Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Waterlinie 1672: een redding op het nippertje

door Luc Panhuysen

In de eerste week van mei 1672 hield Lodewijk XIV revue van het leger dat de Nederlandse Republiek ging aanvallen. Hij was vierendertig jaar oud en had al eerder wapenschouwen afgenomen, maar nog nooit van een legermacht zo groot als deze. Zijn 120.000 man zouden bovendien nog versterkt worden door manschappen van de bisschop van Munster en de aartsbisschop van Keulen, zijn bondgenoten. De veldtocht was minutieus voorbereid. Langs de hele aanvalsroute, die over de domeinen van beide bondgenoten liep teneinde de Habsburgse zuidellijke Nederlanden, en dus Spanje en de keizer te ontzien, stonden voorraadschuren gereed die uitpuilden van kogels, kruit, brood en andere benodigdheden. Weinig stond een snelle opmars in de weg.

Een nauw omschreven doel had de Zonnekoning niet. Oorlogen werden niet tot in de puntjes gepland zoals tegenwoordig, iedereen met een beetje krijgservaring wist hoe chaotisch een krijgstoneel al snel werd. Het kwam aan op kracht, liefst in de vorm van overmacht, op ervaring en op leiderschap. De Franse overmacht was evident. Aan de kwalificatie van ervaring was ook voldaan. In de voorgaande jaren hadden zijn troepen gevochten in Lotharingen en daarna in de zuidelijke Nederlanden, tijdens de zogeheten Devolutieoorlog van 1667-8. Wat Lodewijk vooral in zijn zelfvertrouwen moet hebben gesterkt was de wijze waarop hij was gezegend met twee briljante generaals. Louis II prins van Condé was in zijn jeugd een wonderkind gebleken; nog altijd werd hij de ‘held van Rocroi’ genoemd, naar de spectaculaire overwinning uit 1643 die hij als 22-jarige op de Spanjaarden had behaald. De andere troef van Lodewijk was Henri burggraaf van Turenne, een briljant organisator en een grootmeester in de manoeuvre. 

undefined
Lodewijk de Veertiende in 1670, schilderij naar Claude Lefebvre (Chateau Versailles)

Lodewijk kan nauwelijks hebben getwijfeld aan de gunstige afloop van de aanval. Niets lag inderdaad meer voor de hand dan te verwachten dat zijn opmars de inleiding zou vormen op een hele korte oorlog, waarin hij de Republiek op kwantitatief en kwalitatief vlak zou verpletteren. Waarschijnlijk werd de oorlog, zo moet hij hebben gedacht, nog aanzienlijk bekort omdat de Nederlanders spoedig in de greep van paniek zouden raken en zouden capituleren voordat de Franse soldaten goed en wel de hele republiek onder de voet hadden gelopen. Daarna brak dan het laatste stadium van de oorlog aan, waarin hij de overwonnenen een loodzwaar eisenpakket zou opleggen. Met zijn andere bondgenoot Engeland had Lodewijk al enige afspraken gemaakt over bepaalde Nederlandse gebiedsdelen in bijvoorbeeld Zeeland; Keulen en Munster zouden ongetwijfeld stukken langs de Maas en de Rijn claimen. 

Zoals bekend is het zover niet gekomen. De aanval van Lodewijk mondde uit in wat in de Nederlandse historiografie ‘het Rampjaar’ wordt genoemd, een relatief korte catastrofe van zeventien maanden, die een internationaal vervolg kreeg in een zesjarig conflict van internationale omvang die in de Franse geschiedschrijving de guerre d’Hollande wordt genoemd, de Hollandse oorlog. Er zijn tal van redenen aan te wijzen waarom Lodewijks gerieflijke verwachtingen in het prille stadium van zijn aanval geen werkelijkheid werden, maar de belangrijkste reden daarvoor is wel de Hollandse waterlinie. Dit artikel gaat over de korte maar cruciale periode waarin de Republiek, en dan met name de regeerders van Holland, tot de noodzakelijke besluitvorming kwamen. Het is een verhaal over lessen uit het verleden, over voortschrijdend inzicht en gelukkig uitvallende improvisaties. Kennis aan Nederlandse kant van de waterhuishoudkunde speelde een belangrijke rol, maar ook de Franse zelfgenoegzaamheid en het toeval van een verdwaalde kogel.

undefined
Turenne (links, een portret door Robert Nanteuil) en Condé (door Jean-Pierre Francque)

‘…een macht, die alles als een torrent sal overvloeyen’
Al een week nadat in Charleroi de Franse oorlogsmachine in beweging was gekomen, zagen sommige Nederlanders hoe gering de Nederlandse krijgskansen waren. Het verschil tussen hen en de optimisten werd vooral ingegeven door de plek waar ze zich bevonden. Hoe dichter bij het front, hoe meer realiteitszin. De eersten die een realistische inschatting maakten waren de inwoners van Maastricht en omliggende dorpen. Al in mei kwam een stroom vluchtelingen uit het zuiden op gang, die verhalen meebrachten over een ongelooflijk grote legermacht. 

In Den Haag, waar de Staten-Generaal en de Staten van Holland vergaderden en zich het feitelijke regeringscentrum van de Republiek bevond, bestond nog niet zoveel twijfel. Op papier was het Staatse leger zo’n vijftigduizend man groot, maar aangezien er al in geen jaren een revue had plaatsgevonden wist niemand ook maar bij benadering de werkelijke omvang. Het optimisme werd gevoed door plannen en maatregelen. De regering van raadpensionaris De Witt had overal burgermilities en stedelijke schutterijen opgeroepen, waardoor de weerbaarheid op papier vertrouwenwekkende proporties had aangenomen. Ook bestond veel vertrouwen in de verdedigingslinies waar de oprukkende Fransen spoedig op zouden stuiten. Allereerst Maastricht, de onlangs gerenoveerde vestingstad, waar de staat maar liefst 11.000 man had ondergebracht. Het zou de aanvaller kostbare weken vergen Maastricht te veroveren. Daarna zou hij de zes Rijnforten in het bevriende hertogdom Kleef tegenkomen. Hoewel de totale bezetting van deze fortificaties de helft bedroeg van die van Maastricht was de verwachting dat ook hier de Fransen wel eventjes mee zoet zouden zijn. Zouden ze dan eindelijk ook deze forten hebben verschalkt, dan kwamen de Fransen aan bij de IJssellinie, waar in de loop van mei duizenden opgetrommelde graafarbeiders de spade in de grond staken voor de aanleg van loopgraven.

In dit stadium vertoonde het leerproces in Den Haag een andere snelheid dan dat van de mannen aan de IJssel en in het leger. De jonge prins van Oranje, Willem III, was recentelijk benoemd tot ‘opperbevelhebber voor één veldtocht’ en was omringd door een groepje gedeputeerden te velde, afkomstig uit de verschillende gewesten. Dit groepje had de supervisie over de verdediging bij de IJssel. Onder hen bevond zich de diplomaat Hiëronymus van Beverningk, die dagelijks de lange gezichten van de ongemotiveerde graafploegen gadesloeg, die overlegde met de onzekere bestuurders van Zutphen, Deventer en andere stadjes, die zag hoe langzaam en ongericht het werk vorderde. Hij verwoordde treffend de stemming. De Fransen komen eraan, schreef hij namens de prins en zijn mede-gedeputeerden aan de Staten-Generaal, als ‘een macht, die alles als een torrent sal overvloeyen’. De woordkeuze is interessant. Torrent ofwel: vloed, springvloed en eigenlijk: overstroming. Van Beverningk bevond zich op dat moment in Zutphen en keek vanaf de kade uit op een rivier waarvan het peil zo laag stond dat de IJssel leek versmald tot een beek. Wat de rivierlinie ontbeerde, massa, dichtte hij de vijand toe. De brief was van 17 mei, een maand voordat de Fransen bij Tolhuis de Rijn, eveneens dankzij de lage waterstand, zouden oversteken en daadwerkelijk in de Republiek stonden.

undefined
De Schenckenschans, door Jan van Call (Collectie Rijksmuseum)

Een week later hield de prins bij Zutphen revue van het Staatse leger. Het was voor iedereen een ontnuchterende ervaring geweest: geen vijftigduizend maar slechts zo’n 21.000 man had de Republiek onder de wapenen. Weer een week later hield Willem III een krijgsraad met zijn hoofdofficieren. Het oordeel over de situatie was unaniem: die was hopeloos – en men zat niet om argumenten verlegen. Ze hadden veel te weinig manschappen, te weinig tijd voor deugdelijke retranchementen, te weinig kanonnen en munitie en de sterkten langs de IJssellinie lagen te ver uiteen waardoor de vijand er gemakkelijk tussendoor kon. Het verstandigste was het leger terug te trekken, het in ieder geval niet bloot te stellen aan een gevecht dat maar één uitkomst kon hebben.

De uitkomst van de krijgsraad was evenwel onverenigbaar met de agenda van de besluitvormers in Den Haag. Daar verafschuwde men zo’n aftocht om verschillende redenen. Allereerst was er de logica van de dijk. Zolang de IJssellinie de vijand kon buitenhouden zoals een dijk de zee, was iedereen veilig. Maar bij de minste barst zou de vijand doorbreken en was iedereen verloren: stad en land maar ook het te kleine leger. De vijand kon dan probeemloos doorstoten tot ‘het hart van de staat’, iets dat ten allen tijde moest worden voorkomen. Want dat was de tweede, en even belangrijke reden waarom de IJssellinie moest houden: als de bevolking zou zien dat de regering het land opgaf, het leger terugtrok en de weg vrij maakte voor de vijand, dan zou dat ‘de uiterste consternatie in het land’ veroorzaken. Gezien de latere anarchie was dat een goede inschatting. Willem III besloot dan ook, alle argumenten van zijn officieren ten spijt en ongetwijfeld hiertoe aangespoord door de gedeputeerden te velde, dat het leger aan de IJssel zou blijven om alles te doen voor het buitenhouden van de vijand.

Het werk van een nijvere commissie
Het is onduidelijk in hoeverre de leden van de krijgsraad op de hoogte waren van een derde reden waarom de IJssellinie moest houden. Er was namelijk een noodplan voor als de vijand zou doorstoten, een scenario waarop niemand het wilde laten aankomen. Begin april, een maand voor de wapenschouw van Lodewijk XIV, hadden de Staten van Holland een commissie benoemd die moest onderzoeken of en zo ja hoe de strook tussen het gewest en het naburige Utrecht ‘inaccibel voor de vijand’, dus ontoegankelijk voor de vijand, kon worden gemaakt door het laten onderlopen van polders. Het verdrinken van land dat eerder met behulp van wind en bovenkruiers op het water was veroverd, was als maatregel al bijna even infaam was als het terugtrekken van het leger. Te meer omdat die gronden intussen overal door boeren in gebruik waren genomen. Het besluit op 8 april tot het samenstellen van de commissie werd niet in het geheim gedaan, maar het werd ook niet aan de grote klok gehangen.

De commissieleden togen direct aan de slag. Ze benaderden de hoogheemraadschappen van Rijnland, Woerden, Schieland, Delfland en vele anderen gebieden en brachten twee weken later rapport uit. Het biedt een mooi staaltje zeventiende-eeuws waterhuishoudkunde: niet alleen wist men meren droog te malen, men was net zo inventief in het onder water zetten. In bepaalde riviertjes moesten dammetjes worden gelegd om ze te laten overstromen, elders moesten sluizen geschikt worden gemaakt voor het inlaten van water. Op sommige plekken zou het water er een week over doen om een aardige hoogte te bereiken, en adviseerde de commissie een aanpalende polder eveneens te inunderen. Al met al vormde het voorstel een actieplan waarmee vele waterlopen en tientallen sluizen en dijken waren gemoeid, en dat de basis legde voor de uiteindelijke waterlinie.

undefined
Spotprent uit 1872 over Alva die zijn bril (Den Briel) verloor in 1572 (Collectie Rijksmuseum)

Er bestond een royale ervaring in het laten onderlopen van land in oorlogstijd, te beginnen met de aanvang van de Tachtigjarige Oorlog. Honderd jaar vóór het Rampjaar, vlak nadat Alva zijn 'Bril' had verloren, hadden de geuzen het land om Den Briel onder water gezet om de Spanjaarden op een afstand te houden. Ook in de daarop volgende strijd om Haarlem, Alkmaar en Leiden waren dijken doorgestoken en de sluizen opengezet. Het had de zwaar bewapende vijand het vechten aanzienlijk bemoeilijkt, bovendien was het voor de Hollanders mogelijk geweest om de Spanjaarden met platgeboomde vaartuigen aan te vallen en met geschut te bestoken. Waterlinies vormden dus al een standaard onderdeel in het Hollandse defensieve arsenaal, maar met een waterwapen dat vijf aaneengesloten polders besloeg bestond nog geen enkele ervaring. De reserve die de regering had om terug te vallen op een linie die vooralsnog uit papier bestond zou dan ook groot blijven. 

Een kogel
Maar de oorlog trok zich niets van die reserve aan, en de militairen zouden dat ook steeds minder doen.  Dankzij de voorbereidingen van de Fransen verliep het afleggen van de aanvalsroute met ongekende snelheid. Die snelheid werd nog eens verhoogd doordat ze zich niet hielden aan de Nederlandse verwachtingen. Terwijl een bode de brief van Van Beverningk naar Den Haag bracht, besloten de Fransen om de vestingstad Maastricht, juist om zo weinig mogelijk tijd te verliezen, niet aan te vallen. Daar was een dispuut tussen Lodewijks generaals Condé en Turenne aan vooraf gegaan, waarin Turenne, die het tempo in de aanval wilde behouden, van de koning zijn zin had gekregen. Zodoende werd Maastricht ‘op slot gezet’ met een macht van tienduizend Fransen en kon de hoofdmacht verder, naar de zes Rijnforten. Die bezorgden de Fransen geen hoofdbrekens, zoals Den Haag had gehoopt. Integendeel, ze vielen als dominostenen. Aan het einde van de eerste week van juni lag alleen de IJssellinie nog tussen de vijand en het Staatse leger.

Vanaf die tijd zagen Nederlandse soldaten Franse verkenners aan de overkant van de IJssel, maar ook aan de Rijn. Met de lage waterstanden was het een kwestie van tijd voordat ze een doorwaadbare plek hadden gevonden. De rivierlinie stond onder druk en in de tweede week van juni kreeg de commandant van de Schenckenschans, strategisch gelegen in de oksel van de Waal en de Rijn, weke knieën. Hij verliet zijn post en trok zich met zijn twaalf regimenten terug op Arnhem, waardoor hij een gat in de Betuwse defensie sloeg. De Fransen maakten er onmiddellijk gebruik van. Op 12 juni stortten een paar duizend Franse ruiters zich in het water van de Rijn, gadegeslagen door hun koning. Willem III had in allerijl versterkingen naar de opengevallen plek gestuurd en in het gevecht dat ontstond werden de Nederlandse troepen weliswaar eenvoudig verslagen, maar werd de pols van de prins van Condé door een kogel doorboord. 

undefined
Fransen steken de Rijn over bij Lobith, schilderij van A.F. van der Meulen (Collectie Rijksmuseum)

Dit was van betekenis, want er had zich alweer een nieuw meningsverschil tussen Turenne en Condé voorgedaan. Condé had met haast willen doorstoten naar het hart van de Republiek, om zo snel mogelijk Den Haag te overmeesteren en Amsterdam in te nemen. Het was een onconventionele handelswijze, want krijgswijsheid luidde namelijk dat niet-ingenomen steden en vestingen je in de rug konden aanvallen. Eén van Condé’s officieren had echter het gelijk van de Blitz-aanval bewezen door met een handjevol ruiters door te dringen tot Muiden, vlakbij Amsterdam, terwijl Utrecht nog niet eens was ingenomen. Hoewel deze waaghals daarna weer rechtsomkeert was gegaan, had hij wel de ongekende mogelijkheden laten zien nu de Republiek in totale verwarring verkeerde. Nu Condé voorlopig was uitgeschakeld was het dispuut opnieuw uitgevallen in het voordeel van Turenne, en dat zou een belangrijke bijdrage vormen aan het overleven van de Republiek. Turenne stootte niet rechtstreeks westwaarts door, maar liet het Franse legercorps zuid- en noordwaarts gaan, naar Nijmegen en naar Arnhem. Nadat hij Maastricht had gepasseerd wilde Turenne niet nog meer forten en steden in zijn rug. Daarom koos hij voor de gedegen en langzame aanpak. Dat gaf Willem III en Den Haag het broodnodige respijt.

Om het verschil tussen de aanpak van Condé en Turenne te begrijpen moeten we ons realiseren dat de Republiek niet zomaar een paar forten en stadjes bevatte, maar vele tientallen, ook in het oosten en het midden van het land. Elk van die stadjes was ommuurd, beschikte wel over een handvol kanonnen en een klein en onervaren groepje manschappen, en het totaal gaf de Fransen de indruk verzeild te zijn geraakt in een met vestingen bezaaid landschap. Voordat Turenne zich aan de onderwerping van Holland kon wijden had hij meer dan zestig omwalde steden en fortificaties in te nemen. De meeste daarvan gaven zich zonder slag of stoot over, andere wisten de capitulatie met een dag of twee, drie uit te stellen. Maar alles bij elkaar kostte de gedegen wijze van veroveren de Fransen veel kostbare tijd. Tijd trouwens waarvan Lodewijk XIV zich onbewust was van de waarde, want hij rekende zich al rijk. De weerstand was futiel, dus de uitkomst van deze aanval stond wat hem betreft vast. Lang kon het niet duren voordat de zittende regering ten val zou komen, hetgeen hem nog meer in de kaart zou spelen.

undefined
Het Franse leger voor Naarden, door A.F. van der Meulen (Collectie Rijksmuseum)

Van rivier- naar waterlinie
De doorbraak van de Fransen bij Tolhuis had voor het legertje van Willem III bij de IJssel verstrekkende gevolgen. Niet alleen stond de vijand in het land, ook kon hij vanaf die plek recht omhoog steken en de terugtocht afsnijden, waardoor het Staatse leger ingesloten zou raken tussen de IJssel en de Franse overmacht. Zodra het nieuws op 12 juni bekend was geworden, trok Willem zich terug – ordentelijk en weloverwogen. De bestemming van de terugtocht was intussen ook bekend: de waterlinie, waar vijf plaatsen waren gereserveerd die op gelijkmatige afstand van elkaar de wacht moesten houden. Deze plaatsen (Muiden, Bodegraven, Goejanverwellesluis, Schoonhoven en Gorinchem) bevonden zich bij belangrijke sluizen en bij doorgangen en passages. Ze moesten nog worden versterkt en op het moment dat het in vijf stukken opgesplitste leger van Willem zich in die plaatsen ingroef was de defensieve waarde verwaarloosbaar. Op 8 juni, vier dagen voor de Franse doorbraak bij Tolhuis, hadden de Staten van Holland opdracht gegeven het plan van de waterlinie in werking te laten treden. Regenten in zwarte mantels waren naar Gouda afgereisd om het water van de Hollandse IJssel door de sluizen binnen te laten teneinde de landen tussen het riviertje de Gouwe tot aan de Oude Rijn, en tussen de Aar en de Drecht tot aan de Amstel en verder, tot aan het IJ, onder water te laten lopen. Maar door de lage waterstand in de rivieren liepen de polders in het meer zuidwaarts gelegen deel maar heel langzaam onder. Toen de soldaten rond 18 en 19 juni op hun bestemming aankwamen, konden ze van de beloofde waterlinie nog weinig zien. 

Wat aan de traagheid bijdroeg was de strijd die de afgevaardigden van de regering in Den Haag tegen de eigen boerenbevolking moest leveren om de dijken door te steken en sluisdeuren te open te houden. Vooral in het begin werden de bressen in dijklichamen die overdag door graafploegen waren gemaakt ’s nachts weer gedicht. Sluizen die overdag waren geopend werden ’s nachts gesloten. De boeren vochten voor het behoud van hun land zoals Den Haag dat deed voor het vaderland. Op zeker moment had zich een meute van duizend met zeisen bewapende mannen verzameld bij een belangrijke dijk,zodat het leger eraan te pas moest komen om de graafploeg zijn werk te kunnen laten doen. Pas nadat Willem III de doodstraf had gezet op sabotage kon van een geregelde watertoevoer naar de waterlinie sprake zijn.

De Republiek bood op dat moment een surrealistische aanblik. In het oosten was een enorme legermacht stelselmatig bezig de Republiek stadje voor stadje op te rollen, vaak zonder een schot te hoeven lossen. De Franse soldaten waren hardhandig, plunderden en vernielden, waren niet vies van verkrachting, maar werden hierin nog overtroffen door de huurlingen van de bisschop van Munster, die zijn mannen zwaar onderbetaalde. In het oostelijke deel van de Republiek dus rookkolommen van brandende boerderijen en dorpen, gekerm van mishandelde stadsbevolkingen en drommen mensen die hun boeltje op karren hadden gezet en westwaarts vluchtten. Het westen van de Republiek bood een andere maar niet minder chaotische aanblik. In de smalle strook van het gewest Holland  waren de steden overvol met vluchtelingen, met vee dat door hen was meegebracht. De bevolkingen van bijna alle steden waren op drift geraakt uit woede over hun regering die geen bescherming bood en uitsluitend geïnteresseerd leek in het redden van het eigen hachje. In de tientallen steden geen geplunder en verkrachtingen, maar (zoals in Haarlem) viswijven die als vaandel vaatdoeken aan bezemstelen bonden en aan het hoofd van joelende optochten de burgemeesters afzetten, de stadhuizen bezetten en zich de stadssleutels toeëigenden. En tussen het tumult van oost en west, in een strook weiland van vijftien kilometer lang en hoogstens een paar kilometer breed, glipte fluisterzacht het water langs de sluisdeuren om iedere dag een millimeter hier, twee millimeter daar aan het peil van het waterwapen toe te voegen.

undefined
De Fransen veroveren de vesting Doesburg, 1672 (Collectie Rijksmuseum)

Het besluit de waterlinie in werking te laten treden was zo’n drie weken oud toen de Fransen Utrecht innamen. De Zonnekoning bevond zich in Zeist. Samen met zijn oorlogsminister Louvois mijmerde hij over de concessies en de schattingen die hij de Nederlanders ging opleggen, tussen de bedrijven door correspondeerde hij met zijn architect over de te bouwenfonteinen in de tuin van Versailles. Alles leek in zijn voordeel te werken. De anarchie in het nog niet bezette Holland bereikte een voorlopig hoogtepunt met de moordaanslag op Johan de Witt. De raadpensionaris overleefde de aanslag, maar zou wel de hele maand zijn uitgeschakeld. Zonder De Witts leiding begon het bestuur van Holland in rap tempo te desintegreren. Er kwamen bijvoorbeeld slecht doordachte vredesvoorstellen namens de Hollanders. Lodewijk en Louvois genoten ervan de voorstellen af te wijzen en tot het absurde te vergroten. Zo zeker van de overwinning waren ze, dat ze vooral benieuwd waren hoe ver ze konden gaan in het verzwaren van het eisenpakket.

Dit speelde begin juli 1672. Lodewijk realiseerde zich niet dat het speelkwartier voorbij was. In Den Haag had De Witt het veld geruimd en Willem III, stadhouder en legeraanvoerder, bleek buitengewoon bedreven in het optuigen van een verticale gezagstructuur die geheel was toegesneden op het voeren van oorlog. De Hollandse voorstellen die de Zonnekoning had weggehoond waren niet de eerste in een lange reeks van vernederende toenaderingspogingen, het waren de aller laatste. Willem III nam de teugels in handen en kon dat alleen maar doen omdat tegen die tijd de waterlinie een feit was. 

Het was in de waterlinie, op het kleine fort Nieuwerbrug dat aan de Rijndijk was gespiest, dat Willem een ontmoeting had met twee afgevaardigden van de vijand. Ze deden hun best hun aanbod aan Willem verleidelijk te laten klinken. De prins zou de heerschappij, dus ‘de soevereiniteit’, krijgen over een nog nader te bepalen rompstaat. De soevereiniteit was in zeventiende-eeuwse termen de macht die ook koningen hadden, een competentie die Willem in de Republiek aan de Staten van Holland en de Staten-Generaal moest laten. Wat men hem voorhield was kortom een soort titulaire promotie. Maar de Republiek zou worden misvormd, geamputeerd, opgesneden. Wat moest Willem met de soevereiniteit over een verminkt oorlogsslachtoffer? Daarom weigerde hij het aanbod. Maar Hoogheid, wierpen de onderhandelaars tegen, kijkt u om u heen: al dit water zal in de winter bevriezen en dan zullen de soldaten er overheen marcheren en alsnog veroveren waar ze deze zomer niet aan toe zijn gekomen. Willem heeft de onderhandelaars teruggestuurd naar het kamp van Lodewijk, waarna het de Zonnekoning begon te dagen dat zijn flitsende aanval in een onvoorziene fase was beland, die van stilstand. Diezelfde maand nog toog hij huiswaarts.

undefined
Willem III, portret toegeschreven aan Godfrey Kneller (National Galleries Scotland)

De waterlinie is het schild geweest waarachter de Republiek zichzelf opnieuw heeft kunnen uitvinden. Het gaf de onervaren prins Willem de benodigde adempauze om de vaardigheden op te doen die nodig waren voor het succesvol voortzetten van de oorlog. Het leger moest vergroot, de belastingen moesten omhoog, de openbare orde in de steden moest hersteld, er moest kortom worden geregeerd. De muur van water had deze transformatie mogelijk gemaakt. Maar de waterlinie was nog meer, ze was ook de eierschaal om de nog onvolgroeide prins. Toen hij achter de waterlinie vandaan sprong eind 1673, en hij de schil doorbrak, was dat de geboorte van een diplomatieke alleskunner. In de veilige ruimte achter het water had hij een internationale coalitie gesmeed die een tweede front naar de Elzas bracht, die de druk van de Franse aanwezigheid in de Republiek dermate verlichtte dat Willem met het vergrote en versterkte Staatse leger in september succesvol een aanval op de vestingstad Naarden kon ondernemen. 

Achter de waterlinie, in de hogedrukpan van de oorlog, was een van de grootste politieke talenten uit de Nederlandse geschiedenis tot ontwikkeling gekomen. Zonder de keten van vijf ondergelopen polders had Willem een ander leven geleid, was de Republiek opgedeeld door de overwinnaars en had het heden er waarschijnlijk heel anders uitgezien. Dan had dit stuk niet alleen een andere inhoud gehad, maar was het misschien wel in het Frans gesteld geweest.

Luc Panhuysen
Zwolle 2016

 

Reacties

  1. anoniem

    mooi stukje geschiedenis weergegeven,dank

    13 september 2017

  2. anoniem

    Dick Rozendaal,voorheen anoniem.

    13 september 2017

  3. Redactie

    Leuk om te horen, bedankt! :-)

    18 september 2017

  4. anoniem

    Hallo Luc, Een voorvader van onze familie was Dijkgraaf van Schieland .Kolonel van de stadswacht Rotterdam en Burgemeester. alles in 1672. Ik zou graag jou verhaal in ons familie boek zien. Kan en mag dat ? Gr HvE Zwolle

    21 maart 2018

  5. Redactie

    @HvE Gaat het je om dit specifieke verhaal? Stuur dan even een mailtje naar redactie@geschiedenisvanzuidholland.nl. Voor andere vragen aan Luc raad ik je aan contact op te nemen via zijn eigen website.

    23 maart 2018

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.