Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Historische boerderijen in Zuid-Holland

Door Frits van Ooststroom

Moderne boerderijen in Nederland hebben geen of nauwelijks streekeigen kenmerken. Of een boerderij in Gelderland staat of in Friesland, ze lijken op elkaar: een vrijstaand woonhuis, een grote schuur voor veestalling of oogstopslag en een schuur voor het rollend materieel. Bij historische boerderijen is dat anders. Elke streek had zijn eigen boerderijtype. Wie kent niet de Noord-Hollandse stolpboerderij met z’n piramidevormige dak, de kop-hals-rompboerderij in Friesland of de langgevelboerderijen in Noord-Brabant. De carrévormige boerderijen in Zuid-Limburg, gebouwd van het plaatselijk gewonnen mergel of opgetrokken met een skelet van eikenhout tot de schilderachtige vakwerkboerderijen, wijken sterk af van de boerderijen elders. 

Huisgroepen
De boerderijen in het noorden van het land worden gerekend tot de zogenoemde noordelijke huisgroep, die in Zuid-Limburg tot de zuidelijke huisgroep. Het zuidwesten van het land, Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden, kent ook een eigen boerderijtype. De boerderijen in de rest van Nederland, van Drenthe tot Noord-Limburg en van de Achterhoek tot Zuid-Holland, worden gerekend tot de hallehuisgroep. 

Het onderscheid tussen deze huisgroepen wordt vooral gevormd door een verschil in bouwkundige constructie en de daarmee samenhangende indeling en gebruik van de gebouwen. Er is een scheiding tussen woon- en werkgedeelte waarbij dat werkgedeelte is te verdelen in de veestalling, hooi- en oogstberging en de dorsvloer of deel. Per boerderijtype verschillen deze werkruimten in plaats en vorm. Door de tijd heen veranderde de bedrijfsvoering waardoor andere indelingen van het boerderijgebouw ontstonden en daarmee de verschillende streekvarianten.

undefined
Twentse boerderij in Vriezenveen (Collectie auteur)

Hallehuisboerderijen
De historische boerderijen in Zuid-Holland worden tot de hallehuisgroep gerekend, hoewel ze grote verschillen vertonen met de hallehuisboerderijen in het oosten van het land. Het hallehuis ontstond in de late middeleeuwen. Het boerderijgebouw had in principe een rechthoekige plattegrond. De bouwkundige constructie bestaat uit een reeks zogenoemde ankerbalkgebinten, die opgebouwd zijn uit verticale stijlen die het dak dragen met daartussen een iets verlaagde horizontale dwarsbalk die met de versmalde uiteinden door de stijlen steekt en daar met twee wiggen is verankerd (de ankerbalk). Samen vormen de gebinten een rechthoekige 'hal'.

De boerderij is door de stijlen van de gebinten in de lengte verdeeld in drie beuken, een hoge middenbeuk en twee lagere zijbeuken. Het gebouw wordt voor en achter afgesloten door gevels. Voorin de boerderij werd gewoond in de brede middenbeuk. Hier was ook een stookplaats, een schouw. In de lage zijbeuken waren slaapkamertjes en bergruimten. Achter een scheidingsmuur (de brandmuur) was het bedrijfsgedeelte. Op de brede middenbeuk of deel kon het graan gedorst worden, terwijl in de smallere en lagere zijbeuken het vee stond opgesteld en materialen en gereedschappen opgeslagen werden. Op de zolder boven de deel kon de oogst opgeslagen worden. Op de ankerbalk rust een zogenoemd juk dat eveneens het dak ondersteunt. Dat dak loopt schuin af naar de lage zijgevels, die nauwelijks of geen dragende functie hadden. Vanuit deze standaardvorm ontwikkelden zich in verschillende streken een groot aantal varianten die typerend zijn voor die streken. 

undefined
Schoorsteen boven de achtergevel van de stal in Vlist, in de Krimpenerwaard (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Het hallehuis in Zuid-Holland
In Zuid-Holland ten noorden van de Maas komen zeer diverse varianten voor die van het hallehuis zijn afgeleid. Die verschillen zijn te verklaren door beschikbaarheid van bouwmaterialen, bouwtechnische ontwikkelingen, verschillen in welvaart, traditie en wooneisen, maar ook statusoverwegingen en mode speelden een rol. Belangrijk voor de verschillen waren ook de bodemgesteldheid ter plaatse en de ontwikkeling van het landbouwbedrijf. 

De oorspronkelijke vorm van het hallehuis, zoals hierboven beschreven, is het best bewaard gebleven in het oosten van de provincie: de Krimpenerwaard en de Vijfheerenlanden. De brede deel en de grote inrijdeuren in de achtergevel zijn hier gehandhaafd. Ook in de buurt van Gouda bleef die brede deel, maar werden de inrijdeuren in de loop van de achttiende eeuw vervangen door een enkel deurtje omdat de deel alleen nog maar als voederplaats diende (voerdeeltype).

undefined
Interieur van een karnmolen, Delfland 

Boerderijen in de Waarden

De door rivierarmen omgeven gebieden in het oosten van de provincie worden samen de Waarden genoemd: Krimpenerwaard, Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Vanaf de zestiende eeuw was daar, naast de veehouderij, de hennepteelt van groot belang. Hennep werd gebruikt als grondstof voor touw en voor het maken van zeildoek voor de scheepvaart. De hennepakkers hadden zware bemesting nodig en daarom werd er veel vee gehouden. Dat leverde een hoge melkproductie die in de zomer werd verwerkt tot boter en kaas. Halverwege de negentiende eeuw nam de zeilvaart af en daarmee de vraag naar hennep. De boerenbedrijven schakelden over naar het pure zuivelbedrijf. Er kwamen grote melkkelders en kaaskamers. En er werden karnmolens gebouwd voor de boterbereiding. Om het zuivelgerei te reinigen – hygiëne was essentieel bij de bereiding van boter en kaas – werden boenhokken langs het water gebouwd.

In het voorhuis werd gewoond in de middenbeuk, terwijl de melkkelder zich in de zijbeuk bevond, binnen de rechthoekige plattegrond. Soms is dat voorhuis hoog opgetrokken, zodat de noklijn van het dak L- of T-vormig is. Een schilderachtige dakvorm zien we een enkele keer in het uiterste oostelijk deel van de Vijfheerenlanden (en verder in het Gelderse rivierengebied). Boven de achtergevel van de boerderij zit een groot dakoverstek. Hier konden wagens droog gestald en gelost worden en konden bij gemengde bedrijven akkerbouwproducten, zoals bonen, te drogen worden gehangen. ls we dat ook in andere delen van de provincie zullen zien, kreeg vooral in de achttiende eeuw het woon- en werkgedeelte een plaats in het achterhuis. De ongebruikte woonkamer in het voorhuis werd in de negentiende eeuw als kaaskamer ingericht. Daar lagen op stellingen de kazen te rijpen.

undefined
Dakoverstek bij boerderij in Oosterwijk bij Leerdam (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Zomerstal
In een strook in het uiterste oosten van de provincie, in de Vijfheerenlanden en bijvoorbeeld langs de Vlist en ten oosten van Gouda zien we soms ramen in de achtergevel en een schoorsteen. Dit wijst op het gebruik van het achterste deel van de stal als zomerwoning. Als de koeien in de wei stonden werd in het laatste gebintvak van de stal gewoond en gewerkt. We zullen een vergelijkbaar verschijnsel zien bij het gebruik van zomerhuizen in andere delen van de provincie. 

undefined
Zeventiende-eeuws zomerhuis met aangebouwde varkensschuur in Schipluiden 

Waterzolder en kameeldak
Vooral in de Alblasserwaard werden in de eerste helft van de negentiende eeuw voorzieningen getroffen om het waterbezwaar bij de veelvuldig voorkomende overstromingen het hoofd te bieden. Er kwamen zogenoemde waterzolders of waterstallen, waar het hooi bewaard werd en waar via een loopbrug – vaak gemaakt van uit de scharnieren genomen inrijdeuren – de koeien naar toe werden geleid in geval van overstroming. Deze dubbele stallen zijn nu bijna allemaal verdwenen, maar soms nog te herkennen aan de hoge schuur, met hooggeplaatste mestluiken. 

Ook in de voorgevel van de boerderij zien we soms een hooggeplaatste deur, de waterdeur, die toegang geeft tot de opkamer en die in geval van overstroming met een bootje bereikbaar was. In de Vijfheerenlanden ziet men nog wel een permanent verhoogd gedeelte in de schuur. Daar stonden de koeien altijd hoog en droog. De als gevolg van de waterzolders en de hooiopslag op niveau werden er zeer hoge schuren gebouwd die een kenmerkende dakvorm hebben gekregen. De hoge rieten kap is met een glooiing aangekapt aan de veel lagere kap van het woongedeelte. Dit wordt een kameeldak genoemd.
 
undefined
Boerderij met kameeldak in Groot-Ammers, in de Alblasserwaard (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Dwarsdeel
Op een bepaald moment ontstond in het westelijk deel van de Waarden de behoefte om het hooi niet in hooibergen, maar binnen het hoofdgebouw op te slaan. Een deel van de brede middenbeuk werd voor de hooiopslag bestemd. Hier werd het hooi vanaf de grond tot in de nok opgetast. Om met volgeladen hooiwagens naar binnen te kunnen rijden werd een dwarsdeel gecreëerd met inrijdeuren in de zijgevel. Die zijgevel was vaak maar laag zodat een opbouw in de vorm van een hoge kapel werd gemaakt. Soms werd de zijbeuk van de schuur afgebroken, zodat een hogere zijgevel ontstond met voldoende inrijhoogte. 

De toepassing van veel hout in de boerderijbouw is een van de kenmerken van de boerderijen in de Waarden. Een van de oorzaken daarvoor is de nabijheid van Dordrecht als de stapelplaats voor hout. Hout was beschikbaar en relatief goedkoop. Ook konden houten wanden in geval van overstroming gemakkelijk van een gat voorzien worden waardoor de waterdruk kon afnemen.

undefined
Boenhok bij boerderij in het Groene Hart

Boerderijen in Rijnland, Delfland en Schieland

Meer westelijk, in Rijnland, de streek rond Leiden, ontwikkelde zich in de zeventiende eeuw een nieuwe, meer efficiënte stalvorm. Het vee stond vastgebonden aan zogenoemde koestaken, in twee rijen met de koppen naar elkaar, ter weerszijden van een vrij smalle voergang. De achterpoten stonden op een brede houten plank of op een straatje van klinkers. De voorpoten stonden op een strook aarde of zand zodat bij het gaan liggen de knieën van de koe (het zijn eigenlijk de polsen) niet beschadigd zouden raken. Om die reden was de rij rechtopstaande stenen tussen de koestand en de voergoot aan de bovenzijde afgerond (knieboomstenen). Achter de koestand was een diepe goot om de mest en de gier op te vangen, de grup of groep. Achter de grup liep het bestrate kruipad waar de mest in een kruiwagen kon worden verzameld en afgevoerd via de mestdeurtjes in de achtergevel van de stal, naar de mestvaalt. Deze stalvorm verbeterde de hygiëne en er kon meer efficiënt gewerkt worden. Dat laatste was nodig om aan de toenemende vraag naar zuivelproducten vanuit de nabijgelegen steden te kunnen voldoen. Bovendien was door inklinking van het veen de streek natter geworden waardoor akkerbouw minder goed mogelijk was.

undefined
Koestand met koestaken, grup en kruipad, Delfland

Het staltype met grup en kruigangen, dat de Hollandse stal wordt genoemd, verspreidde zich over het westen en noorden van Zuid-Holland en werd uiteindelijk in grote delen van het land ingevoerd en gebruikt om pas in de vorige eeuw plaats te maken voor moderne stalvormen, zoals de ligboxenstal.

Krukhuis
Vanaf de zestiende eeuw werden de kelders van de boerderijen vergroot. Gewoonlijk gebeurde dat naar buiten toe. Zo kreeg de boerderij een L-vormige plattegrond, waarbij kelder en opkamer de korte poot van de L vormen. Dergelijke 'krukhuizen' treffen we vooral in het westen van de provincie, maar ze komen ook in de Waarden voor. Na de achttiende eeuw worden de plattegronden weer vooral rechthoekig (langhuizen). Wat opvalt is dat de keldervensters in het beschreven gebied altijd in de voorgevel zichtbaar zijn. In andere streken ligt de kelder vaak meer naar achter.

undefined
Krukhuisboerderij in Schipluiden (Delfland) met uitgebouwde melkkelder en opkamer

Dekbalkgebint
De kruipaden achter de koeien maakten het noodzakelijk om de lage zijgevels van het hallehuis te verhogen om voldoende stahoogte te verkrijgen. Omdat in de brede deel van het hallehuis niet meer werd gedorst, kon die deel versmald worden tot een voergang. Hierdoor ontstond een nieuwe gebintconstructie met van zijgevel tot zijgevel lopende balken die ter weerszijden van de voergang werden ondersteund door stijlen, de zogenoemde standvinken. Deze gebintvorm wordt dekbalkgebint genoemd. De stallen kregen al gauw een houten zoldering om de temperatuur in de stal op peil te kunnen houden. Op deze stalzolder was echter onvoldoende ventilatie om het hooi daar goed te kunnen bewaren. Zo kwamen er bij de boerderijen hooibergen. Het is opvallend dat die hooibergen in Rijnland en rond Gouda altijd achter de boerderij staan en in Delfland op het erf naast de boerderij.

undefined
Moderne hooiberg achter de stal bij boerderij in Leiden, voorheen Zoeterwoude (Rijnland) 

Een ander regionaal verschil is de gebruikte baksteen voor boerderijbouw. In Rijnland werd gebruik gemaakt van rode Leidse steen, gebakken van klei uit het Oude Rijngebied. In Delfland (en elders in de regio) werd gebouwd met zogenoemde ijsselsteen, een kleine baksteen gemaakt van klei gewonnen uit de uiterwaarden van de Hollandse IJssel. Doordat er in deze rivier getijdewerking is, bevat de klei veel kalk waardoor deze bij het bakken geel wordt. In de achttiende eeuw kwam ook in Delfland de rode Leidse steen in de mode. In de tweede helft van de negentiende eeuw volgde de waalformaat steen (rood of geel) zijn voorgangers op. 

Woonhuisontwikkeling
Vormde het voorhuis oorspronkelijk zowel de woon- als de werkruimte, met de specialisatie naar zuivelbereiding nam in zeventiende eeuw de behoefte aan een aparte werkruimte toe. Die werd gevonden in het eerste travee van de stal die al spoedig daar met een muur van werd afgescheiden. Deze ruimte wordt werkhuis of boenhoek genoemd. In de loop der tijd verhuisde ook het wonen naar het achterhuis. Vaak vond er in de boerderij een verhuizing plaats. ’s Winters woonde men in de winterkamer in het voorhuis en ’s zomers in de zomerkamer vlakbij de werkruimte en de buitendeur.

Ook de melkkelder moest groter worden om grotere volumes melk te kunnen laten opromen voor de productie van boter en (magere, Leidse) kaas. In Rijnland werden de ontstane grote opkamers wel gebruikt om de kaas te laten rijpen. In Delfland gebeurde dat vooral op schragentafels in de stal.

undefined
Melkkelder met plafond van moerbalken en kinderbintjes in Maasland (Delfland)

Afwijkende plattegronden
De ontwikkeling van de grupstal gebeurde in Delfland iets later dan in Rijnland, zodat in Delfland bij de oudste stenen boerderijen nog sporen van de oude situatie met lage zijgevels te vinden zijn. Door het verhuizen van meer functies naar het achterhuis moesten de stallen verlengd worden. Door plaatselijke omstandigheden gebeurde dat in de zeventiende eeuw in Delfland vaak ‘om de hoek’, zodat boerderijen een Z- of U-vormige plattegrond kregen.

Zomerhuizen
Hierboven werd al gesproken over de jaarlijkse verhuizing van winterkamer naar zomerkamer of naar de zomerstal. Meer ingrijpend was de verhuizing naar een speciaal daarvoor gebouwd zomerhuis. Daar woonde het boerengezin gedurende de tijd dat de koeien niet op stal stonden. Hier werd ook boter en kaas gemaakt. Vaak was een karnmolen aan de zomerhuis aangebouwd. Door het wonen en werken in het zomerhuis werd de boerin ontlast van het dagelijks onderhoud van de grote boerderij. Zij had het ’s zomers al druk genoeg met het boter- en kaasmaken, de groentetuin, het helpen met hooien, enz. Zomerhuizen worden in grote delen van het land aangetroffen. In Zuid-Holland vooral in Rijnland en op de Eilanden. Ze staan gewoonlijk naast de boerderij. In Delfland stonden de zomerhuizen vrijwel altijd vóór de boerderij. Toen de zuivelbereiding werd overgenomen door de zuivelfabrieken stonden deze zomerhuizen in de weg en werden afgebroken. Elders zijn ze nog volop aanwezig, vaak met een nieuwe functie.

undefined
Boerderij met aangebouwd zomerhuis in Oude-Tonge op Goeree-Overflakkee

Afweerkruisen
In Delfland en, in mindere mate, in Rijnland plaatsten katholieke boeren afweerkruisen boven de kelderluiken om daarmee de zuivel te beschermen tegen kwade invloeden: ‘Het kruis weert de duivel van melk en zuivel’ werd er wel gezegd. In de wijde omgeving van Delft worden aan het kruis vaak de letters IHS toegevoegd, de eerste letters van het Griekse woord voor Jezus.

undefined
Afweerkruisen boven de kelderluiken van een boerderij in De Lier (Delfland) 

Boerderijen op de Zuid-Hollandse eilanden

In de veenweidegebieden was vooral de melkveehouderij van belang, hoewel er ook gemengde bedrijven waren. Ten zuiden van de Nieuwe Maas, op de Zuid-Hollandse eilanden, domineerde de akkerbouw (maar werden ook koeien gehouden). Het beeld wordt bepaald door immense schuren en iets lagere, maar ook grote woonhuizen. Hooibergen komen hier niet (meer) voor.

Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werd er vooral graan verbouwd. Bij de bouw van boerderijen had dit tot gevolg dat er een grote opslagruimte voor de oogst moest komen, een grote dorsvloer, paardenstallen en opslagruimte voor gedorst graan. Die laatste opslagruimte werd gevonden door boven het woonhuis meerdere graanzolders te creëren. Terwijl in Zeeland in die tijd het woonhuis van de boerderij los kwam te staan van de schuur, liet men op de Zuid-Hollandse eilanden de driebeukige opzet van het woonhuis los en kwam dat meestal asymmetrisch voor de schuur te staan. Wel streefde men in de indeling van de voorgevel naar symmetrie, waaraan later de voordeur en de middengang ook bijdroegen.

undefined
Negentiende-eeuwse boerderij in Zuidland (Voorne Putten) met zijlangsdeel (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Men hield naast de akkerbouw ook koeien, maar vooral voor de fokkerij, het vlees en de mest. Het maken van kaas en boter speelde een kleinere rol. Melkkelders waren dan ook klein.

Ontwikkeling van de schuur
Mogelijk hebben de verschillende boerderijvormen op de Zuid-Hollandse eilanden zich ook ontwikkeld vanuit een driebeukig hallehuis, met ankerbalkgebinten en lage zijgevels, zoals dat op afbeeldingen uit de tweede helft van de zestiende eeuw te zien is. Woon- en bedrijfsgedeelte bevonden zich onder één, doorlopend dak. In de zijgevel zat een stel inrijdeuren onder een kapel. De koeien stonden tegenover de dwarsdeel of tegen de achtergevel. De oogst werd vanaf de grond opgetast in de middenbeuk. Op het eerste gezicht lijken deze oude schuren wel op die in de Alblasserwaard. Die hebben ook een dwarsindeling en zijn ook driebeukig. De Alblasserwaardse boerderijen zijn echter in een later stadium ontstaan uit een voorganger met een middenlangsdeel, terwijl dat op de eilanden niet het geval is. Zij vertonen wellicht verwantschap met de oudste Zeeuwse boerderijen.

undefined
Zaaddeur en zaadzolders op de verdieping van een boerderij in Vierpolders (Voorne) (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Zeer grote schuren
In de loop van de zestiende eeuw namen de oogstopbrengsten toe. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw was het, door import van hout met veel grotere afmetingen, mogelijk grotere en langere schuren te bouwen zodat er meer oogst opgeslagen kon worden. De zijgevels werden hoger en in de loop van de achttiende eeuw kwam er een zijlangsdeel in een van de zijbeuken, zodat de middenbeuk beter bereikbaar werd voor de oogstopslag. Die zijlangsdeel werd een doorrit toen ook aan de andere kant inrijdeuren werden gemaakt. Dat kon door versmalling van het woonhuis. Overigens bleven schuren met dwarsdelen nog tot in de negentiende eeuw voorkomen, vooral op Voorne-Putten en Overflakkee. 

Een volgende ontwikkeling was de verplaatsing van de langsdeel van de zijbeuk, naar de zijkant van de middenbeuk. Die middenbeuk moest daarvoor aanzienlijk worden vergroot. De zijbeuk werd nu koeienstal met de nieuwe deel als voergang. In de middenbeuk werden extra stijlen geplaatst ter ondersteuning van de lange gebintbalken. Zo ontstond in het midden van de negentiende eeuw de schuur met een vierbeukige indeling, soms zelfs met de inrijdeuren in de voorgevel van het boerderijgebouw. Deze schuren hebben formidabele afmetingen.

undefined
Negentiende-eeuwse boerderij in Klaaswaal (Hoeksche Waard) met inrijdeuren in de voorgevel van de langsdeel in de middenbeuk (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Over de auteur
Frits van Ooststroom (1945) houdt zich sinds 1980 bezig met boerderijen en heeft historisch boerderijonderzoek gedaan voor een groot aantal te restaureren of te verbouwen boerderijen in Zuid-Holland. Hij is van oorsprong opgeleid tot industrieel ontwerper en was jarenlang ontwerpdocent aan de Technische Universiteit in Delft. In 1977 was hij medeoprichter van de Midden-Delfland Vereniging. 

undefined
IHS-teken boven kelderluik van een boerderij in Pijnacker (Delfland)

Foto's: Frits van Ooststroom, tenzij anders vermeld 

Literatuur

  • Harm Hoogendoorn en Lyanne de Laat, Boerderijen verhalen. Handleiding zelfstandig boerderijenonderzoek Zuid-Holland (2005)
  • Carlo Huijts e.a., Boerderijen in Zuid-Holland. Aquarellen van J. Verheul Dzn (1989)
  • Ben Kooij en Judith Toebast, Het grote boerderijen boek (2013)
  • Ellen van Olst, Landelijke bouwkunst Zuid-Holland (1994)
  • Thijs Pubben, Boerderijen. Nederland dichterbij (1996)

Reacties

  1. anoniem

    De foto met onderschrift 'Boerderij met aangebouwd zomerhuis in Oud-Beijerland (Hoeksche Waard)' is volgens mij niet van een boerderij uit Oud-Beijerland, maar van boerderij 'Bouwlust' (Oudelandsedijk 11) in Oude-Tonge (Overflakkee). BL

    04 oktober 2017

  2. anoniem

    ik denk dat de reactie van 4 oktober 2017, juist is men heeft vermoedelijk deze boerderij verward met de Johannahoeve in Oud-Beijerland, maar die heeft geen aangebouwd zomerhuis. Historische Vereniging Oud-Beijerland

    08 oktober 2017

  3. Redactie

    Klopt helemaal, het is nu aangepast. Dank voor de tip!

    10 oktober 2017

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.