Naar overzicht

Waarom we zo weinig weten over de IJzertijd in Zuid-Holland (maar meer dan je zou denken)

Evert van Ginkel
07 december 2021

In Zuid-Holland is niet één stukje ijzer uit de IJzertijd gevonden: geen bijl, geen zwaard, geen mes. Vroeger werd wel gedacht dat er überhaupt geen mensen in Zuid-Holland woonden in die periode. Nu weten we: de late prehistorie van het kust- en deltagebied is misschien niet opzienbarend, maar wel heel bijzonder. 

De vroegste geschiedenis van de provincie Zuid-Holland staat de laatste jaren behoorlijk in de belangstelling, niet alleen van de wetenschap maar ook van het publiek. Dat is te danken aan de inspanningen van gemeentelijke archeologen, van musea zoals het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, en zeker ook van de provincie zelf. Zo kan het niemand zijn ontgaan dat de vroegere Romeinse grens langs de (Oude) Rijn, door archeologen de Limes genoemd, sinds juli 2021 UNESCO-Werelderfgoed is geworden. Opgravingen van Romeinse vindplaatsen, zoals bij Den Haag en Valkenburg, zijn aan de orde van de dag en krijgen veel publiciteit. Dat geldt ook voor de jager-verzamelaars die duizenden jaren eerder rondliepen op de bodem van wat nu de Noordzee is, en van wie de werktuigen op de zandmotor bij Ter Heijde en op de Tweede Maasvlakte uit het opgespoten zand worden opgeraapt. Dit 'Doggerland’ is al bijna net zo’n bekende term als 'de Limes.’ De prehistorische periode die aan de komst van de Romeinen voorafgaat – de IJzertijd – geniet veel minder bekendheid, al is er een schat aan informatie over beschikbaar.

Boerenleven in de IJzertijd in het Maasmondgebied: een maquette van een boerderij met omliggend erf en veenlandschap, rond 500 v.Chr. (Maquette Werner Kannamüller, foto: Archeologie Rotterdam (BOOR)/Peter de Ruig)

Daar zijn wel oorzaken voor te bedenken. Er is weinig groots en meeslepends uit deze tijd gevonden, dat wil zeggen: geen resten van belangrijke gebouwen, geen schatten, geen aanwijzingen voor dramatische gebeurtenissen. De archeoloog Robert van Heeringen promoveerde in 1992 op de Zuid-Hollandse IJzertijd. Zijn conclusie was toen: `... een gebied dat gedurende een millennium een perifere positie innam ten opzichte van de toenmalige Midden- en Noord-Europese cultuurcentra. Hoewel steeds invloeden van buitenaf herkend konden worden, werd het kustgebied toch gekenmerkt door een samenleving die zijn bestaansbasis primair in de landbouw in het gebied zelf vond. Er zijn geen aanwijzingen voor een hogere structuur van de samenleving dan die welke een verspreide bewoning bestaande uit afzonderlijke boerderijen in stand hield.'

Dat klinkt niet erg opwindend. Is er in die dertig jaar iets veranderd aan onze inzichten over deze periode?

Eeuwenlang op eigen houtje

De IJzertijd is een belangrijk tijdvak geweest. Het beslaat de laatste acht eeuwen voor het begin van de jaartelling, een even lange tijd als die ons scheidt van de bouw van de Ridderzaal. Voor Noordwest- en Midden-Europa is het de tijd waarin de prehistorische maatschappij meer gestructureerd en meer gelaagd wordt. De `cultuurcentra’ uit het bovenstaande citaat ontstaan, en daar verschijnen machtige mannen en vrouwen ten tonele, die worden begraven in praalgraven met tot dan toe ongekende rijkdommen. Ze vormen de bovenlaag van de groepen die door zuidelijker levende volken als de Grieken en Romeinen met `Kelten’ worden aangeduid. Archeologen spreken vanaf de 19de eeuw over de 'Hallstatt'- en 'La-Tène' periode, naar belangrijke vindplaatsen in Oostenrijk en Zwitserland.

De grafinventaris van de `Vorst van Oss’ (begin 7e eeuw v.Chr.) is het vroegste, beroemdste en rijkste voorbeeld van de Midden-Europese elitecultuur in de IJzertijd in Nederland. (foto: Rijksmuseum van Oudheden)

Uiteindelijk maakt in de decennia rond het begin van de jaartelling het zich agressief uitbreidende Romeinse Rijk een einde aan wat wij de `IJzertijd’ noemen, al is dat een nogal willekeurige overgang. Noord- en Oost-Europa blijven in archeologische zin nog eeuwenlang bewoond door `ijzertijd’-samenlevingen.

Deze `brilfibula’ uit circa 800 v.Chr. (lengte 16 cm) werd gevonden in een zanderij in Noordwijkerhout. Hij is afkomstig uit Noord-Duitsland of Denemarken. In deze periode, de Late Bronstijd, werd in Zuid-Holland alleen de kuststrook bewoond. De boeren lijken meer contact te hebben gehad met de buitenwereld dan hun opvolgers in de IJzertijd. (foto: Rijksmuseum van Oudheden)

In Zuid-Holland is, zoals gezegd, niets te merken van machtsconcentratie of opvallende uitingen van cultuur en techniek. Er is zelfs nauwelijks iets te bespeuren van contacten tussen de kust- en deltabewoners en het gebied ten zuiden en oosten daarvan. Het bijzondere van de Zuid-Hollandse ijzertijdbevolking is, dat ze het al die eeuwen bijna autarkisch volhield, en met succes.

Afgaande op de archeologische vondsten hebben de mensen die in de IJzertijd Zuid-Holland bewoonden, zichzelf eeuwenlang heel goed weten te redden met wat ze zelf konden produceren, zonder veel invloed van buitenaf. Dit stilleven van een eenvoudige kookpot, een weefgewicht, twee spinsteentjes en een houten hamer is kenmerkend voor hun materiële cultuur. (foto: Archeologie Rotterdam (BOOR)/Peter de Ruig)

Wat we weten van hun woonplaatsen, wijst bepaald niet op armoede of achterlijkheid, wel op een grote flexibiliteit. Net als hun prehistorische voorgangers waren het mensen die zich snel en goed wisten aan te passen aan nieuwe omstandigheden, en die deden zich langs de kust en rond de riviermondingen geregeld voor. 'Aanpassen' betekende in veel gevallen: verhuizen. Vaak moesten de bewoners het veld ruimen voor de oprukkende natuur, maar steeds kwamen er nieuwe voor in de plaats die weer van voren af aan begonnen. Op eigen houtje, zoals men dat hier gewend was. Een bewoner van de Brabantse zandgronden die rond 300 v.Chr. een kijkje was komen nemen aan de kust, moet verbaasd hebben opgekeken van de in cultureel opzicht sobere manier van leven hier. Hoewel heel Nederland in de IJzertijd een tamelijk perifeer gebied was, onderscheidden de Zuid-Hollanders van toen zich toch nog van hun buren, hoe dichtbij die ook woonden. De late prehistorie van het kust- en deltagebied is misschien niet opzienbarend, maar wel heel bijzonder.

Ruige omstandigheden aan de kust

Hoe zag dat deltagebied er rond 800 v.Chr. uit? Voor het overgrote deel woest en ledig, dat staat vast.

`Satellietbeeld’ van westelijk Zuid-Holland omstreeks 500 v.Chr., met de in de tekst genoemde regio’s: 1) Voorne-Putten (Bernissegebied), 2): Vlaardingen, 3) Midden-Delfland, 4) Den Haag-Zuidwest (Gantelgebied), 5) Den Haag-kuststrook, 6): Rijnmonding, 7): Bollenstreek. (basiskaart: Olav Odé)

In feite was al het land tussen de smalle rij strandwallen langs de Noordzeekust en de uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug ter hoogte van de stad Utrecht, één groot veenmoeras. Het was duizenden jaren eerder ontstaan, toen de strandwalbarrière werd gevormd en de afwatering steeds slechter werd. Dit moeras was alleen toegankelijk via het water: de (Oude) Rijn en de Maas die er doorheen stroomden, en de talloze zijstroompjes die erin uitmondden. Ongetwijfeld hebben vroege prehistorische bewoners dikwijls over die wateren gereisd.

Wat nu het Groene Hart is, zag er in de IJzertijd (en tot en met de Vroege Middeleeuwen) op verschillende plekken zo uit: een onafzienbaar en onbewoonbaar hoogveenmoeras. Het maaiveld lag meters hoger dan tegenwoordig; sinds de ontginningen in de Middeleeuwen is het veen sterk ingeklonken. (foto: TGV/Evert van Ginkel)

Die bewoners leefden aanvankelijk alleen op de strandwallen, waar zich al snel lage duintjes hadden gevormd die begroeid raakten met bos. Daar waren al rond 3800 v.Chr. mensen heen getrokken, en waarschijnlijk zijn die hoge, parallelle zandruggen langs de kust sindsdien min of meer continu bewoond gebleven. Dat wil niet zeggen dat het er dichtbevolkt was. Er was nu eenmaal weinig ruimte, en de zandgrond was niet heel vruchtbaar. De mensen leefden vooral van veeteelt. De grazige, natte vlakten tussen de strandwallen waren uitgelezen graasgebieden voor runderen, terwijl varkens zich te goed deden aan eikels in de bossen op de duinen.

Het kleine natuurreservaat Wapendal in Den Haag geeft een indruk van het duinlandschap op de strandwallen in de IJzertijd. Deze `oude’ duinen waren lager en minder geaccidenteerd dan de middeleeuwse duinen die wij kennen en die het oudere landschap deels bedekken. (Foto: TGV/Yuri van Koeveringe)

De kustbewoners werden echter geleidelijk verdreven door het veen, dat aangroeide doordat de afwatering van het grote binnenmoeras stagneerde. Als een groen monster kroop het over de oudere, oostelijke strandwallen heen. Aan het einde van de Bronstijd, rond 800 v.Chr., waren dan ook alleen de hoogste delen nog bewoonbaar.

Het was de zee die in diezelfde tijd onverwachte nieuwe mogelijkheden schiep. Vanuit de Maasmond brak het zoute water door in het onbewoonde veengebied achter de duinen. Hele stukken land werden weggeslagen, andere werden overdekt met klei, en grote kreken en geulen bleven achter. Aanvankelijk had deze overstroming een verwoestende invloed op het natuurlijk milieu. Na verloop van tijd had de natuur zich echter gestabiliseerd en ontstond een nieuw landschap vol kansen voor plant, dier en mens.

Er bleef een hoofdgeul achter: de Gantel, nu een onaanzienlijk kanaaltje in het Westland maar toen een rivierarm van betekenis met vele zijkreken. Hij zorgde voor de drainage van het veengebied ten noorden van de Maas, waaruit nu het water kon wegsijpelen. Een soortgelijk proces voltrok zich aan de overkant van de rivier. Na 800 v.Chr. raakten delen van het moeras zodanig ontwaterd dat ze betreedbaar en bewoonbaar werden. De droge bovenlaag leende zich bovendien voor akkerbouw, zij het op beperkte schaal. Voor veeteelt bleek het natte gebied ideaal.

Dat archeologen rond die tijd de IJzertijd laten beginnen, is volkomen toeval. In ieder geval brak voor het Zuid-Hollandse gebied een nieuwe periode aan.

Laat ontdekt, vaak gevonden

Dat er in de IJzertijd überhaupt mensen leefden in Zuid-Holland, is nog maar tamelijk kort bekend. Voor de Tweede Wereldoorlog ging men ervan uit dat het natte westen onbewoonbaar en onbewoond was, totdat in de eerste eeuw na Chr. de Romeinen verschenen, vlak na de `inheemse’ Cananefaten die als eerste bewoners van de streek werden beschouwd. Scherven van niet-Romeins aardewerk die af en toe onder het duinzand tussen Den Haag en Katwijk naar boven kwamen, werden dan ook meestal als `Canninefaats’ geduid. Pas door karteringen langs de Maasmond, eind jaren ‘40 van de vorige eeuw, werd duidelijk dat hier al ver vóór het begin van de jaartelling sprake was geweest van bewoning. De AWN, de belangrijkste organisatie van vrijwilligers in de archeologie, dankt mede haar bestaan aan het onderzoek dat de leden in Noord- en Zuid-Holland deden naar vindplaatsen uit deze periode. De eerste sporen van een ijzertijdhuis in Zuid-Holland werden in 1958 opgegraven in de Broekpolder bij Vlaardingen.

Leden van de archeologische vrijwilligerswerkgroep `Helinium’ voeren in 1958 een opgraving uit in de Vlaardingse Broekpolder. De sporen van ijzertijdbewoning die zij hier vonden, waren uit Zuid-Holland nog nauwelijks bekend. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Die stad is nog steeds centrum van belangrijke ijzertijdvindplaatsen. Een andere zone waar amateur-archeologen veel ijzertijdsporen registreerden, was de zuidwestelijke rand van Den Haag, die in de jaren ’50 en ’60 snel werd volgebouwd. Bij het bouwrijp maken van de grond werd een groot aantal locaties met ijzertijdscherven ontdekt. Bij landinrichtingsprojecten in de jaren ’70 en ’80 kwamen er nog eens vele tientallen sites aan het licht rond Vlaardingen, ten westen daarvan in Midden-Delfland, en ten zuiden van de Maas op Voorne-Putten. Bij de vindplaatsen rond de Maasmond ging het in alle gevallen om nederzettingen die op natuurlijk ontwaterde veengronden waren aangelegd.

Opgravingen door de archeologische dienst van Rotterdam leverden een schat aan informatie op over bewoning op het veen in de IJzertijd. Delen van de houten constructie van de boerderijen waren er goed bewaard gebleven, zoals hier bij Rockanje. (foto: Archeologie Rotterdam (BOOR))

Bij opgravingen, uitgevoerd door onder andere de gemeentelijke archeologische dienst van Rotterdam (het BOOR) en de Universiteit van Leiden bleek hoe goed de restanten van de uit hout opgetrokken huizen en andere organische resten in dat veen bewaard waren gebleven. In korte tijd ontstond een gedetailleerd beeld van het leven van de ijzertijdbevolking aan weerszijden van de Maas en aan de Gantel.

Uit die duinstreek kwamen ook steeds meer bewijzen voor ijzertijdbewoning naar boven. Voor een deel zijn dat vondsten van systematisch zoekende amateurs. Vanaf 1982 hebben archeologen van de gemeente Den Haag veel opgravingen uitgevoerd waarbij ze ijzertijdsporen vonden. 

De voren van de laatste keer dat hier in de IJzertijd werd geploegd, zijn nog zichtbaar in het zand bij het Haagse Congresgebouw. De lange, brede voren laten zien dat er een ander type ploeg is gebruikt dan de gebruikelijke eergetouwen, die een dambordpatroon opleveren. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Tenslotte leveren opgravingen ten noorden de (Oude-)Rijnmonding bij Katwijk en langs de oever van de Oude Rijn tot voorbij Leiden steeds weer nieuwe vindplaatsen op. Resten van huizen en andere structuren zijn in de kuststrook minder gaaf bewaard gebleven dan langs de Maasmond, maar ook vondsten onder het duinzand zorgen voor de nodige verrassingen.

IJzertijd zonder ijzer

De allereerste en in sommige opzichten meest opmerkelijke ontdekking uit de IJzertijd is gedaan onder dat duinzand, in een tijd dat Nederlandse archeologen de term `IJzertijd’ nog nauwelijks gebruikten. In 1890 vonden arbeiders tijdens de ontginning van een stuk duin in de buurt van het huidige Madurodam in Den Haag twee bijzondere voorwerpen: een eikenhouten schopje en een raadselachtig halvemaanvormig voorwerpje van brons. Ze waren bewaard gebleven in een veenlaagje dat later door een pakket zand was overstoven.

Verrassend goed behouden voor een vondst van organisch materiaal die in 1890 bij de Witte Brug in Den Haag werd gedaan: een eikenhouten schopje uit de Vroege IJzertijd, hier poserend tegen een achtergrond van duinzand. Het schopje werd gevonden in een veenlaagje. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Het schopje is ondanks gebrek aan moderne conserveringstechnieken tot op de dag van vandaag behouden gebleven. Het bronzen voorwerpje bleek bij bestudering de beschermende onderkant van een zwaardschede te zijn. Voor beide voorwerpen geldt dat ze uit een vroege fase van de IJzertijd dateren, vermoedelijk uit de 6e eeuw v.Chr. Het schopje is een stuk lokale huisvlijt, de zwaardschedebeschermer is echter ver van de kust gemaakt, vermoedelijk in Zuid-Duitsland. Het is een raadsel hoe het in de Haagse regio is gekomen.

Uit dezelfde omgeving als het schopje komt deze bronzen onderkant van een lederen zwaardschede. Het is een bijzonder stuk uit de zevende eeuw v.Chr, waarvan in Nederland geen parallellen bekend zijn. Voor Zuid-Holland is een exclusief bronzen importstuk al helemaal uitzonderlijk. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag/Olav Odé)

Het is een (bescheiden) vertegenwoordiger van de Midden-Europese elitecultuur uit die tijd, uniek voor de hele regio. Terwijl indrukwekkende voorwerpen uit die cultuur meer dan eens zijn gevonden in het rivierengebied ten oosten van Utrecht, het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg, blijft het in het kustgebied bij dit ene stukje brons. Dat de lederen schede waaraan de beschermer ooit vastzat, is vergaan, verbaast ons niet. Maar waar is het ijzeren zwaard dat erin zat, gebleven?

Met het ijzer, waarnaar de IJzertijd genoemd is, is het merkwaardig gesteld. IJzeren werktuigen en wapens vervingen vanaf de 8ste eeuw v.Chr. geleidelijk die van brons. Maar veel tastbaar bewijs in de vorm van ijzeren objecten of sporen van ijzersmederij hebben de Nederlandse archeologen niet. In Zuid-Holland is zelfs niet één stukje ijzer uit die hele periode gevonden: geen bijl, geen mes, geen zwaard, niets. Nu is ijzer een heel vergankelijk materiaal. Het roest snel weg, en zeker in de zandgronden bleef het niet lang bewaard. Maar in de natte, van zuurstof afgesneden condities waar de provincie zo rijk aan is, zou dat eigenlijk anders moeten zijn. Daar is uit latere perioden genoeg ijzer bewaard gebleven in zulke omstandigheden – maar niet uit de IJzertijd. De enige, tamelijk vage aanwijzing voor ijzerproductie zijn wat slakken die bij Maasland en Geervliet gevonden zijn bij opgravingen rond 1990.  

Toch weten we dat de mensen hier ijzeren werktuigen hebben gebruikt. Het ontginnen van bossen voor akkers en nederzettingen en het bouwen van huizen zou zonder zulk gereedschap onmogelijk zijn geweest. Kapsporen op uitstekend geconserveerde aangepunte houten palen van boerderijen en omheiningen laten het gebruik van bijlen duidelijk zien.

Op de onderkanten van aangepunte paaltjes van de vindplaats Vlaardingen/Vergulde Hand-West zijn de sporen van de gebruikte (ijzeren) bijlen goed te zien. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Of die hier ook zijn gemaakt, is een tweede. In de Nederlandse bodem zit genoeg (laagwaardig maar bruikbaar) ijzererts in de vorm van `oer’, concreties van ijzeroxide in beekdalen en moerassen. Die vindplaatsen zijn echter beperkt tot het oosten en zuiden van het land; in het holocene westen is het niet te vinden. Het kan niet anders of de Zuid-Hollanders hebben hun ijzeren gereedschap kant en klaar van elders laten komen. Als ze hun nederzettingen ontruimden, namen ze dit kostbare bezit mee. Het is daarna spoorloos verdwenen. Van wapens, die elders wel zijn gevonden, ontbreekt ook ieder spoor – wat niet wil zeggen dat dit een geweldloze samenleving was.

Ontruimen, verhuizen en overnieuw beginnen, dat waren deze boeren wel gewend, zoals we nog zullen zien. Laten we echter beginnen bij het begin: het inrichten van een nieuw erf, ergens in de Vroege IJzertijd (tussen 800 en 500 v.Chr.). Daarbij kijken we eerst naar het traditionele woongebied in de duinen, en dan naar de pas bewoonbaar geworden veengebieden op Putten.

Mooie boerderij op Haagse duinen

Hierboven werd beschreven hoe de duinen op de strandwallen al vanaf het Neolithicum werden bewoond en bewerkt. Het kleine areaal dat ter beschikking stond, de zandbodem met maar een dunne laag humus erbovenop en de beperkte inzichten die men had van het effect van de mens op het milieu, maakten dat aan het eind van de Bronstijd flinke zandverstuivingen optraden. Bij verschillende opgravingen zijn die overstuivingen steeds weer waargenomen in de bodemlagen. Zo blijkt een deel van de bewoners van de strandwal waar de lange Haagse Laan van Meerdervoort overheen loopt, omstreeks 1000 v.Chr. door stuivend zand verdreven te zijn. Het bos herstelde zich in de eeuwen die volgden. Ergens na 800 v.Chr. (exacte dateringen zijn voor deze periode heel moeilijk te bepalen) zijn nieuwelingen het gebied binnengetrokken. Hun aardewerk lijkt te wijzen op een zuidelijke herkomst, wellicht Noord-Brabant of zelfs westelijk België. Met hun bijlen kapten ze de hoogste delen van een duinrug schoon, waarna ze een boerderij bouwden van de omgehakte stammen. Waarschijnlijk gebruikten ze duurzaam eikenhout dat in de duinbossen groeide. In het zand is daarvan niets bewaard gebleven. Uit de grondsporen kon wel worden afgeleid dat de boerderij ongeveer 3,5 bij 19,5 meter had gemeten, een opvallend lang en smal gebouw. 

Uit deze eerste bewoningsfase weten we niet, waar de akkers hebben gelegen. Van een latere fase is dat wel af te lezen uit de grondsporen. Met eenvoudige ploegen, zogenaamde eergetouwen, krasten ze op de wat vochtiger flanken van het duin de grond open.

Het karakteristieke dambordpatroon van elkaar kruisende eergetouwsporen, hier blootgelegd aan de Dorpsstraat in Noordwijkerhout, is herkend op veel ijzertijdvindplaatsen in de duinstreek. (foto: RAAP)

Door hun manier van werken ontstonden karakteristieke dambordpatronen, die ook elders bij opgravingen in Den Haag zijn herkend. Zelfs midden in het centrum van de stad verschenen deze ploegsporen in het opgravingsvlak, anderhalve meter onder het huidige straatniveau.

Bescheiden als deze eenvoudig versierde scherven van ijzertijdaardewerk zijn, ze zijn wel afkomstig uit hartje Den Haag, waar ze werden gevonden bij opgravingen rond de Grote Kerk. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

De ijzertijdboeren hadden meer kennis van akkerbouw dan hun verre voorgangers uit de Bronstijd. Met hun schoppen, ongetwijfeld van hetzelfde type als hierboven werd beschreven, groeven ze lange, smalle en evenwijdig aan elkaar lopende greppeltjes, vijf meter van elkaar en haaks op het noordwesten, de heersende windrichting aan de kust. De schopsteken waren nog te herkennen doordat er al snel zand was ingewaaid.

Het zand uit deze parallel gegraven greppeltjes onder het Haagse Wijndaelerplantsoen is waarschijnlijk gebruikt om walletjes op te werpen die de naastgelegen akkers moesten beschermen tegen overstuiving. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Parallel aan de greppels waren rijen takken in de grond gestoken. Alles wijst erop dat de boeren hier een soort windsingels hebben aangelegd die de tussenliggende akkerperceeltjes moesten beschermen tegen overstuiving. Het indelen en `omheinen’ van akkers werd al op de zuidelijke en oostelijke zandgronden toegepast. De gescheiden akkerpercelen die zo ontstonden, werden vermoedelijk vruchtbaar gehouden door er vee op te laten grazen tijdens perioden dat de grond braak lag. Deze efficiënte omgang met het akkerland zorgde ervoor dat men hier eeuwenlang kon blijven wonen, zonder al te zeer door stuifzand te worden bedreigd. Greppelpatronen als deze zijn ook elders op de strandwallen gevonden.

De oogst werd opgeslagen in graanschuurtjes. Een ervan was ooit in vlammen opgegaan, compleet met de inhoud. Paleo-ecologen konden uit de verkoolde zaden afleiden dat het om emmertarwe en gerst ging, gebruikelijke akkerbouwgewassen in die tijd. De akkerbouwproducten vulden de opbrengst aan van de veestapel. Die bestond vooral uit runderen, met daarnaast schapen, geiten, varkens en een enkel paard. Dit is een algemeen beeld voor de late prehistorie, zoals we nog zullen zien. 

Het gemengde boerenbedrijf was in deze periode de economische basis van iedere inwoner van `Nederland’, al verschilde de bedrijfsvoering van regio tot regio, van groep tot groep, en vooral van landschap tot landschap.

Deze maquette laat een stukje agrarisch landschap in de IJzertijd in Den Haag-Zuidwest (vindplaats Boezemland) zien: een paar boerderijen en bijbehorende graanschuurtjes, met kleine akkers en moestuinen in de nabijheid. (Maquette Kobalt Museale Producties/ foto: TGV).

Pioniers op Puttens veen

In ongeveer in dezelfde tijd als de nieuwe bewoners van de Haagse duinen met hun ontginningswerk begonnen, trok een andere groep mensen het uitgestrekte, ongerepte veengebied binnen van wat nu het `eiland’ Putten onder Rotterdam is. Net als in het Gantelgebied was hier het moeras gedeeltelijk ontwaterd, al waren er niet zulke grote gaten geslagen in het veen en was er geen laagje klei achtergebleven. Het riviertje de Bernisse, net als de Gantel tegenwoordig nog zichtbaar in het landschap maar met een veel natuurlijker uitstraling, zorgde hier voor de drainage die de toplaag van het veen toegankelijk maakte. De pioniers die zich hier vestigden, kwamen net als die in Den Haag van oostelijker of zuidelijker gelegen hogere gebieden.

Achtergelaten in het veen: een essenhouten schopje met asymmetrisch blad, opgegraven bij Spijkenisse. Het afgebroken handvat lag er vlakbij. (foto: Archeologie Rotterdam (BOOR))

De vorm van hun aardewerk wijst daarop. Wat ze naar het veen bracht, is niet te zeggen. Waren er `push’-factoren in het spel, zoals uitputting van akkerland op de zandgronden en een zekere druk om te migreren? Of was het meer een kwestie van `pull’, omdat de nieuwelingen op de een of andere manier wisten dat hier een nieuw, voor veeteelt geschikt gebied klaarlag om gekoloniseerd te worden?  In ieder geval zochten ze de hoogste en droogste veenbulten langs de Bernisse en de zuidelijke oever van de Oude Maas op om hun huizen te bouwen en hun erven in te richten.

Bij Spijkenisse en het Hartelkanaal is een aantal van deze boerderijen opgegraven. Ze zullen er in grote lijnen net zo hebben uitgezien als de gelijktijdige Haagse voorbeelden: een skelet van houten palen, met wanden van vlechtwerk dat met leem was ingesmeerd, en een dak van riet of plaggen.

De onderkant van een uit dikke twijgen gevlochten wand van een boerderij uit de Late IJzertijd bij Rockanje op Voorne wordt zorgvuldig uitgeprepareerd. Deze lichte wanden werden op hun plaats gehouden door aan weerszijden ingeslagen paaltjes en ingesmeerd met klei om ze water- en winddicht te maken. (foto: Archeologie Rotterdam (BOOR))

In tegenstelling tot de Haagse situatie waren de houten onderkanten van de boerderijen op Putten meer dan 2500 jaar lang uitstekend bewaard gebleven in het veen. Daardoor kregen de archeologen een veel duidelijker beeld van de constructie, de indeling en het gebruikte hout.

De plattegrond van de boerderij bij Rockanje laat het verschil in indeling zien tussen het woongedeelte met haard (onderste helft) en het stalgedeelte met veeboxen. Onder de wand van de stal bleek het skelet van een jonge man te liggen, die daar begraven werd voordat de boerderij werd gebouwd. Deze uitzonderlijke begrafenis mag wel als speciale rituele handeling gelden. (tekening: Archeologie Rotterdam (BOOR))

De boeren maakten gebruik van iedere behoorlijke stam die ze in de omgeving konden vinden. Daar zaten ook eiken bij, die ze van verder weg moesten halen; in het veen groeiden die niet, wel op de oeverwallen van de Oude Maas. Voor de rest verwerkten ze minder degelijke, maar makkelijk verkrijgbare soorten als els, es en iep. Kleinere palen voor de wanden en afscheidingen in de ruimte werden met (ijzeren) bijlen of dissels aangepunt en in de grond geslagen met houten hamers.

Uit Zuid-Holland zijn verschillende houten hamers uit de IJzertijd bekend. Dit 30 cm lange exemplaar, gevonden op de grens van Leiden en Wassenaar, heeft een afwijkende vorm en lijkt meer op een hamerbijl dan op een moker. Hij is waarschijnlijk gemaakt van lijsterbessenhout en is gebruikt om ander hout mee te bewerken. (foto: IDDS Archeologie)

De zwaardere palen die de nok moesten dragen, werden van onderen stomp afgewerkt om wegzakken in de slappe bodem te voorkomen. Van opzij ingeslagen paaltjes of ingegraven dwarshouten hielden deze palen nog steviger op hun plaats. Met afmetingen van circa 5 bij 15 – 20 meter waren de Puttense boerderijen even lang maar een stuk breder dan hun Haagse tegenhangers. De opzet en indeling waren min of meer dezelfde: een woongedeelte met een haard, en een groter stalgedeelte, dat was onderverdeeld in zes tot twaalf veeboxen, van elkaar gescheiden door vlechtwerkwanden Deze opzet zou in de eeuwen die volgden, nauwelijks veranderen.

In veel boerderijen zijn de sporen van een centrale haard gevonden. Deze haard uit een gebouw uit de Vroege IJzertijd op de vindplaats Vlaardingen-Vergulde Hand-West was voorzien van een onderlaag van stammetjes, die waren afgesmeerd met klei. Daar bovenop lag een pakket houtskool met verbrand bot en fragmenten aardewerk. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

De veenboeren waren in de eerste plaats veeboeren. Voor akkerbouw bood het omringende veen toen wel enige mogelijkheden, maar niet veel. Er is gesuggereerd dat de akkers een paar kilometer noordwaarts lagen, op dezelfde oeverwallen waar de boeren hun eikenhout haalden. De oogst bestond hier weer uit gerst en emmertarwe, met gierst als derde graansoort. Alles bij elkaar getuigen deze vindplaatsen van een gedurfde maar succesvolle kolonisatie van het veen, zoals die nog niet eerder had plaatsgevonden.

De kleine nederzettingen konden echter niet gehandhaafd blijven. Na een paar generaties stagneerde de drainage van het gebied en werden de omstandigheden te nat om te wonen en te werken. De bewoners vertrokken naar hogere en droge gronden, aan de kust of in het binnenland.

Dynamisch milieu: de nadelen…

Daarmee raken we aan een belangrijk aspect van het leven aan de kust in deze periode: het continu veranderende natuurlijke landschap. Wind en water deden voortdurend hun invloed gelden, terwijl ook de bewoners hun stempel drukten op hun woonomgeving. De overstuivingen in de duinen werden in dat kader al genoemd. Het was een probleem dat de boeren nooit helemaal onder controle kregen. Het zou tot de Late Middeleeuwen duren voordat men het zand van de oprukkende duinen wist vast te leggen met helmgras. De ijzertijdboeren kwamen niet verder dan hun greppels en windsingeltjes. Toch moeten die lange tijd hebben voldaan, gezien de (schijnbare) continuïteit van bewoning op de strandwallen. 

Stuivend zand was nog wel enigszins te beheersen, maar tegen het water stonden de mensen volkomen machteloos.

De boeren in de veengebieden moeten naast hun agrarische werk veel energie hebben gestoken in het onderhouden van hun huizen en het zo droog mogelijk houden van hun natte woongebied. Ze begonnen een traditie van `Hollandse’ waterhuishouding die in de Romeinse periode werd voortgezet. Pas in de loop van de Middeleeuwen leerde men het water afdoende te beheersen. (foto: TGV/Yuri van Koeveringe)

Ze beschikten niet over de menskracht, de techniek en de materialen om natte gebieden te ontwateren en droog te houden door middel van dijken, sluizen en bemaling. De ijzertijdgeschiedenis van de veengebieden rond de Maasmond is er dan ook een van voortdurend komen en gaan. Zoals inbraken vanuit zee en de rivier bewoning op het veen mogelijk maakten, zo konden ze die ook weer ongedaan maken. Dat gebeurde niet, zoals vroeger wel werd gedacht, door massale overstromingen die de hele kust teisterden. Van locatie tot locatie had het water een ander effect op het land. Nederzettingen in Midden-Delfland werden bijvoorbeeld opgegeven nadat het water de veenbodem waarop de huizen waren gebouwd, had ondermijnd. Hier ontstonden uiteindelijk grote, drijvende platen bewoond veen. Bij opgravingen worden van die huizen de vloeren, eindeloos opgehoogd met klei, zoden en mest, gevonden in scheefgezakte positie. Elders kan alleen worden geconstateerd dat de bewoning ophield en zich nieuwe lagen veen en klei vormden op de resten van de verlaten erven.

Alleen in wat rustiger omstandigheden – moerassige vlaktes, kleine wateren in het binnenland – konden de boeren met hun bescheiden beschikbare middelen en grote inventiviteit wél ingrijpen, en met enig succes. Hier en daar werden afwateringssloten gegraven die de akkers droog hielden. Op verschillende plaatsen zijn dammetjes opgegraven, voorzien van paalbeschoeiingen. 

Rond 200 v.Chr. wierpen de bewoners van de vindplaats Boezemland in Den Haag een dam op over een kreekje, waarover ze hun vee naar de weidegebieden konden leiden. Het lichaam van kleizoden werd op zijn plaats gehouden door ingeslagen stammetjes. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Zo’n locatie is de vindplaats Boezemland in Den Haag, waar in de Vroege IJzertijd met rietmatten, plaggen, hout en aarde een dam over een smalle kreek was aangelegd. Indrukken van runderhoeven lieten zien dat het in ieder geval een oversteekplaats voor het vee was. 

Indrukken van runderhoeven geven de plek aan waar vee naar een oversteekplaats werd geleid op de vindplaats Noordweg in Den Haag. Aan het aflopende profiel is te zien, waar het water lag dat ze moesten oversteken. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Zulke dammen zijn ook elders gevonden, net als takkenpaden die door nattere stukken veen liepen.

Paaltjes in de veengrond van Vlaardingen-Vergulde Hand-West houden een smal pad van takken op zijn plaats. Hier werd vee overheen geleid. Zulke takkenpaden zijn op verschillende plaatsen in Zuid-Holland opgegraven. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Die zijn gevonden in Den Haag, bij Leiden en bij Voorschoten, en dienden waarschijnlijk ook om dieren en mensen over natte stukken heen te helpen. Ook op het bedrijventerrein Hoogstad in Vlaardingen is zo’n dam over een kreek gevonden, ditmaal uit circa 175 v.Chr., waarin houten balken en kleizoden waren verwerkt.

In hoeverre zulke dammen ook een rol speelden in vroeg watermanagement, is de vraag. Een bij Vlaardingen-Vijfsluizen opgegraven aardlichaam van minstens 20 meter lang, 0,5 tot 1,0 m hoog en 1,5 tot 2,0 m breed, versterkt met houten palen, wordt wel geïnterpreteerd als 'de oudste dijk van Nederland.' Het geheel dateert uit de 2e eeuw v.Chr. Hoe dan ook, zowel buitenwater als grondwater konden alleen lokaal, in heel bescheiden mate en tijdelijk worden beheerst. Als het te nat werd, zat er niets anders op dan te vertrekken naar hogere en drogere streken.

… en de voordelen

Nat en zompig of niet, de archeologie leert ons dat, zodra het even kon, weer mensen vanuit drogere regio’s richting het veen trokken. De pull-factoren die daarbij een rol kunnen hebben gespeeld, kwamen al ter sprake. Het gebied was vrij van bewoners met wie moest worden geconcurreerd. De droge veenbulten die zonder uitzondering werden uitgekozen als woonplaats, boden voldoende ruimte voor de huizen. Bouwmateriaal was er in overvloed: hout, riet, plaggen en klei waren overal te vinden.

Het houten skelet van een replica-ijzertijdboerderij in aanbouw laat goed de constructie en omvang zien van zulke gebouwen. Dit is een Brabants voorbeeld, maar de Zuid-Hollandse boerderijen werden gebouwd volgens dezelfde principes. In de nattere gebieden was dat vaak een uitdaging. (foto: preHistorisch Dorp Eindhoven)

De bouwers leerden heel snel te improviseren bij het werken op de weke bodem en bij het maken van constructies met tweede-keus hout als iep en els. De resultaten lijken niet te hebben ondergedaan voor boerderijen die elders in dezelfde tijd werden opgetrokken van degelijker eikenhout.

De kwelders in het Gantelgebied en de veenvlakten op Voorne-Putten boden veetelers ruime gelegenheid tot het weiden van rundvee. De stalboxen in de boerderijen die steeds weer konden worden aangetoond bij opgravingen, bevestigen het belang van de rundveestapel. Ook de takkenpaden door drassige terreinen en kleine bouwsels die als tijdelijk onderkomen voor veehoeders kunnen hebben gediend, passen in dat beeld. De runderen, met hun circa 110 cm schofthoogte een stuk kleiner dan de huidige, leverden naast vlees, trekkracht en huiden ook melk, die hier en daar tot kaas werd verwerkt.

Op Voorne-Putten zijn fragmenten gevonden van schalen met doorboorde bodems. Ze worden geïnterpreteerd als kaasvormen, waarvan dit een reconstructie is. Waarschijnlijk konden de mensen koemelk alleen in de vorm van kaas of boter verdragen. (foto: TGV)

Op droge, met heide begroeide stukken veen konden bovendien schapen grazen. In de Late IJzertijd lijkt het gebied rond Rockanje op Voorne zich goed te hebben geleend voor schapenhouderij. Niet alleen is daar het aantal botresten van schapen (en/of geiten) hoog in vergelijking met andere vindplaatsen, er zijn ook de nodige spinschijfjes en weefgewichten van aardewerk gevonden die op de verwerking van wol wijzen. Ook een benen kam, waarschijnlijk gebruikt om wol te kaarden, past in dat beeld.

Opvallend is dat op een aantal ijzertijdvindplaatsen resten van jachtwild en vis zijn gevonden. Vooral in het duingebied, zoals in het Haagse Wijndaelerplantsoen, werd nog veel gejaagd. Langs de Bernisse werden grote steuren gevangen. Elders zijn de aanwijzingen meer indirect, zoals hakken van elandgewei van Voorne-Putten. Het wijkt af van het heersende beeld dat vanaf de Bronstijd nauwelijks meer werd gejaagd of gevist, en dat het ethos van de veeteler volkomen dominant was geworden. Ook hierin onderscheidden zich de kustbewoners van hun tijdgenoten.

Stilleven van een `ijzertijdmaaltijd’, gebaseerd op archeologische vondsten van Voorne-Putten. Naast schapenvlees en graanproducten als pap en brood maakten wilde vruchten, hazelnoten en zoetwatervis deel uit van het menu. De potten zijn originele exemplaren. (foto: Peter de Ruig)

Dat er overal akkers werden aangelegd, niet alleen in de duinen maar ook op het veen, is de afgelopen jaren steeds duidelijker gebleken. Naast graan werden er gewassen als vlas (waarvan linnen en lijnzaad werd gemaakt) en huttentut (een oliehoudend plantje) verbouwd.  Met de opbrengst van de akkers en de veestapel kon men zich hier uitstekend in leven houden.

Bij opgravingen in het kader van de aanleg van de Blankenburgverbinding bij Maassluis werd een goed geconserveerde wan van gevlochten wilgentwijgen opgegraven. Een wan werd gebruikt om kaf van koren te scheiden, door het gedorste graan op te gooien en het lichte kaf te laten wegwaaien. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

De boerenfamilies hadden elk een eigen territorium, al dan niet afgegrensd door greppels, waarbinnen hun huis en opstallen stonden. Zo’n huis ging ongeveer een generatie lang mee, waarna er verderop op het terrein een nieuwe boerderij werd gebouwd. Hoewel er nergens sprake was van wat wij ‘dorpen’ of zelfs maar `gehuchten’ zouden noemen, stonden hier en daar de boerderijen dichter bij elkaar dan in eerdere perioden.

Arcadisch beeld van het leven in de IJzertijd: een boerderij met een nabijgelegen gerstakker, gezien vanachter een gevlochten erfafscheiding. Deze reconstructie staat in het Drentse Wilhelminaoord. (foto: TGV/Evert van Ginkel)

Vergeleken met de Bronstijd was de bevolking sterk toegenomen. De Haagse duinzone moet een aaneengesloten geheel van erven en akkers hebben gevormd. Rond de Bernisse en bij Vlaardingen woonden in de Midden-IJzertijd plaatselijk enkele tientallen mensen per vierkante kilometer, een bevolkingsdichtheid die bijna nergens anders in Nederland werd gehaald. De provincie als geheel, grotendeels bestaand uit moeras, bleef uiteraard zeer dun bevolkt.

De verbindingen over water waren uitstekend. Een meer dan tien meter lange kano, gevonden bij opgravingen op het terrein Vergulde Hand-West in Vlaardingen, is daarvan een treffend bewijs. 

Pronkstuk van de Vlaardingse archeologie: een bijna 10 meter lange houten kano (eigenlijk een `boomstamboot’) tijdens de opgraving op de vindplaats Vergulde Hand-West. Hiermee bevoeren rond 680 v.Chr. de boeren de plaatselijke wateren. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Hij is gemaakt uit de stam van een forse eik die in 683 v.Chr. was gekapt. Het is daarmee het vroegst gedateerde én het grootste object uit de Zuid-Hollandse IJzertijd. Bij experimenten met een replica is vastgesteld dat de kano 16 personen kon vervoeren.

Een reconstructie van de boomstamboot laat zien dat hij zich niet alleen prima liet hanteren, maar ook dat er een flink aantal passagiers in kon worden meegenomen. Of er ook vee in werd vervoerd, is de vraag. (foto: Educatief Archeologisch Erf Vlaardingen)

Ongetwijfeld liggen er nog meer van dit soort vaartuigen in het veen verborgen. Ze verzorgden het verkeer binnen het uitgestrekte moerasgebied en, via de Maas, naar de buitenwereld in het oosten.

Export en import

Daarmee zijn we aangekomen bij het enige aantoonbare exportproduct van de regio en tevens de enige aantoonbare niet-agrarische activiteit die door de kustbewoners werd bedreven: de productie van zout. Wat wij voor nog geen halve euro per kilo kopen, was in de prehistorie een kostbaar product, vooral als conserveermiddel van vlees en vis. De Zuid-Hollanders maakten het door in `gootjes’ en potten van zeer ruw aardewerk zeewater of brak water uit kreken op open vuren in te dampen.

De exacte manier waarop de kustbewoners zout `stookten’ uit zeewater is nog niet bekend, maar dit is een plausibele reconstructie. Potten met zout water werden op speciale pilaartjes van klei boven een vuurtje gezet, waardoor het zout werd ingedampt. De potten werden met inhoud en al tot ver in het binnenland vervoerd. (tekening: Martin Valkhoff)

De dikke, roze scherven worden, samen met allerlei staafjes en kegeltjes die een rol speelden bij de distilleerinstallatie, op veel ijzertijdvindplaatsen in Zuid-Holland gevonden. Niet alleen vlakbij zee maar ook aan de duinrand en in het Gantelgebied oefende men deze kleinschalige industrie uit. De scherven van de gootjes en de potten komen bij opgravingen tot diep in Noord-Brabant tevoorschijn. Het is het afval van het verpakkingsmateriaal van het zout, dat uiteraard niet bewaard is gebleven.

Een kostbaar product, zoals gezegd. De beroemde Oostenrijkse vindplaats Hallstatt dankte er zijn rijkdom aan, en het Latijnse woord salaris is niet voor niets afgeleid van sal, `zout.’ Je zou dus verwachten dat de boeren aan de kust hun zout inzetten als ruilmiddel tegen luxeproducten uit Centraal- en Zuid-Europa, het soort wapens en sieraden dat daar zo vaak en in zulke grote hoeveelheden is opgegraven. Hierboven was echter al te lezen, dat dat niet het geval was. Integendeel: er bereikte voor zover we weten nauwelijks iets van luxe of waarde de kust.

Ongetwijfeld heeft het zout een rol gespeeld bij het verkrijgen van noodzakelijke gereedschappen waarvoor men hier de grondstoffen en de technieken niet bezat. Behalve ijzeren gereedschap waren dat vooral maalstenen om het geoogste graan mee te malen. Ze werden in de IJzertijd uit de Duitse Eifel gehaald, waar ruwe vulkanische gesteenten te vinden waren. Inderdaad zijn op verschillende plaatsen in Zuid-Holland (kleine) fragmenten van zulke maalstenen gevonden, die via de rivieren moeten zijn aangevoerd.

Maalsteenfragmenten van vulkanisch gesteente uit de Eifel, gevonden bij Vlaardingen-Vergulde Hand-West. Alle natuursteen moest worden geïmporteerd, en maalstenen waren dan ook een kostbaar bezit. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Langs dezelfde route zijn minieme stukjes exotische luxe naar de kust gekomen, als je al van luxe mag spreken. We hebben het over bronzen mantelspelden (fibulae) en fragmenten van glazen armbanden, die elders tamelijk gewone accessoires waren. In Zuid-Holland zijn ze op de vingers van twee handen te tellen. Er zijn een paar matig bewaarde mantelspelden uit de Late IJzertijd (circa 200 v.Chr.) bekend uit Vlaardingen, Monster en Rotterdam, een buitengewoon fraai en goed bewaard exemplaar uit Barendrecht en een bronzen armband van IJsselmonde. Fragmenten van aardewerken smeltkroesjes uit Vlaardingen en Spijkenisse wijzen op plaatselijke op bronsbewerking. Het Rijksmuseum van Oudheden bewaart een afgietsel van een bronzen speerpunt uit Noordwijkerhout, die mogelijk uit de Vroege IJzertijd dateert. Afgezien van de Haagse zwaardpuntbeschermer is dat dan de hele oogst aan brons van zeven eeuwen. (Klik op het + teken voor bijschriften bij de foto's)

Kleine stukjes van blauwe glazen armbanden, in het oostelijk rivierengebied geproduceerd, zijn onder meer gevonden bij Vlaardingen, Spijkenisse en Westmaas in de Hoeksche Waard. 

Fragmentjes van blauwglazen armbandjes, 2e eeuw v.Chr, afkomstig van de vindplaats Vlaardingen-Vergulde Hand-West. Ze behoren tot de vroegste glasvondsten in Nederland en zeker in Zuid-Holland. Deze voorwerpen, die massaal worden gevonden rond Nijmegen en oostelijk Noord-Brabant, bereikten maar zelden het kustgebied. (foto: Archeologische collectie Gemeente Vlaardingen)

Ze dateren uit de 2e eeuw v.Chr. Samen met een paar barnstenen kraaltjes en een mogelijk in Centraal-Europa gemaakt stukje glas uit Vlaardingen vormen de fibulae en de glazen armbandfragmenten de enige importstukken die je met enige goede wil `sieraden’ zou kunnen noemen. Voor het zout, waarvan we weten dat het is uitgevoerd, hebben de Zuid-Hollanders maar heel weinig teruggekregen. Misschien waren ze al erg tevreden met de ijzeren bijlen en maalstenen, die ze absoluut nodig hadden, en vonden ze de bronzen en glazen objecten volkomen bijzaak. Het versterkt ons beeld van een geïsoleerde, maar zelfvoorzienende en zelfbewuste samenleving. Maar meer dan een beeld kan het niet zijn: we kunnen niet weten, wat de opvattingen van deze mensen over wat belangrijk was in het leven, nu werkelijk waren. 

Zeer recent opgegraven: een grote randscherf van een pot uit de IJzertijd, gevonden bij een opgraving in Rijnsburg. De makers/gebruikers woonden op de overgangszone van een strandwal en afzettingen van de (Oude) Rijn. De vingertopindrukken op de rand zijn een voorbeeld van de vele manieren waarop de Zuid-Hollanders in die tijd hun potten een eigen karakter gaven. De helft van al het opgegraven Zuid-Hollandse ijzertijdaardewerk is – zij het simpel - versierd. (foto: Archol)

Geestelijk leven en hiernamaals

Zo komen we op twee laatste aspecten van de prehistorische maatschappij die archeologen altijd sterk intrigeren: het geloof in hogere machten en de omgang met de doden, die daarmee samenhangt. Elders in Nederland liggen de getuigen van rituelen en funeraire praktijken voor het oprapen. Begraven of afgezonken kostbaarheden en bijzondere objecten, omheinde terreinen met een kennelijk ritueel karakter, en grote grafvelden leveren de archeoloog veel kennis en evenveel raadsels op.

Niets van dat alles in Zuid-Holland, of: bijna niets. Voor zover archeologen denken `rituele deposities’ te herkennen bij opgravingen, zijn die van heel simpele en onduidelijke aard. Een paar kuilen met niet eenvoudig te duiden, maar overigens onopvallende inhoud van onder meer potten, botten en verkoolde zaden worden heel voorzichtig als `ritueel’ geïnterpreteerd. Uit Noordwijk is een complete pot uit de late IJzertijd bekend met merkwaardige strepen, die mogelijk met bloed zijn aangebracht. Ook hier wordt aan een rituele functie gedacht, al blijft de betekenis weer voor ons verborgen. (Klik op het + teken om de bijschriften bij onderstaande afbeeldingen te lezen)

Onverklaarbaar is de bijna totale afwezigheid van graven in de hele regio, over de hele beschreven periode. Uit Nederland zijn duizenden ijzertijdgraven bekend, meestal samen gelegen in urnenvelden of `brandheuvels’. De enige sporen van zulke graven zijn gevonden bij Ockenburgh (Den Haag) en, met een zeer groot vraagteken erbij, in Noordwijk. Het zijn er bij elkaar nog geen tien, en hebben aan vondsten niet meer dan een handvol scherven opgeleverd. Zelfs stoffelijke resten ontbraken. De enige Zuid-Hollandse voorbeelden uit de IJzertijd zijn een menselijke onderkaak van het strand van Noordwijk, een stukje schedel uit diezelfde plaats, een complete schedel uit Alphen aan den Rijn en een compleet skelet van een jonge man uit Rockanje. 

Deze mysterieuze vondst, door een wandelaar gedaan op het strand van Noordwijk, haalde in 2020 de nationale pers. Het blijkt de onderkaak te zijn van een volwassene (m/v) uit de de 8ste-6de eeuw v. Chr. De kaak kan zijn opgewoeld uit een nu verdronken stuk land dat in de Vroege IJzertijd werd bewoond. In die tijd was het onverbrand begraven van doden uitzondering. (foto: Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland)

Het Noordwijks schedelfragment vertoont tekenen van bewerking met een scherp voorwerp. Nog duidelijker is dat het geval bij de schedel van de Alphense man, waar een gapend gat in zit, ontstaan door een slag met een bijl of ander wapen. De man uit Rockanje lag begraven onder een boerderij, opgetrokken in de Late IJzertijd. 

Onder een profiel op de opgraving van een boerderij bij Rockanje steken de benen uit van een jonge man die voorafgaand aan de bouw was begraven. Hij is de enige ijzertijdbewoner van Zuid-Holland van wie het complete skelet is overgebleven. (foto: TGV/Evert van Ginkel)

Hier mogen we waarschijnlijk wel aan de combinatie van een begrafenis en een ritueel denken. Het onverbrand begraven van lichamen was in de IJzertijd overigens uitzondering, althans in de rest van Nederland. Wat is Zuid-Holland de regel was, blijft ongewis bij gebrek aan vondsten.

De kust ontruimd?

Het laatste raadsel van dit overzicht van de Zuid-Hollandse IJzertijd is: hoe eindigt die? Archeologen waren het er al lange tijd over eens dat de laatste eeuw voor het begin van de jaartelling een problematische periode is. De ooit zo welvarende veengebieden waren vanaf circa 200 v.Chr. duidelijk verlaten na grootscheepse overstromingen. Op de strandwallen werd nog wel gewoond, maar het was niet heel duidelijk, hoe en waar. Exacte dateringen op basis van radiokoolstof- of jaarringenonderzoek ontbraken. Het aardewerk, altijd sterk gefragmenteerd en niet goed herkenbaar door vorm of versiering, leverde niet méér op dan 'Late IJzertijd.'

Schema van aardewerkvormen uit de Late IJzertijd in Zuid-Holland. Veel van het materiaal is versierd met ingekraste lijnen en nagel- of vingertopindrukken. Naar een bekende Vlaardingse vindplaats spreken archeologen van de `Broekpolder-II’ – stijlgroep. (bron: R.M. van Heeringen, The Iron Age in the Western Netherlands)

Men ging er maar vanuit dat hier nog een groep mensen leefde, mogelijk dezelfden die in de jaren vijftig van de 1ste eeuw v.Chr door Caesar worden vermeld als de Menapiërs, die `aan weerszijden van de Rijn’ zouden wonen.

Rond het begin van de jaartelling kwamen daar immigranten bij: de al eerder genoemde Cananefaten, die zich hier vanuit Duitsland zouden hebben gevestigd. Al deze groepen werden onderworpen door de Romeinen, die hier rond het jaar 40 hun bewind vestigden en daarmee een definitief einde maakten aan 'de IJzertijd.'

Tot zover het tot voor kort bestaande beeld. Archeologen twijfelen daar nu echter sterk aan. Er is namelijk uit de hele 1ste eeuw v.Chr. en de eerste helft van de 1ste eeuw na Chr. niets gevonden wat onmiskenbaar op het bestaan van een autochtone bewoning wijst. Het lijkt alsof de hele bevolking, inclusief die van de strandwallen, is weggetrokken. De Romeinen troffen in 40 een leeg land aan. Daar lieten zij de vestiging van nieuwelingen toe, of stimuleerden zelfs hun komst; de Cananefaten, van oorsprong een groep gemilitariseerde Germanen in Romeinse dienst, en migranten uit Noord-Holland, die uiteindelijk óók als 'Cananefaten' zouden worden bestempeld.

Maar misschien klopt het beeld van de onbewoonde kust niet. We kunnen te maken hebben met een archeologische momentopname. De strandwallen waar de ijzertijdbevolking leefde, is deels overdekt door de middeleeuwse `jonge’ duinen, deels zijn ze opgeruimd door de zee (de kustlijn lag in de IJzertijd enkele kilometers westelijker), deels door de mens – de strandwallen ten noorden van de Rijnmonding zijn grotendeels afgegraven voor de bollenteelt.

Een handvol scherven uit de IJzertijd en Vroege Middeleeuwen, opgeraapt uit een uitgestoven stuk duinterrein bij Monster. De duinstrook van het Westland wordt al jarenlang onderzocht. De massa’s scherven die hier door vrijwilligers zijn verzameld, tonen aan dat dit in de IJzertijd een dichtbevolkte regio is geweest. (foto: TGV/Yuri van Koeveringe)

Er is zeker veel verdwenen, er kan nog veel verborgen liggen wat bij ontdekking nieuwe inzichten kan leveren. Recente opgravingen op het voormalig militair vliegveld van Valkenburg kunnen bijvoorbeeld nog voor zulke verrassingen zorgen.

In 2020 groef de archeologische dienst van Den Haag aan de Noordweg verschillende sporen uit de IJzertijd op, waaronder deze merkwaardige en nog niet verklaarde serie parallelle, ondiepe kuilen. Het is een voorbeeld van de vele verrassingen die de provinciebodem nog in petto heeft voor deze fascinerende periode. (foto: Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Gemeente Den Haag)

Toch is het onwaarschijnlijk dat de Romeinen hier te maken kregen met een bloeiende maatschappij. De materiële cultuur is erg bescheiden, de sociale en economische verbanden die bestaan zullen hebben tussen de veen- en de strandwalbewoners waren al lang voor de komst van de legioenen verbroken. Als er na 200 v.Chr. mensen uit het verdrinkende veen naar de strandwallen zijn getrokken, zullen die daar niet met open armen zijn ontvangen. De zandgrond was schraal, en er was maar een beperkt oppervlak beschikbaar. Maar wat er ook gebeurd is in die laatste eeuwen, het ontgaat ons tot nu toe volledig.

Een onbevredigende afsluiting van een bijzondere periode? Misschien. Maar de toekomst van het verleden blijft onzeker, en daardoor spannend. Voorlopig zullen archeologen zich nog op allerlei manieren met de IJzertijd tussen Goeree en Hillegom bezig blijven houden.

(foto: TGV/Yuri van Koeveringe)

Bronnen

Over de IJzertijd in Zuid-Holland is tot nu toe geen (toegankelijk) overzichtswerk verschenen. Hieronder is een aantal van de publicaties opgesomd waaraan de gegevens voor dit artikel zijn ontleend. De meer populair-wetenschappelijke boeken en artikelen zijn gemerkt met een * 

  • Broeke, P. van den, 2005: Toenemende verscheidenheid: synthese, in: L.P. Louwe Kooijmans e.a. (red) Nederland in de prehistorie (Amsterdam 2005)*

  • Eijskoot, Y, O. Brinkkemper en T. de Ridder, Vlaardingen-De Vergulde Hand-West. Onderzoek van archeologische resten van de middenbronstijd tot en met de late middeleeuwen (Amersfoort 2011)

  • Ginkel, E. van, en L. Verhart, Onder onze voeten, de archeologie van Nederland, h. 9, 10, 11 (Amsterdam 2009)*

  • Ginkel, E. van, en A. de Hingh, Archeologie achter de duinen. Het rijke verleden van Den Haag (Utrecht 2013)*

  • Heeringen, R.M. van, The Iron Age in the Western Netherlands (Amersfoort 1992)
  • Heeringen, R. van, Op zompig veen en stuivend zand, L.P. Louwe Kooijmans e.a. (red) Nederland in de prehistorie (Amsterdam 2005)*

  • Heeringen, R.M. van, S. Brussé en N. de Koning, Zoutzieders in Vlaardingen omstreeks 250 v.Chr., in: S. Arnoldussen e.a. (red.), Metaaltijden 6. Bijdragen in de studie van de metaaltijden (Leiden 2019)*

  • Stokkel, P.J.A., Strijden met en tegen de elementen. Wijndaelerplantsoen in Den Haag/Boerennederzettingen uit de midden-bronstijd en de ijzertijd in het duingebied (Den Haag 2012)

  • Trierum, M.C. van, Nederzettingen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd op Voorne-Putten, IJsselmonde en in een deel van de Hoekse Waard, in : A.B. (z.p., 1992)

  • Döbken (red.), BOORbalans 2 (Rotterdam 1992)

  • Zoolingen, J. van, Het Verleden van de Velden. Archeologie van de Duin- en Bollenstreek (2017)*

 

 

Over de auteur

Evert van Ginkel schrijft publieksboeken over geschiedenis en archeologie, maakt exposities en films en zet zich al jaren in om archeologie onder de aandacht te brengen bij het brede publiek.

0 reacties

Plaats een reactie

Verzenden

Ontvang de laatste verhalen in je mailbox

Wil je op de hoogte gehouden worden van nieuwe publicaties? Abonneer je dan op onze nieuwsbrief!

Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.

Deze website maakt gebruik van geanonimiseerde cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren en voor de analyse van onze website. Deze cookies kun je niet uitzetten. Bij het tonen en afspelen van YouTube video's worden cookies van derden geplaatst. Deze cookies van derden kun je wel uitzetten. Klik op "Akkoord" als je akkoord gaat met dit gebruik van cookies, klik op "Aanpassen" voor meer informatie en om zelf te bepalen welke cookies deze website plaatst.