Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Wij plaatsen zelf ook cookies om onze site te verbeteren. Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Smokkelaars en invalide soldaten op de Schans

Een brief uit 1776 geeft een bijzonder inkijkje in het leven op Fort Wierickerschans

Als onderdeel van de (Oude) Hollandse Waterlinie verloor Fort Wierickerschans al vrij snel zijn oorspronkelijke functie. In 1740 werd Woerden opgenomen in de Waterlinie en als gevolg hiervan speelden de vestingwerken ten westen van Woerden – waaronder Fort Wierickerschans - geen belangrijke rol meer bij de verdediging van Holland.    

In 1747 werd het fort bestemd tot stapelplaats van militaire goederen voor het gewest Holland. Nog in hetzelfde jaar werd er een ‘pulvermagazijn’ gebouwd, waarin buskruit werd opgeslagen. Dit kruithuis staat er nog steeds. Om vonkvorming te voorkomen werd het kruit in linnen zakken verpakt en met koperen haken aan met lood beklede balken opgehangen. Ook waren de muren van het kruithuis erg dik en het dak juist erg licht. Een eventuele explosie zou zo minder schade aanrichten omdat de boel dan letterlijk de lucht in ging.

Op het fort werden voornamelijk soldaten gestationeerd die niet konden worden ingezet in actieve krijgsdienst. Uit archiefmateriaal blijkt dat er een ‘detachement invalides’ op het fort was gevestigd. In het Nationaal Archief bevindt zich een namenlijst uit 1766 van dit detachement dat onder leiding stond van onderluitenant Martinus van Cour. Naast officier Van Cour ging het om 2 sergeanten, 4 korporaals en 28 ‘gemeene’ (gewone) soldaten, dus in totaal om 35 manschappen.

Uit een bewaard gebleven brief uit 1776 van de toenmalige bevelhebber van het fort wordt een inkijkje gegeven in het leven op het fort. In de brief wordt verslag gedaan van een brand die was uitgebroken op het fort als gevolg van een kaars van “een invalide corporael (…) wiens vrouw was overleeden en (…) bij ’t lijk ’t welk op stroo in de bedsteede lag.” Blijkbaar woonden ook de echtgenotes van de manschappen – in ieder geval van de (iets) hogere rangen- op het fort. De brand was niet zo maar geblust omdat “18 van de beste manschappen invalides met verloff weg zijn, en maer in ’t geheel 20 man met de onderofficieren present zijn, waervan een gedeelte dooff, het andere blind, het derde kreupel, het grootste gedeelte oud, zwak en afgeleeft.” Het liep gelukkig goed af, dank zij boeren uit de omgeving die in groten getale waren opgedraafd om te helpen met blussen.

Het was al de “tweede maal brand die voor de invalides zedert het jaer 1761 in de schans veroorsaakt is, God bewaer ons voor een derde.” Commandant Johan Casper Regis was er niet gerust op. Hij zat liever in zijn eentje op het fort dan met deze manschappen. Dat zou voor iedereen beter zijn. “Alsoo het voor mijn sonder iemand veel geruster, en voor den landen veel voordeeliger was, door dien sij veel meer tot zorg en gevaer verstrekken als tot hulp en bewaaring van ’s lands goederen soude aldaar geen diergelijken zorg en gevaer meer van haer te wagten hebben.”

Als we afgaan op de beschrijving die commandant Regis van zijn ‘manschappen invalides’ gaf, waren deze nauwelijks tot iets in staat. Uit andere bronnen blijkt echter dat de soldaten op de Wierickerschans in ieder geval op één gebied bijzonder actief waren. Velen van hen waren betrokken bij smokkelhandel. Goederen die de grens passeerden moesten officieel worden geregistreerd, en dat gebeurde door er accijns over te betalen. Smokkelaars die goederen illegaal de grens over vervoerden, zonder te betalen, konden hier dus financieel voordeel uithalen.

In het grensgebied tussen Holland en Utrecht werd veel gesmokkeld en om dit tegen te gaan opende Holland in 1750 een bewakingspost, vlakbij de Wierickerschans. In deze omgeving stonden twee beruchte smokkelhuizen tegenover elkaar, aan weerszijden van de Enkele Wiericke, de grens tussen de beide gewesten. Hier werden regelmatig goederen van het ene huis via het water naar het andere huis vervoerd. De Gecommitteerde Raden benoemden een grenswachter om controles uit te voeren, een oud- militair die het wat rustiger aan wilde gaan doen.

Uit de archieven blijkt dat deze Jan Radix regelmatig smokkelaars aanhield. Bijvoorbeeld de Bodegraafse schoenmaker Cornelis Vos, die drie broden had gesmokkeld en daarvoor werd gegeseld en voor zes jaar verbannen. Regelmatig kreeg Radix het aan de stok met de soldaten uit het nabijgelegen Wierickerschans. In plaats van dat ze hem hielpen met het bestrijden van de smokkel, waren het zelf actieve smokkelaars. Ze smokkelden voor zichzelf, maar ook voor mensen uit de buurt en zo schaamteloos dat het de autoriteit van Radix danig aantastte.

Uit 1754 is een incident bekend van Zwitserse soldaten die met een zak vlees uit één van de smokkelhuizen kwamen lopen en daarmee langs de wachtpost wilden. Toen Radix een arrestatie wilde verrichten werd hij bedreigd met een sabel en verdwenen de smokkelaars snel in de Wierickerschans. Radix was ervan overtuigd dat commandant Regis dit alles oogluikend toeliet en beklaagde zich bij zijn meerderen.

In het onderzoek dat volgde maakten beide partijen elkaar zwart. Regis en zijn vrienden beschuldigden Radix er van dat hij teveel dronk en daardoor zijn werk niet goed kon doen. Hij zou voortdurend vechten, illegaal met een boot door de schansgracht gevaren zijn en zou zelfs ’s nachts op de wallen rondom de schans klimmen om er vervolgens met een snaphaan te gaan schieten. Kortom, volgens de militairen bracht Radix het fort ernstig in gevaar.

Er werden geen maatregelen genomen, en de situatie ging van kwaad tot erger. In een verslag uit 1756 beschreef ook de baas van Radix dat hij, op weg naar de wachtpost “nog drie soldaten ontmoette welke hunne rensels alsmede nog linne ranpsakke dragende, gevuld met sluykgoederen (=smokkelwaar), en bij het passeren derselve, daagden zij mij uit met bedreiging, indien ik tot haar naderde, mijn kort en klein te kappen en veel vuyle expressie.” Jan Radix werd enkele jaren later, in 1761, vermoord tijdens een patrouille bij Bodegraven. Het smokkelen bleek onuitroeibaar. Toen de Fransen in 1795 binnenvielen, nam de omvang van de smokkelarij alleen nog maar toe, om pas op te houden in 1805, toen een nieuw, nationaal belastingstelsel werd ingevoerd, waarin geen ruimte meer was voor gewestelijke accijnzen.

Links

Reacties

  1. hefra

    Jan Radix,was mijn stamvader.

    21 december 2011

  2. Redactie

    Beste Hefra, wat bijzonder! Zo te lezen had hij het niet makkelijk op de Wierickerschans... Weet je meer over hem en over zijn leven in het leger? Kwam hij uit de regio?

    21 december 2011

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.