Ooggetuigen van het Rampjaar

Marjolein Overmeer

De Republiek heeft het goed voor elkaar in de 17e eeuw. De handel floreert, evenals de kunsten en de wetenschap. Maar in het jaar 1672 verandert alles. De Republiek wordt van drie kanten aangevallen en alleen de waterlinie kan de vijand nog tegenhouden, met hulp van God en Oranje. Dit is het Rampjaar.

Petrus Valkenier, een jurist uit de 17e eeuw, vreest dat er een einde komt aan honderd jaar voorspoed: “Geen komeet heeft deze oorlog met rampen voorspeld, maar velen denken dat dit het sterfjaar van de Republiek zal zijn, zeker omdat het honderd jaar eerder Den Briel heeft ingenomen met Gods beschikking.” Het geloof in kometen en vallende sterren als voortekens van rampen zit diep bij Valkenier en zijn tijdgenoten.

Wat is er aan de hand in 1672? Uit kranten en brieven blijkt dat de mensen de dreiging van een oorlog al voelen aankomen. De Engelse ambassadeur heeft in februari Den Haag verlaten en rond dezelfde tijd bereiken de geruchten van een Franse mobilisatie de Nederlanden. Nu is de Republiek op haar hoede voor de Franse koning Lodewijk XIV en zijn expansiepolitiek, maar de Engelse koning Karel II is toch een sterke en betrouwbare bondgenoot? Helaas niet.

Aanval van drie kanten

Wat niemand heeft zien aankomen, gebeurt: eind maart valt Engeland een Nederlands handelsvloot aan en verklaart Karel II vervolgens de oorlog aan de Republiek. De verwarring is groot, en wordt nog veel groter als 6 april de oorlogsverklaring van Frankrijk volgt. Eind mei, als klap op de vuurpijl, sluiten de bisschoppen van Keulen en Münster zich aan bij de aanvallers. Wat nu?

Nog nooit eerder is de Republiek van drie zijden aangevallen. De Amsterdamse Lijsbet Ariaens schrijft angstig aan haar man overzee: “Hier beleven we een bedroefd tijdperk dat bij mijn moeders leven nog niet gebeurd is, want zo'n zware oorlog met Engelsen en de Fransen en ook nog de bisschop van Munster, zodat wij drie tegen ons hebben. Het schijnt voor mensenogen dat daar voor ons geen doorkomen is.”

De Franse koning Lodewijk XIV steekt de Rijn over (Bron: Collectie Rijksmuseum)

Voorbereidingen

Het leger van Lodewijk XIV is op dat moment het grootste en modernste van Europa. Met angst en beven zien de Nederlanders de toekomst tegemoet. Met twee oorlogsverklaringen op zak is het tijd voor actie. De vloot van de Republiek is up-to-date gehouden, maar dat is ten koste gegaan van het leger. Verdedigingswerken zijn verwaarloosd, soldaten hebben lang niet gevochten en niemand weet hoe groot het leger eigenlijk is. Kapiteins blijken meer soldaten te hebben opgegeven dan er daadwerkelijk zijn, om het overtollige soldij in hun eigen zak te steken volgens Godard van Reede. Deze 17-jarige jonkheer zonder militaire ervaring wordt benoemd tot kolonel in het Staatse leger. Hij schrijft zijn moeder dat er onder de geronselde soldaten maar een paar goede exemplaren zitten. De meesten zijn dronkenlappen.

In de Hollandse steden klinkt overal tromgeroffel van de ronselaars om het Staatse leger en de vloot van soldaten te voorzien. Ooggetuigen beschrijven hoe mannen zelfs uit hun huizen worden gesleept en gedwongen tot krijgsdienst. Burgemeesters krijgen de opdracht om hun schutterijen te oefenen en bijna 6000 schutters vertrekken naar Brabant en Limburg om de grensposten te verdedigen. De oorlogsvloot krijgt extra matrozen, afkomstig van de handelsschepen. Dit betekent het voorlopige einde van de visserij en een groot deel van de handel. Lijsbet Goskes is gevlucht naar Amsterdam, naast Maastricht de enige stad die op tijd in staat van verdediging is gebracht. Uit haar brief van 27 mei komt een triest beeld naar voren: Amsterdam is leeggelopen doordat de mannen naar de grensplaatsen en de oorlogsschepen zijn vertrokken. Verder ligt de nijverheid stil en zijn de winkels leeg.

Overlopen

De geruchtenmachine draait op volle toeren: op zee overvalt de vijand Nederlandse schepen en de legers komen dagelijks dichterbij. Hoewel iedereen denkt nog tijd te hebben om de verdedigingsposten te optimaliseren omdat Lodewijk eerst Maastricht zal gaan belegeren, laat de Franse koning deze stad onverwachts links liggen. Hij trekt gelijk door richting de IJsselsteden.

Een leger van 120.000 man marcheert 1 juni de Republiek binnen om vervolgens binnen twee weken het halve land te overspoelen. Grote stromen vluchtelingen komen op gang en de steden in het westen puilen al snel uit. Er is nog maar één alternatief om te voorkomen dat dit leger de belangrijkste provincie Holland inneemt en dat is de waterlinie.

Hoe heeft dit zo snel kunnen gebeuren? Geruchten over verraad klinken overal in de Republiek. Dit is niet zo gek, aangezien burgers de officieren en soldaten zien wegvluchten voordat er überhaupt slag is geleverd. De paniek onder de bevolking slaat om in regentenhaat.

In steden als Gouda, Rotterdam, Leiden en Delft komt het volk in opstand. Ze plunderen schuiten vol goederen die de regenten in allerijl uit hun buitenhuizen naar het westen hebben verscheept. In Gouda breken boze boeren op 27 juni de poorten open en trekken plunderend door de stad. De chaos is compleet en iedereen kijkt naar Willem III van Oranje. Zou hij het land nog kunnen redden? Hij krijgt het opperbevel van het leger en wordt in juli tot stadhouder benoemd.

Waterlinie is noodgreep

De boeren hebben alle reden om boos te zijn. Om de oprukkende legertroepen te stoppen, had de Staten-Generaal naar een noodoplossing gegrepen: een waterlinie. Van Muiden in het noorden tot aan Woudrichem in het zuiden worden de sluizen open gezet, de dijken doorgestoken en stoppen molens met droogmalen.

Het resultaat is een lange grens van onder water staande polders die Holland moet beschermen. Niet eerder was deze inundatie op zo'n grote schaal in werking gezet en er bestaan ook geen kaarten uit die tijd van dit plan. Er is namelijk geen plan, het is een grote gok. Langs de waterlinie moeten enkele militaire posten de doorgaande weg verdedigen. In het zuiden van Holland zijn dat Gorinchem, Schoonhoven en Nieuwerbrug bij Bodegraven, waar Willem III zijn hoofdkwartier inricht.

Hoofdkwartier van prins Willem bij Bodegraven.

Na een moeilijke start, want door droogte en sabotage van boze boeren duurt het onder water lopen van de polders langer dan verwacht, blijkt de waterlinie te werken. Het stopt net op tijd de oprukkende Franse troepen, die vervolgens plunderend door het reeds veroverde gebied trekken. Ze nemen de boeren hun vee af, roven de verlaten huizen leeg en vergrijpen zich aan de vrouwen. Deze plundertochten hebben tot doel de Hollanders schrik aan te jagen, zodat ze geen weerstand zullen bieden wanneer de waterlinie wordt bedwongen. Dat de schrik er inderdaad goed inzit blijkt wel uit de mening van tijdgenoten over de Franse soldaten: ze zouden moorddadiger zijn dan de IJzeren hertog van Alva...

De winter komt

Willem III is Hollands hoop in bange dagen, ook al heeft hij met zijn 22 jaar niet veel militaire ervaring. Hij traint zijn kleine leger opdat ze terugvechten in plaats van wegrennen als de eerste kogels worden afgevuurd. Laf gedrag op het slagveld straft Willem af met de doodstraf. Maar ook al zouden Willems soldaten banger zijn voor hem dan voor de Fransen, ze zijn nog steeds ver in de minderheid. Wanneer de winter valt, houdt iedereen de temperatuur met angst en beven in de gaten.

De geruchten gaan dat de Fransen al volop schaatsen en sledes aan het slijpen zijn, om aan te kunnen vallen over het ijs. Margareta Turnor, de gevluchte kasteelvrouwe van Amerongen schrijft: “Vriezend weer doet de bevolking slecht slapen vanwege de waterlinie... Aangekondigd is dat alle burgers zich gereed moeten houden met bijlen en andere wapens, mocht het er toe komen.”

Willem in 1670 (Collectie: Rijksmuseum)

Utrecht en Woerden zijn door de Fransen bezet (de inwoners vergapen zich aan de mode van de Fransen, volgens een tijdgenoot) en hier liggen de troepen onder bevel van generaal Luxembourg. Na een paar nachten van strenge vorst, ziet hij met de kerst zijn kans. Hij wil via het ijs van de dicht gevroren waterlinie naar het westen trekken. Eerst via Leiden en dan uiteindelijk bestuurscentrum Den Haag innemen. De informatie over de grootte van de troepen verschilt. Een Franse intendant in Utrecht schrijft dat Luxembourg vanuit Woerden is vertrokken met 7000 man infanterie, 900 paarden en 300 ruiters om in Zwammerdam de vijand aan te vallen en vandaar het Staatse leger bij Bodegraven aan te vallen. Het zit Luxembourg alleen niet mee. Vlak voor zijn vertrek slaat het weer om, maar hij negeert de natte sneeuw en gaat 's avonds op weg.

Moord en brand

Al snel blijkt dat het ijs niet sterk genoeg is. Om over de open plekken te komen moeten de soldaten houten planken uit de huizen in de omgeving slopen om bruggen van te maken. In het donker zakken soldaten door het ijs en wie in dieper water terecht komt, verdrinkt. Na een lange nacht zwoegen komt het leger 's middags verkleumd aan in het haastig verlaten Zwammerdam.

De meeste stedelingen en boeren uit de omgeving zijn op de vlucht geslagen, even als de aanwezige soldaten van het Staatse leger. Wie er nog is wordt vermoord. De soldaten plunderen het dorp en steken het daarna in de brand. De heer Hop, gedeputeerde van de Staten-Generaal, zag de “jammerlijke toestand van Zwammerdam dat tot wel twee derde is verbrand waarvan alleen de kerk en nog enige goede huizen zijn overgebleven.”

De vluchtelingen haasten zich richting Alphen aan de Rijn en Leiden, de troepen vooruit. Een ooggetuige uit Bodegraven vertelt dat hij er 's ochtends achterkomt dat de vijand op drie plaatsen is doorgebroken. Met zijn gezin en hun snel bij elkaar gepakte spullen vaart hij door het opengebroken ijs.

Ze komen in het gevecht terecht en vluchten een andere kant op, hun spullen en de andere bootjes met vluchtelingen achterlatend. Ondertussen ziet hij hoe Franse soldaten een vrouw en haar vier kinderen aan land trekken, bont en blauw slaan en haar kleding afrukken.

De Fransen hebben weinig tegenstand van het Staatse leger te verduren. Niet alleen soldaten maar ook enkele aanvoerders slaan in paniek op de vlucht bij het naderen van Luxembourg en zijn troepen. Een moedig boerenlegertje uit Nieuwkoop maakt het de Fransen nog lastig onderweg, maar de grootste tegenstander zal de dooi zijn.

Na Zwammerdam trekt Luxembourg door naar Bodegraven, dat ook verlaten is door het Staatse leger. Na bijna een dag van ploeteren en plunderen slaat Luxembourg hier zijn kamp op. Wanneer hij twee dagen later door wil trekken naar Alphen, heeft de dooi verder doorgezet. Zijn verkenners melden dat de doortocht naar het westen is afgesloten door de waterlinie.

Luxembourg en zijn troepen laten hun frustraties los op Bodegraven en verder op boerderijen, molens en buitenhuizen die ze tegenkomen op hun terugtocht naar Utrecht. Soldaten vermoorden de bewoners die nog aanwezig zijn, plunderen de het dorp en branden haar bijna geheel plat. Volgens een ooggetuige, genaamd Costerus, was de aanblik na deze ravage om te huilen. “Men zag niets anders als puinhopen, de instrumenten om het land droog te houden zoals molens en sluizen vernield, weilanden onder water en een buitenhuis veranderd in een nare woestijn.”

Wreedheden in een dorp, 1672, een prent van Romeyn de Hooghe, 1673 (Collectie: Rijksmuseum)

De mythe gaat dat Willem III, eenmaal aangekomen in het geblakerde Zwammerdam, een huilende peuter uit de smeulende ruïnes vist en beveelt dat het weesje ergens anders een goede opvoeding dient te krijgen. Dit verhaal levert hem het predicaat zorgzame vader van de Republiek op. Zelf helpt Willem III de publieke opinie een handje door onmiddellijk pamfletten te laten drukken over de Franse gruweldaden in Zwammerdam en Bodegraven. De pamfletten verspreiden zich snel en tot buiten de landsgrenzen en internationaal is de verontwaardiging groot. Zelfs vanuit Frankrijk.

Het einde

De vorst die maar niet doorzet, zieke soldaten in dat moerassige Holland: het zit de Fransen niet mee. Lodewijk is al lang weer teruggekeerd naar Parijs maar eind 1673 trekt hij ook zijn troepen terug uit de Republiek. Het duurt nog tot 1678 tot de vrede definitief getekend is. In de tussenliggende jaren versterken de Staten van Holland snel de steunpunten langs de waterlinie, waarvan de schans bij Nieuwkoop nog lang bekend zou staan als 'schans al te laat'.

Steden als Nieuwpoort en Schoonhoven worden onneembare vestingen met hoge wallen en bastions. Het merendeel is alleen niet meer gebruikt na de rampzalige aanval op de Republiek en na het instellen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 1815 verliezen ze hun militaire functie. De vestingen die er nu nog staan zijn de stille getuigen van het Rampjaar, de enige keer in onze geschiedenis dat de waterlinie succesvol de vijand buiten de deur wist te houden.

Over de auteur

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden
Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.