Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Ruzie tussen de rails: de aanleg van de spoorlijnen

De komst van de trein was een keerpunt in de ontwikkeling van het openbaar vervoer

. Maar in de eerste helft van de negentiende eeuw keken de Hollanders daar nog heel anders tegenaan. Terwijl de stoomlocomotief tussen 1830 en 1840 eerst Engeland en daarna het continent veroverde, aarzelde Nederland met de aanleg van het spoor. Het vervoer over water was toch prima? En we hadden toch net nieuwe straatwegen? Daarbij kwam dat Holland na de Bataafs-Franse tijd en de Belgische afscheiding in 1830 zo ongeveer bankroet was. De staat liet spoorinitiatieven daarom graag over aan particuliere ondernemers.    

Kort nadat op 20 september 1839, om half twee ’s middags, de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) de allereerste trein van Amsterdam naar Haarlem liet rijden, richtte ze haar blik op het zuiden. De HSM wilde zo snel mogelijk een verbinding tussen Amsterdam en Rotterdam aanleggen. Die zou langs Den Haag en Haarlem moeten lopen. In augustus 1842 was de lijn tot Leiden gevorderd en nog geen vier maanden later 1842 tot Den Haag. Maar pas na bijna vijf jaar bereikte de HSM haar voorlopige hoofddoel Rotterdam.

Eenvoudig verliep die aanleg niet. Particuliere grondbezitters laggen geregeld dwars. In Hillegom dwongt zo’n eigenaar de aanleg van een stationnetje af (Veenenburg). En bij Delft verliepen de onderhandelingen zo moeizaam dat de HSM de spoorlijn uiteindelijk met een paar scherpe bochten om een omstreden stuk land heen legde: het zogeheten laantje van Van der Gaag.

De spoorwegmaatschappijen zelf maakten het er ook niet eenvoudiger op. De samenwerking was in de beginjaren nihil. Terwijl de HSM Amsterdam en Rotterdam met elkaar verbond, legde de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) een lijn aan van Amsterdam via Utrecht naar het oosten. Dat spoor kreeg in 1855 een aftakking van Utrecht naar Rotterdam. De lijnen sloten echter letterlijk niet op elkaar aan. En toen ze dat later wel deden, moesten reizigers nog steeds veel moeite doen om van de ene lijn naar de andere te komen. Ze waren bijvoorbeeld verplicht om nieuwe kaartjes te kopen.

Concurrentie drukte de maatschappijen soms hardhandig de kop in. Toen de Staatsspoorwegen (SS) met particuliere investeerders maatschappijtjes oprichtte om langs de lijn Rotterdam-Haarlem-Amsterdam parallelle lokaalspoorlijnen aan te leggen, kocht de HSM stilletjes alle aandelen op. De lijnen kwamen er wel, maar zo dat ze geen enkele bedreiging vormden.

Hoewel er al in 1852 initiatieven waren, liet de verbinding van Zuid-Holland naar Brabant en België lang op zich wachten. Het Hollandsch Diep was een grote hindernis. Stoomboten waren lange tijd een schakel in de spoorlijn tot het rijk uiteindelijk besloot een spoorbrug te laten bouwen. Die ging in 1872 open.

In de jaren ’70 van de negentiende eeuw ging de Staat eindelijk werk van de spoorwegen maken. De Tweede Kamer eiste een groot aantal nieuwe lijnen, waaronder Schiedam-Rotterdam-Maassluis, Leiden-Utrecht en Gorinchem-Gouda-Alphen aan den Rijn. Noodgedwongen verbeterde de samenwerking tussen de spoorwegmaatschappijen langzamerhand. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen de spoorbedrijven door de toenemende brandstofkosten echter steeds meer in de problemen. In 1916 richtten ze de NV. Nederlandsche Spoorwegen op, waar ze stap voor stap in opgingen. In 1918 volgde de eerste gezamenlijke treinenloop.

De maatschappijen gingen volop aan de slag met het elektriciferen van het spoor. Elektrische treinen waren sneller en vergden aanzienlijk minder personeel. De Hofpleinlijn in Rotterdam was de eerste elektrische spoorlijn (1908). De Oude Lijn (tussen Amsterdam en Rotterdam) kwam in 1927 aan de beurt. De aanleg van nieuwe sporen stokte na 1934 met de opening van de lijn Gouda-Alphen aan den Rijn. Pas ruim 40 jaar later kwamen er weer nieuwe verbindingen bij: de Zoetermeerlijn (1977) en het eerste deel van de Schiphollijn (1978).

Vanaf de jaren ’60 probeerden de NS het spoor aantrekkelijker te maken door meer stations in stadswijken en dorpen te openen. Zuid-Holland telt inmiddels 53 stations. De komende drie jaar komen er daar zeker nog zeven bij.

Lees verder: Van paardenomnibus naar interliner: de opkomst van het busvervoer; Haagse en Rotterdamse primeurs: trams en metro in en rond de steden of Supersnel en tergend traag: trekschuiten, postkoetsen en stoomboten.

Er op uit
Zelf de geschiedenis van het openbaar vervoer in Zuid-Holland ontdekken? Laat je inspireren door onze er-op-uit tips!

Links

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.