Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Kom bij de club!

Over de opkomst van het verenigingsleven in Nederland

Door Ingrid van der Vlis

Geen ouderwets verenigingsmens? Je staat ervan versteld in hoeveel van dit soort verbanden je vrijwel ongemerkt verzeild bent geraakt. Lid van de ANWB, donateur van het Rode Kruis en in het weekend een balletje trappen bij de voetbalclub? Stuk voor stuk verenigingen die hun oorsprong vinden in de negentiende eeuw. Het verenigingswezen ontstaat aan-vankelijk om sociale misstanden tegen te gaan en ontwikkelt zich geleidelijk aan tot een plek voor vermaak en vertier.

De Grondwet van 1848 legt het recht op vereniging en vergadering vast, gevolgd door de Wet op de Vereniging van 22 april 1855. Die datum is niet het werkelijke begin. Er bestaan dan al talloze verenigingen en genootschappen, die vaak decennia- en soms eeuwenlang aan de weg timmeren. Het jaartal 1855 is vooral van belang voor de administratie. Het blijkt wel het startsein voor een hausse aan nieuwe verenigingen van divers pluimage. Wie na die datum een vereniging start en als rechtspersoon wil optreden, meldt zich bij de overheid. Bij Koninklijk Besluit worden de verenigingen vervolgens erkend.

Voor een onderzoek naar het negentiende-eeuwse verenigingsleven blijkt deze inschrijving een prachtige uitvalsbasis. Maar liefst 8984 verenigingen laten zich vanaf 1855 registeren. Een kwart hiervan – 2208 clubs – geeft aan van Zuid-Hollandse origine te zijn, al houdt dat vaak niet meer in dan dat een hoofdkantoor in Den Haag of Rotterdam is gevestigd. Hoe dan ook geven deze ruim 2200 verenigingen een beeld van hoe het clubleven zich van 1855 tot 1903 ontwikkelt.


undefined
Een beetje vereniging heeft een eigen vlag of vaandel. Hier te zien: vaandel van toneelvereniging Melpomene, met schildering van de Griekse muze Melpomene (Museum Rotterdam)

Duidelijk is dat maatschappelijk hulpbetoon aanvankelijk op nummer één staat. Burgers verenigen zich om hun betrokkenheid te kunnen uiten, over het algemeen voor problemen die nog niet door de overheid worden opgelost. De eerste Zuid-Hollandse club die erkenning aanvraagt is de Vereniging tot Instandhouding van een Gesticht voor Minder-jarige Idioten in Den Haag. Zorg voor kwetsbare groepen is nog voornamelijk een particuliere aangelegenheid. In daarop-volgende jaren vragen vergelijkbare clubs erkenning aan: onder andere een Vereeniging tot Wering der Bedelarij van Kinderen in Rotterdam en een club die ijvert voor een werkinrichting voor blinde mensen in diezelfde stad.

undefined
De ‘s-Gravenhaagse Vereniging Naar het Strand verzorgt uitstapjes voor bleekneusjes * , ca. 1900. (Haags Gemeentearchief, 1.50620)
* Bleekneusje is de term die gebruikt werd voor een kind dat door de gevolgen van armoede, ondervoeding, tuberculoseof andere gezondheidsproblemen in een zogenaamde vakantie- of gezondheidskolonie werd gehuisvest om lichamelijk aan te sterken en ook psychisch meer op krachten te komen

Deze laatste organisatie maakt zich sterk voor erkenning van de noodzakelijke zorg voor blinde en slechtziende personen. Lange tijd zijn er voor hen geen speciale voorzieningen, pas rond 1800 ontstaan de eerste instituten voor blinde personen. Blinde mensen zijn tot die tijd meestal aangewezen op armenzorg. Aan het eind van de negentiende eeuw nemen steeds minder visueel gehandicapte mensen genoegen met deze lijdzaamheid. De blinde Hagenaar Gualtherus Johannes Kolff verricht pionierswerk door een groot aantal brailleboeken te verzamelen. Als de collectie in 1894 uit 1400 banden bestaat, verandert hij zijn eigen bibliotheek in de Vereniging Nederlandse Blindenbibliotheek. De vereniging wenst de intellectuele belangen van blinde mensen te bevorderen. Ook maatschappelijk blijkt er nog veel werk te verrichten. Een jaar later wordt daarom de Nederlandschen Blindenbond opgericht, als belangenorganisatie voor alle blinde personen in het land. De jaarlijkse Bondsdagen moeten veel slechtziende mensen uit hun isolement halen.

Voor of juist tégen
Verenigingen hebben in deze jaren een duidelijk doel. De leden willen misstanden aan de kaak stellen of misdeelden helpen. Het merendeel van de clubs is opbouwend van aard, ze willen iets tot stand brengen, maar ook zogenaamde ‘afschaffers’ verenigen zich. Zij stellen zich teweer tegen zaken die zij als misstanden beschouwen, zoals alcoholmisbruik, kwakzalverij en prostitutie. De Nederlandse Middernachtzending voert actie voor dit laatste doel. Leden vatten post bij bordelen om hun standpunten kenbaar te maken. Dat dit niet altijd zonder tegenreacties ging, blijkt wel uit hun verenigingslied:

Met water werden wij begoten,
Met flesschen naar het hoofd gegooid,
We kregen slagen, stompen, stooten,
Toch heeft de booze ons niet verstrooid.

Eén heeft men ’t goed van ’t lijf gereten,
Den rand een ander van zijn hoed,
Eén werd ter aarde neêrgesmeten,
Maar het vernieuwde onzen moed.

De schimpscheuten nemen de leden voor lief, al is het maar omdat hun acties effect lijken te sorteren. In 1911 wordt de Zedelijkheidswet ingevoerd, waardoor het bordeelverbod een feit is.

undefined
De Grote Markt in Den Haag, gezien naar de Schoolstraat. Rechts staat een kiosk van afschaffers bij uitstek: de Christelijke Geheelonthouders Vereniging, ca. 1907. (Haags Gemeentearchief, 0.24443)

Belangenbehartiging
Op de lijst komen ook opnieuw uitgevonden organisaties voor, zoals verenigingen voor vaklieden of specialisten. Het zijn opvolgers van de al sinds de dertiende eeuw bestaande gilden, die echter in 1798 werden afgeschaft. Het aanbod varieert van een Vereeniging tot Ondersteuning van Behoeftige Visschers en Hunne Nagelaten Betrekkingen in Katwijk (1862) tot de Arbeidersvereeniging Eendracht maakt Macht uit Helle-voetsluis (1873) en van Bloemisten- en Warmoezeniers-vereeniging Flora en Pomona in Den Haag (1876) tot Machinerie-Werkliedenvereeniging Vriendentrouw in Rotter-dam (1879). Onderlinge hulp kan een drijfveer voor zo’n vereniging zijn, zoals bij de Katwijker vissers, evenals gezamenlijke belangenbehartiging.

Dat laatste geldt niet alleen voor beroepsbeoefenaars. In 1885 vraagt de Algemeen Nederlandsche Wielrijdersbond erkenning aan. Twee jaar eerder hebben leden van de Haagse en Haarlemse Vélocipède Club de koppen bij elkaar gestoken. Burgers die over een – dure – fiets beschikken proberen zo het vélocipède rijden naar een hoger plan te tillen. Hardrijden op de fiets hoort daar al snel niet meer bij; dat leidt maar tot ongeregelde toestanden met gokwedstrijden, drank en veel lawaai. De fiets komt rond 1900 binnen bereik van iedere beurs, en verliest daarmee zijn exclusiviteit. De meeste lokale wielrijdersclubs verdwijnen. Burgers stappen geleidelijk aan over op een ander statussymbool: de auto. De ANWB volgt deze trend, en met succes

In het laatste kwart van de negentiende eeuw komt er in verenigingsland een nieuw onderscheid bij. Gelijkgestemden en vaklieden blijven zich organiseren, maar dan in protestants-christelijk, katholiek of socialistisch verband. De verzuiling wint terrein, aanvankelijk vooral zichtbaar in de diverse politieke partijen. De gereformeerde Anti-Revolutionaire Partij (1879) van Abraham Kuyper is de eerste, gevolgd door de Liberale Unie (1885) en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (1894). Zodra deze partijen eenmaal gevestigd zijn, dringt de verzuiling ook door in allerhande andere verenigingen. Bij clubs die zich na 1880 inschrijven staat steevast vermeld of het een katholieke, gereformeerde, christelijke of ‘algemene’ vereniging is.

undefinedEen bevrijdingsoptocht in 1945. Er zijn vaandels te zien van onder meer de Nederlands Christelijke Esperanto Vereeniging, Gereformeerde Zangvereeniging Harpe Davids uit Scheveningen en Meisjesvereniging op Gereformeerde Grondslag Osanna in Excelsior uit Voorburg. (Nationaal Archief, Fotocollectie Anefo, foto Marius Meijboom)

De verzuilde verenigingen houden zich rond 1900 voornamelijk bezig met verheffing van de eigen leden. Verschillende kerkgenootschappen bouwen een heel stelsel op van meisjes-, jongens-, mannen- en vrouwenverenigingen. De activiteiten zijn vrijwel overal gelijk en bestaan grotendeels uit lezingen, wandelen en discussiëren. Maar de ideologische saus die eroverheen gegoten wordt, is afgestemd op de eigen zuil. Er zijn leesbibliotheken met zorgvuldig uitgekozen boeken, lezingen gaan slechts over gepaste onderwerpen en bij de zangkoren komen alleen op de doelgroep toegespitste liederen aan bod.

Ontspanning Door Inspanning
ODI is ook nu nog een veel voorkomende naam, vaak van clubs die al een lange geschiedenis kennen. Rond 1900 wint het idee terrein dat ontspanning goed is voor de mens én krijgen Nederlanders meer vrije tijd door arbeidsduur-verkorting. Bedrijven en fabrieken richten allerlei verenigingen op, waar hun personeel in die vrijgekomen uren terechtkan. Postbedrijf PTT bijvoorbeeld richt in 1900 de Haagse PTT-fanfare op. Arbeiders kan zo op bescheiden schaal beschaving worden bijgebracht. Als ze naar de vereniging gaan, spenderen ze die tijd tenminste niet in de kroeg. Het ook in 1900 opgerichte Dordrechtsch Mannenkoor ‘Kunst na Arbeid’ laat aan duidelijkheid evenmin te raden over. Het werk gaat voor het meisje.

undefined
Fanfaregezelschap Crescendo Loosduinen, opgericht op 1 november 1898 en koninklijk goedgekeurd op 6 februari 1901. (Haags Gemeentearchief, 5.23363)

Een ontwikkeling waar bedrijven en fabrieken minder invloed op hebben, is de groei van het aantal sportverenigingen. Het zijn aanvankelijk jonge rijke mannen die zich hiermee bezighouden. Rugby, tennis en voetbal waaien over uit Engeland. Alleen al de namen van de oudste clubs verraden het elitaire gedachtengoed van die eerste leden. Helden uit de Griekse Oudheid als Ajax, Hercules en Sparta passen goed bij jongemannen die een hoge opleiding genieten. Het zijn dan ook vooral de studentensteden waar de eerste sportclubs ontstaan. De Technische Hogeschool in Delft bijvoorbeeld zorgt alleen al voor onder meer de Delftsche Studenten Scherm-, Gymnastiek- en Atletiekvereeniging Odin, de Delftsche Studenten Roeivereeniging Laga en de Delftsche Studenten Rugby-Club.

 undefined
Leden van de Delftse gymnastiekvereniging Odin omstreeks 1900, met v.l.n.r. De Quant, Bosscha, Kloppenburg, Drost en Kniphorst. (Stadsarchief Delft, foto Henri de Louw)

Niet alleen in het Delftse mannenbolwerk zijn het vooral jongemannen die zich aan sport wijden, dat is vrijwel overal het geval. Vrouwen moeten moeite doen om hun eigen verenigingen van de grond te krijgen. Eigenlijk alleen gymnastiek kan de toets der kritiek doorstaan, andere sporten zijn ongepast omdat er te veel lichamelijk contact is of omdat ze te ruw zijn. De Rotterdamse voetbalclub Sparta heeft dan al we snel een dameselftal, maar dit mag in 1896 niet uitkomen tegen de English Ladies Footballclub uit Londen. De Nederlandsche Voetbalbond verbiedt het omdat deze sport niets voor dames is. Een commentator voegt daaraan toe: ‘Hardlopende vrouwen en voetbalsters vormen een weinig verheffende aanblik.’ De dames hebben dan nog een lange weg te gaan; pas in 1972 erkent de KNVB het bestaan van vrouwenvoetbal.

Naast de onstuimige groei van de sportclubs rond 1900 blijkt er ook animo genoeg voor culturele verenigingen. In vrijwel iedere stad groeit het aanbod van toneelverenigingen, rederijkersgezelschappen, blaasorkesten en zangkoren. Alleen al uit de namen blijkt dat ontspanning en gezelligheid inmiddels belangrijke doelstellingen van de clubs zijn. Sliedrechts Liefhebberijtoneelgezelschap Excelsior (1884), de Vriendenbond uit Den Haag (1893) en Ons Genoegen uit Rotterdam (1901) bieden tegenwicht aan meer traditionele namen als Toneelvereeniging Nut en Broederband uit Den Haag (1889), Eendracht maakt Macht uit Rotterdam (1892) en de Rotterdamsche Toneelvereeniging Uitspanning na Arbeid (1894).

undefined
Opvoering van het toneelstuk ‘De Wiskunstenaar’ door de Amsterdamse Studenten Toneelvereniging, 1923. (Nationaal Archief, Fotocollectie Elsevier, foto N.V. Vereenigde Fotobureaux)

Verenigingsmoeheid
De trend van ‘nut’ naar ‘vermaak’ zet door in de twintigste eeuw. De hausse aan nieuwe verenigingen vlakt geleidelijk aan af, er verdwijnen ook af en toe clubs: omdat er geen interesse voor is of omdat de overheid de maatschappelijke taak inmiddels heeft overgenomen. Denk aan de Middernacht-zending en iets als de Vereniging tot Instandhouding van een Gesticht voor Minderjarige Idioten. Vooral in de sociale zorg neemt de overheid taken over. Lange tijd is het bijvoorbeeld noodzakelijk om voor wijkverpleging lid te worden van een kruisvereniging: het Groen-Oranje Kruis voor protestanten, het Wit-Gele Kruis voor katholieken of het Groene Kruis voor neutralen. Ook het samengaan van voorheen verzuilde clubs leidt tot een slinkend aantal. Omgekeerd zijn er verenigingen die zo groot en succesvol worden dat ze nauwelijks meer als club herkenbaar zijn. De vakbonden, woningbouwverenigingen en liefdadigheidsorganisaties bestaan over het algemeen nog steeds, evenals de omroepverenigingen. Veel van deze verenigingen zijn echter omgezet in stichtingen, met grote kantoren en organisaties. De leden krijgen nog wel maandelijks een blaadje in de bus, maar het actief meedoen is minder gewenst en ook minder noodzakelijk. De belangen worden op andere niveaus behartigd, en ontspanning kan op andere plekken gevonden worden.

undefined
De Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in Spoor- en Tramwezen reist voor het 25-jarig bestaan met een ouderwetse open tramwagen naar het Kurhaus in Scheveningen, 1956. (Nationaal Archief, Fotocollectie Elsevier, foto Joop van Bilsen)

Het aantal verenigingen blijft over het algemeen nog wel groeien met een hoogtepunt in de jaren ’50. Vanaf ongeveer 1960 komt er geleidelijk aan de klad in. Sociologen constateren ‘verenigingsmoeheid’, zij gaan ervanuit dat nieuwe fenomenen als televisie, bioscopen en discotheken de concurrentieslag om de vrije tijd zullen winnen. Deze sombere voorspelling is te negatief gebleken. Ook nu zijn er nog tienduizenden clubs en verenigingen actief; Nederlanders zijn lid van vele organisaties. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft becijferd dat er tussen 1980 en 2005 weliswaar veel leden van traditionele clubs afhaakten. Daar staat tegenover dat in diezelfde periode de aanhang van organisaties voor natuur en milieu explosief is gestegen. Ook consumentenorganisaties en clubs voor internationale hulp en solidariteit zijn fors gegroeid. Het lijkt erop dat de originele doelstellingen van negentiende-eeuwse clubs aan een comeback bezig zijn. Eerst van nut naar vermaak, nu geleidelijk aan weer van vermaak naar nut.

Meer weten?
Huygens ING biedt op internet drie databases aan met historische gegevens over het verenigingsleven in Nederland:

- Erkende verenigingen, 1855-1903 
- Verenigingen voor armenzorg en armoedepreventie in de negentiende eeuw 
- Sportbonden, sportclubs en sportperiodieken in Nederland tot 1940 

Over de auteur
Ingrid van der Vlis is historicus en werkt voor haar eigen Historisch Onderzoeksbureau Tijdelijk. Zij maakte over de geschiedenis van het verenigingsleven Onze club gaat nooit verloren (Scriptum). Verder schreef zij onder meer het tweede deel van de stadsgeschiedenis van Delft: Vooruit met veel verleden, geschiedenis van Delft vanaf 1795 (WBooks).

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.