Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Stille Getuigen -3-

Het verlichtingsdenken in de achttiende en negentiende eeuw zorgde opnieuw voor een verandering. Onder invloed van de Franse overheersing verbood koning Willem III in 1830 het begraven in en rond de kerken. De doden waren een bedreiging voor de volksgezondheid. Daarom werden gemeenten met meer dan 1000 inwoners verplicht om begraafplaatsen buiten de stad aan te leggen.

Het verlichtingsdenken in de achttiende en negentiende eeuw zorgde opnieuw voor een verandering. Onder invloed van de Franse overheersing verbood koning Willem III in 1830 het begraven in en rond de kerken. De doden waren een bedreiging voor de volksgezondheid. Daarom werden gemeenten met meer dan 1000 inwoners verplicht om begraafplaatsen buiten de stad aan te leggen.    

Begraven buiten de stad
Men legde landschappelijke begraafplaatsen aan en liet zich inspireren door de Engelse landschapstuin. Slingerpaden, open velden, waterpartijen met glooiende oevers, boomgroepen en follies werden samengevoegd tot een schilderachtig landschap. De landschappelijke begraafplaats zette de wandelaar aan tot melancholische overpeinzingen. Deze nieuwe situatie veronderstelde een nieuwe rol en vorm voor de grafmonumenten. Naast grafmarkering werden ze opgevat als tuinsieraden die de romantische en melancholische sfeer van de tuin moesten verhogen.

Door de hernieuwde aandacht voor de oude Grieken en Romeinen kregen de nieuwe grafmonumenten vaak een neoclassicistisch uiterlijk. Zodoende werd traditionele christelijke grafsymboliek aangevuld met classicistische motieven zoals de urn en de treurende vrouw.

Particuliere rouw in de negentiende eeuw
De rouwgebruiken in de negentiende eeuw gaven uiting aan het persoonlijke gevoel van gemis en verbondenheid. De objecten die dit gevoel vertaalden waren ontdaan van hun religieuze functie en kwamen terecht in het privé domein van de rouwenden. In de negentiende eeuw veranderde er namelijk iets wezenlijks in het gevoel van het verlies van een dierbare. De dood van de ander werd als ondragelijk ervaren. Deze verandering, na eeuwen van oprecht en doorleefd geloven in een beter leven ‘hierna’, had verschillende oorzaken.

De daling van het sterftecijfer bijvoorbeeld had effect op de beleving van de dood. De dood was minder aanwezig in het dagelijks leven en werd dus minder ‘normaal’ gevonden. Een andere oorzaak was de toegenomen emotionele betrokkenheid tussen ouder en kind. Rousseau beschreef deze affectieve relatie in zijn opvoedkundige roman Emile.

De dood werd in de negentiende eeuw geïdealiseerd en gezien als een vlucht uit het leven. Het was de mogelijkheid om een geliefde te treffen in het hiernamaals. Aan de andere kant ontstond er juist twijfel over dit weerzien in het hiernamaals waardoor de dood beangstigend werd. Deze angst werd verbloemd door de dood te idealiseren. Het cultiveren van de herinnering en de obsessieve idealisering van de dood kregen concreet gestalte. De zogenaamde haarsouvenirs, maar ook andere herinneringsvoorwerpen zoals post-mortemfotografie en dodenmaskers, zijn pogingen om de overledene dichtbij te houden, men noemt dit ook wel ‘linking objects’ Men projecteert in een object een samenkomst met de overledene waardoor de scheiding minder pijnlijk aanvoelt. Een haarsieraad bestond vaak uit een haarwerkje in een medaillon, broche of ring. Haarsieraden konden ook geheel uit haar bestaan. Kettingen, oorbellen, horlogekettingen en armbanden werden geklost met haarstrengen.

Er bestonden ook haarschilderijen, voorstellingen van grafscènes of bloemmotieven rondom fotoportretten die waren ingelijst. De haarsouvenirs werden vervaardigd door professionele haarwerkers, pruikenmakers, kappers of nonnen. Maar ook amateurs hielden zich met deze vorm van kunstnijverheid bezig. Het damesblad Penélopé, de Libelle van de 19de eeuw, gaf haar lezeressen uitgebreide instructies in de haarbewerking. De overmatige rouwcultus is ook terug te zien in de rouwdracht. Onder invloed van het Victoriaanse Engeland steeg het aanbod van rouwkleding en rouwaccessoires. Het dragen van rouwkleding was naast het uitdrukken van een gemoedstoestand ook een manier om standsverschillen te onderstrepen. Deftige rouwkleding was statusverhogend want het liet zien dat men het verdriet op een waardige manier droeg.

De accessoires waren hierbij minstens zo belangrijk. Kettingen, oorbellen, spelden, knopen en hangers van git werden massaal geproduceerd. Git, ontstaan uit prehistorisch drijfhout dat net als steenkool is samengeperst, leende zich uitstekend voor het maken van rouwsieraden omdat het nauwelijks glimt en makkelijk bewerkt kon worden. Voor de minder bedeelden bestond er armoedegit, dat was gemaakt van zwart glas. Ook binnenshuis werd er aandacht besteed aan de rouw. Men gebruikte in de rouwperiode rouwserviezen, een zwart servies, ook wel Basaltware genoemd.

Cremeren, de nieuwe vorm van lijkbezorging
Lijkverbranding werd op grond van de christelijk leer verboden in 785 door Karel de Grote. In het midden van de negentiende eeuw kwam een beweging op gang die de lijkverbranding wilde herinvoeren. De beweging stond voor het recht van vrije keuze voor begraven of cremeren. Tevens werd cremeren als ordelijk en hygiënisch opgevat. De voorstanders van de lijkverbranding, ook wel crematisten genoemd, richtten in 1874 de ‘Vereeniging tot invoering der Lijkverbranding in Nederland’ op. Deze had als doelstelling het cremeren wettelijk gelijk te stellen met begraven. Ondanks veel tegenwerking, die voornamelijk afkomstig was van de katholieke kerk, werd besloten om een crematorium te bouwen. Dit was mogelijk omdat in de Begrafeniswet alleen werd gesproken over begraven. Er stond nergens aangegeven dat cremeren strafbaar was. Lijkverbranding werd daarom lang gedoogd.

Pas in 1955 werd cremeren in Nederland wettelijk mogelijk. Op begraafplaats Westerveld in Driehuis werd in 1913 het eerste crematorium van Nederland gebouwd naar ontwerp van Marius Poel. Het gebouw, met de markante koepel, was ontworpen in de art deco stijl. Onder het gebouw bevinden zich columbaria die, door de populariteit van het cremeren al snel te klein waren. In 1926 werd door de architect Willem Marinus Dudok een tweede columbarium gebouwd. In 1932 zag hij toe op de aanleg van een urnentuin en ontwierp later nog een aantal columbaria. De urn kreeg, na eeuwenlang als decoratie te hebben gefungeerd, zijn oorspronkelijke functie terug. Ontwerpers als Willem Coenraad Brouwer en Willem Marinus Dudok lieten in hun nieuwe urnen de classicistische vormentaal ver achter zich.

Uitvaartrituelen vandaag
Uitvaart- en rouwrituelen zijn in korte tijd veranderd. Tegenwoordig wijzen wij bijvoorbeeld formele rouwvoorschriften zoals het dragen van rouwkleding af. Mensen ondervinden geen steun meer aan deze voorgeschreven regel. Hetzelfde geldt voor religieuze rituelen. Deze hebben in onze geseculariseerde maatschappij hun betekenis verloren. Het wegvallen van uitvaart- en rouwrituelen wordt meestal negatief opgevat, als verval van tradities en gebruiken. Aan de andere kant biedt de verschraling van uitvaart- en rouwrituelen een kans om nieuwe rituelen te ontwikkelen die passen bij onze individualistische, multiculturele maatschappij.

De relatief korte periode van hardnekkige ontkenning van de dood, grofweg vanaf de jaren 50 tot aan het eind van de jaren 90, was de opmaat voor een waardevolle tegenbeweging. De zoektocht naar nieuwe en persoonlijke uitvaart- en rouwrituelen is momenteel in volle gang. Uitvaart- en ritueelbegeleiders helpen nabestaanden om rituelen te ontwikkelen die bij de persoonlijkheid van de overledene of bij de behoefte van de nabestaanden past. Kunstenaars en ontwerpers zijn ook druk met het definiëren van nieuwe rituelen. Oude rituelen en gebruiken worden onderworpen aan herinterpretatie. De negentiende-eeuwse herinneringsvoorwerpen zijn bijvoorbeeld een belangrijke bron van inspiratie. De huidige as-sieraden zijn een echo van de haarsouvenirs. Ook de postmortem-foto en het dodenmasker keren weer terug binnen het scala aan rituelen. De tastbare herinnering heeft niet aan kracht ingeboet. De herinterpretatie en vernieuwing van uitvaart- en rouwrituelen verrijkt ons funeraire erfgoed. Hedendaagse ontwerpen worden daarom nu al verzameld en getoond in Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover.

Terug naar pagina 1 - naar pagina 2

Over de auteur
Dit artikel is geschreven door Babs Bakels, conservator van het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover. Bekijk ook dit interview (uit 2008) met haar over het museum.

2009 Jaar van de Tradities
Het thema Stille Getuigen is gerealiseerd in het kader van het Jaar van de Tradities, een inititiatief van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Meer informatie is te vinden op www.traditie.nl.

Oproep: Erfgoedhuis op zoek naar historische informatie
Wij willen de informatie op de website graag aanvullen met bijdragen van het publiek. Heeft u zelf nog een voorwerp of foto, of heeft u informatie over lokale en regionale tradities op het gebied van rouw en begrafenis die u graag wilt delen, laat het ons dan weten via redactie@geschiedenisvanzuidholland.nl.

Links

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.