Kinderuitzendingen in de Hongerwinter

Caroline Nieuwendijk

In de Hongerwinter van 1945 zijn naar schatting zo’n 50.000 kinderen uit de steden in het westen uitgezonden naar het oosten en noorden van Nederland. Het uitzenden kende al een lange traditie; sinds het einde van de negentiende eeuw werden er al kinderen uitgezonden naar het platteland of de zee om aan te sterken. Deze keer was de reden tot kinderuitzending, een hele acute; er heerste hongersnood in het westen van Nederland.

Door de spoorwegstaking, die op 17 september was ingegaan, verslechterde de voedselsituatie in de steden in het westen van Nederland. Eind 1944 was het duidelijk dat er vergaande maatregelen getroffen moesten worden. In december 1944 vroeg S.L. Louwes van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd aan de kerken om zich voor de voedselvoorziening in te zetten. De kerken waren niet politiek actief en waren hierdoor voor zowel de Nederlanders als de Duitsers een acceptabele partner.

Op 11 december 1944 ging Seyss-Inquart akkoord met de hulp van de kerken op het gebied van voedsel en uitzending van kinderen. Hiervoor werd het ‘Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending’ (IKB) opgericht. Naast het Centrale IKB in Den Haag richtte elke stad haar eigen afdeling op.

Het doel van de IKB was kinderen uit de steden in het westen naar het oosten en het noorden van het land te zenden en om op de terugweg voedsel naar het westen te brengen. Het feit dat de organisatie uitging van de kerken, bevestigde het prestige van de kerk en niet dat van een bepaalde kerk. Het geld dat al deze transporten voor kinderen en voedsel kostte werd bijeen gebracht door de (collectes in) de kerken maar met name door bedrijven.

Medische keuring
De IKB sprak af dat er uitsluitend gehandeld diende te worden op medisch-sociale indicatie. Dus werden alle kinderen die in aanmerking kwamen voor noodvoedsel of voor uitzending medisch gekeurd door een schoolarts. De schoolarts deelde de kinderen in in vier klassen. Alleen de eerste twee klassen kwamen in aanmerking voor voedsel of uitzending. Zat een kind in die hoogste klasse, dan was er sprake van minimaal 20% ondervoeding. Een sociale indicatie, bijvoorbeeld een werkeloze of een afwezige vader, leidde tot plaatsing in een hogere klasse. Als het kind het gastgezin tot last kon zijn door bijvoorbeeld het hebben van een besmettelijke ziekte of bedplassen, dan mocht het kind niet uitgezonden worden. Het kwam dan wel in aanmerking voor noodvoedsel.

Naar het pleegadres
De bedoeling was dat de ouders een adres aan het IKB gaven, waar het kind naar toe kon worden gebracht. Sommige ouders gaven het adres op van het pleeggezin waar het kind in één van de vorige zomers al was geweest. In veel steden werden namelijk al langer kinderuitzendingen georganiseerd. Vaak ging het om initiatieven van gegoede burgers die zich het lot aantrokken van bleke en zwakke arbeiderskinderen. Sommige steden beschikten zelfs over eigen "koloniehuizen" waar kinderen in de zomer konden aansterken.

Ouders zonder connecties met een pleeggezin gaven vaak het adres van een familielid, vriend of kennis op. Veel ouders hadden echter geen adres maar wel een ondervoed kind. Het IKB probeerde dan ook via het eigen netwerk van de kerken aan adressen te komen waar kinderen konden worden ondergebracht. Dit was vooral voor de Rooms-katholieken moeilijk omdat er weinig geloofsgenoten in het noorden van Nederland wonen.

Het ontbreken van adressen bij het IKB leidde er vaak toe dat de kinderen door iemand van het pleeggezin in het plaatselijk café of de school konden worden afgehaald. Voordeel van deze methode was dat degene die een kind kwam halen een kind kon kiezen dat paste bij het pleeggezin. Dus van de gewenste leeftijd of van het gewenste geslacht. Nadeel was dat de kinderen die er (door omstandigheden) slecht uitzagen, lang overbleven.

Administratie
Het organiseren van een kinderuitzending bracht veel administratie met zich mee. De praktische organisatie van een nooduitzending was grotendeels hetzelfde als die van de kinderuitzendingen in of voor de oorlog. De kinderen die zich melden, moesten geregistreerd, opgeroepen en daarna geselecteerd worden door een medische keuring door een schoolarts.

Het transport van de kinderen en de daarbij horende begeleiding moest worden geregeld en de adressen van de pleegouders worden geregistreerd. Ook zou er een administratie van oproepkaarten, keuringskaarten en labels moeten worden opgezet. Verenigingen die zich al voor de oorlog bezighielden met kinderuitzendingen waren uiteraard goed bekend met dit soort praktische zaken. In sommige steden werd de organisatie daarom voor een deel door mensen gedaan die de reguliere uitzending van kinderen in of voor de oorlog regelde.

Belangrijk voor de administratie was ook de kerkelijke gezindte van een kind. De gezindten van de uitgezonden kinderen dienden een afspiegeling te zijn van de bevolking van een stad. Het was een initiatief van de kerken samen, het kon niet zo zijn, dat een bepaald geloof werd voorgetrokken. Het registreren van het geloof van het kind had bovendien als voordeel dat het kind bij een gelijkgezind pleeggezin kon worden ondergebracht.

Meenemen
Aan de ouders van de kinderen werd gevraagd om de kinderen zoveel mogelijk kleding mee te geven en ze te voorzien van goed schoeisel. Want ook buiten de grote steden was er een tekort aan kleding en schoenen. Een bijna onmogelijke opgave voor de ouders, want er was niet aan kleding of schoenen te komen. Verder moesten de kinderen een deken, een mok, een bord, vork, mes en lepel meenemen. Soms moesten de kinderen eten voor onderweg meenemen. Geen slim idee want de hongerige kinderen hadden binnen korte tijd het beetje eten, dat ze meekregen, opgegeten. Meestal werd er door de organisatie eten meegenomen of werd onderweg eten geregeld.

Transport met de vrachtwagen naar het oosten
Degene die met een (vracht)auto weg ging, vertrok meestal pas na Sperrtijd. Vervoer over de weg was namelijk niet zonder risico, er werden geregeld voertuigen beschoten door de Geallieerden. Het was veiliger om in het donker te rijden. Meestal kon er niet op benzine worden gereden maar moest er houtgas worden gebruikt. Het rijdend materieel was ook vaak van slechte kwaliteit. Al deze omstandigheden zorgden ervoor dat een tocht naar het oosten heel langzaam ging. Pas in de vroege ochtend werd de bestemming bereikt.

Auto’s en vrachtauto’s waren er in alle maten en uitvoeringen. Soms konden er maar zeven kinderen mee, soms meer dan dertig. Over de weg ging de tocht naar het oosten van het land, naar Zwolle en dan verder. Een manier om veel kinderen tegelijk te transporten was per schip. Dat was niet makkelijk. Alleen schippers met schepen die een rol speelden in de voedselvoorziening hadden een ontheffing voor de Arbeitseinsatz en voeren nog.

Door het dichtvriezen van de binnenwateren was het vervoer over water van 23 december 1944 tot half februari 1945 (bijna) niet mogelijk. Bovendien was het meereizen met een schip tot eind februari verre van ideaal. De temperaturen waren laag en er lag ijs op het water. In maart verbeterden de omstandigheden; het reizen werd prettiger, op veel dagen was er zelfs een aangenaam zonnetje. Wel hadden de kinderen in maart een aantal weken langer met weinig voedsel moeten doen waardoor ze verder verzwakt waren dan de kinderen die eerder vertrokken.

De kinderen verbleven in het ruim van het schip waar stro was neergelegd, zodat ze het warm hadden en daar makkelijk konden zitten en slapen. Er was een schot neergezet, met een emmer erachter; dat was het toilet. De schepen vervoerden vijftig tot honderdvijftig kinderen en voeren naar het noorden. Ze staken het IJsselmeer over en brachten hun kinderen in Friesland, of soms verder weg in Groningen onder. De reis duurde lang, van een paar dagen tot ruim een week. Dit kwam door de ijsvorming in de waterwegen maar ook doordat het verkrijgen van de benodigde vergunningen om bijvoorbeeld het IJsselmeer over te steken lang duurde.

Het personeel van de spoorwegen was vanaf 17 september 1944 in staking, hierdoor reden er nauwelijks treinen. De treinen die nog reden, werden bemand door Duits personeel of spoorwegpersoneel dat Duitsgezind was. Het is bekend dat er een paar treinen met kinderen vanuit Rotterdam, Den Haag en Amsterdam zijn vertrokken. De Duitsgezinde NVD (Nederlandse Volks Dienst) had voor deze treinen gezorgd. Per trein konden er ongeveer zevenhonderdvijftig kinderen mee. Ze werden op Duitsgezinde pleegadressen ondergebracht.

"Wilde kinderen"
Naast de georganiseerde transporten van het IKB hebben ouders hun kinderen ook zelf op de fiets weggebracht of meegestuurd met anderen naar het oosten of noorden. Als de kinderen met de boot gingen dan kwamen ze in het noorden, in Groningen of Friesland, terecht. Vaker ging men op de fiets naar dorpen en steden ten oosten van Zwolle. Het voornaamste struikelblok daarbij was de IJsselbrug bij Zwolle, die gecontroleerd werd door Duitsers.

Vaak was het vader of moeder, die op een hongertocht zijn of haar kind meenam om het op een pleegadres achter te laten. Soms waren het ook kennissen, familie of buren die een kind wegbrachten. De kinderen fietsten soms zelf, maar vaker zaten ze achterop. De meeste kinderen gingen naar familie, kennissen of naar het pleegadres waar het een paar jaar eerder tijdens een uitzending was geweest. Ouders die geen adres hadden maar toch op weg gingen, probeerden op de bonnefooi onderweg een goed adres voor hun kind te vinden. De kinderen die niet via een organisatie waren uitgezonden, noemden het IKB ‘wilde kinderen’.

Het pleegadres
Vaak verbleven de uitgezonden kinderen op boerderijen. Maar ze konden ook zijn ondergebracht in een dorp of stad bij een winkelier of notaris. Soms was het erg druk op een pleegadres. Op boerderijen zaten ook wel eens onderduikers; dat waren vaak extra arbeidskrachten. Met de strijd om Limburg waren veel Limburgers geëvacueerd naar het noorden van het land. De kinderen gingen naar school en hielpen mee met huishoudelijke karweitjes of op de boerderij. Contact met hun ouders hadden ze via kaarten en brieven. De post stokte vanaf eind maart en kwam pas weer in mei op gang. Ouders en kinderen wisten dus wekenlang niets van elkaar.

Terug naar huis
Veel kinderen werden al in april bevrijd; veel eerder dan hun ouders in het westen van het land. Om naar huis te kunnen, moest eerst heel Nederland bevrijd zijn en de voedselsituatie in de eigen stad weer normaal zijn. Daarnaast was het transport een probleem. Veel materieel was meegenomen naar Duitsland of verkeerde in slechte toestand. Gelukkig boden de geallieerden aan om transporten te regelen. Het IKB zorgde ervoor dat alle kinderen weer naar huis konden, ook de “wilde kinderen”.

Vanaf half juni kwamen deze transporten op gang, de kinderen waren dus voor het nieuwe schooljaar weer thuis. De kinderen waren overigens niet de enigen die naar huis wilden. Mensen die waren ondergedoken, geëvacueerd, gevlucht, gedeserteerd of uit een kamp kwamen wilden ook graag naar huis. Het was een (inter)nationale stroom, voornamelijk van oost naar west, van mensen die terug naar huis gingen.

Zelf op zoek
Wie op zoek wil gaan naar zijn eigen uitzendgeschiedenis, kan op diverse plaatsen aan de slag. Het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) in Amsterdam heeft het archief van de Centrale IKB. Overigens was de rol van dit centrale bureau, door het gemis aan communicatie- en transportmiddelen, niet zo groot. Sommige IKB’s waren zelfs niet op de hoogte van de rol die het Centrale IKB zich had toegeëigend.

In het archief van de plaats van waaruit het transport is vertrokken kunnen nog notulen aanwezig zijn of andere stukken die iets verraden over de organisatie van het IKB. Lijsten met namen waarop staat wie met welk transport op welke datum is vertrokken zijn er hoogst waarschijnlijk niet. En als er lijsten zijn, dan is niet altijd duidelijk wanneer die zijn vertrokken of met welk vervoermiddel.

Ook in het archief van het IKB in de plaats waar het transport aankwam, dat is dus niet altijd de plaats waar het pleeggezin woonde, is misschien informatie te vinden. De informatie die in de archieven te vinden is, is vaak fragmentarisch. De meeste kindertransporten zijn niet meer op basis van archiefmateriaal te reconstrueren… Wie met een NVD-trein is meegereden heeft meer geluk. De archieven van de NVD zijn meestal goed bewaard gebleven in de steden van waaruit de treinen vertrokken, dus Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Ongetwijfeld is er ook bij het NIOD nog wat te vinden.

Over de auteur

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden
Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.