van de Poll, De stofzuiger rukt langzaamaan op in het huishouden, 1931 (Nationaal Archief, Fotocollectie Van de Poll, CC0)

Joke Kool-Smit grijpt onder andere het Philipsonderzoek aan voor haar vlammend betoog tégen het huisvrouwenbestaan: ‘Het onbehagen bij de vrouw’ (1967). Het blijkt de opmaat voor een tweede feministische golf te zijn. Vrouwen moeten gelijke kansen op de arbeidsmarkt krijgen en dat lukt niet als zij zich als een ‘kudde stofzuigervee’ in huis laten opsluiten. De tijd is rijp voor verandering, de oproep vindt snel gehoor. Vanaf 1970 laat ook actiegroep Dolle Mina van zich horen, onder meer bij de Huishoudbeurs waar zij demonstreren onder de leuze ‘wees geen slaaf van uw huishouding’. Den Haag krijgt een actieve afdeling van Dolle Mina die onder meer actievoert voor gratis crèches. Buitenshuis werkende vrouwen moeten de norm worden, ondersteund door het in 1973 gelanceerde ‘Werkende Wijvenplan’. Het tij keert snel. Zelfs bladen als Libelle gaan overstag en slaan een progressievere koers in. Huishoudelijk werk blijft een item, maar moet nu concurreren met artikelen over werkende vrouwen die een carrière buiten het gezin hebben.

Het traditionele onderwijs gaat in de tussentijd op de helling. De invoering van de Mammoetwet in 1968 betekent het einde van de huishoudschool. Voortaan staat de opleiding bekend als Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs (LHNO) en zijn – voor het eerst – ook jongens welkom. Het is meteen een poging om de minder fraaie benaming ‘Spinazieacademie’ de kop in te drukken. Directeuren van twee katholieke huishoudscholen in Delft doen in 1972 een oproep in de krant om de veranderingen te benadrukken: ‘De meisjes krijgen geen stoomcursus voor een leven achter wastobbe en fornuis meer.’ Hier word je opgeleid voor een echt vak, de beroepsopleiding voor huisvrouw is passé.

undefined
J.D. Noske/Anefo, Huisvrouw anno 1952  (Nationaal Archief, Fotocollectie Anefo, CC0)

Het vak van huisvrouw sterft vrijwel definitief uit als vrouwen vaker buitenshuis gaan werken. Emancipatie en economische recessie zetten het kostwinnersmodel onder druk. Het huishouden is in theorie een gezamenlijke taak van twee partners geworden, aangezien het geld verdienen dat nu ook is. Vanaf 1990 is bij wet geregeld dat iedereen van achttien jaar of ouder zichzelf moet kunnen bedruipen. In de jaren negentig gaat de LHNO op in het VMBO, een logische stap. Maar zoals met meer beroepsgerichte opleidingen het geval is, steekt om de zoveel tijd toch de discussie op of het niet beter zou zijn om de huishoudschool in ere te herstellen. Niet zozeer om nieuwe fulltime huisvrouwen op te leiden, maar wel om door kennis van voeding de volksgezondheid te verbeteren. Een argument dat ook rond 1900 gebruikt werd om de school op te richten.

Over de auteur
Ingrid van der Vlis is historicus en werkt voor haar eigen Historisch Onderzoeksbureau Tijdelijk. Zij maakte over de geschiedenis van huishoudelijk werk het fotoboek In Holland staat een huis (Scriptum). Verder schreef zij onder meer het tweede deel van de stadsgeschiedenis van Delft: Vooruit met veel verleden, geschiedenis van Delft vanaf 1795 (WBooks).

 

 

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.