Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Het einde van de trekschuit op de Schie

door Ad van der Zee

Op 31 mei 1847 werd het vonnis over de trekvaart op de Schie geveld. Op die dag namelijk werd het spoortraject Den Haag – Rotterdam officieel geopend en dat was het begin van het einde voor het schuitenverkeer op de Schie. Vanaf 3 juni dat jaar gingen de treinen rijden op de ‘oude lijn’ van Amsterdam, via Haarlem, Den Haag en Delft naar Rotterdam. 

Niet dat er nu plots een eind kwam aan een florerende bedrijfstak, integendeel, de neergang was al enige tijd bezig. De jaren ’20 van de 19de eeuw waren in heel Nederland een tijd van economische crisis en armoede geweest. De beurtschepen vervoerden in die tijd meer armen naar de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid dan handelsgoederen tussen de Hollandse steden, om het wat gechargeerd uit te drukken. En ook het passagiersvervoer liep hard achteruit. De weerslag hiervan vinden we onder meer in de verzoekschriften van schuitvoerders om matiging van de tolgelden wegens de sterk teruglopende verdiensten. Men vroeg zelfs om directe stedelijke subsidies ten einde de schuitverbindingen maar in stand te kunnen houden. Het materieel was er ook slecht aan toe en herhaaldelijk vinden we in de stedelijke archieven zorgwekkende rapporten over de slechte staat van onderhoud van de schuiten. In de jaren ’30 vertoonde het trekschuitverkeer een steeds verder dalende lijn: dienstregelingen werden ingekrompen, het aantal schuiten verminderd, er werd bezuinigd op onderhoud, op personeel, op dienstverlening, op alles.

Er waren ook andere manieren van vervoer in zwang gekomen, de diligence en andere vervoermiddelen op wielen profiteerden van betere wegen en dat ging ten koste van de schuit. Langs de Schie was er zelfs sprake van zogeheten ‘snorwagens’, een verrassend modern begrip dat precies dezelfde lading dekte als wat we tegenwoordig snorders noemen: taxi-diensten die zonder vergunning en tegen betaling passagiers over de weg vervoerden. De schippers klaagden, de overheid vaardigde verboden uit, maar of het echt hielp staat te bezien. De trekschuit was steeds impopulairder geworden en de voltooiing van de spoorverbinding betekende alleen maar de nekslag.

Bekend is de passage uit de Camera Obscura waarin de schrijver Nicolaas Beets een genadeloze opsomming geeft van alles wat er mis is aan de Hollandse trekschuit. Hij schreef dit in 1839, niet toevallig het jaar waarin de eerste trein van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij ging rijden tussen Amsterdam en Haarlem. Niet alleen klaagt Beets over de traagheid van de schuit, maar hij ergert zich vooral aan de onontkoombaar kneuterige conversaties aan boord en de lage sociale standing van zijn medepassagiers. 

“Schuitanecdoten zijn volkomen onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: ‘hoe ver zijn we al, schippertje?’ en het eeuwige: ‘dat betalen moest je afschaffen,’ als de man om zijn geld komt! - Veroordeel de passagiers niet te lichtvaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van geest afdalen. Neem zelf een ‘plaats in 't roefje’, en gij zult zien dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit binnenstapt, en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, en zijn hoekje gekozen heeft, is het als of er van zelf een geest van bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken, den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtige vraagpunt te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of een slaapje te doen.” 

Aan boord van de trekschuit verblijf je in het gezelschap van keukenmeiden, zo zegt Beets, terwijl je in de diligence tenminste met officieren reist en met mensen die wat meer bij de tijd zijn. Het stoomschip is nog weer een stapje beter, maar vervoer per trein, ja, dat is pas je ware!  Beets galmt het uit: “Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralienet neder op onze provinciën!”

Toch poogde men het leven van de schuiten nog wat te rekken, ook na 1847. Zo besloot men op het Delftse stadhuis om de tarieven voor het schuitverkeer flink te verlagen. Nog vóór de eerste trein ging rijden had men de prijs voor een zitplaats ‘in het ruim’ al verlaagd van 27½ naar 20 cent en de duurdere plaats in de roef van 45 naar 35 cent. Het mocht echter niet baten en de exploitatie van de schuiten werd er aanvankelijk alleen maar moeizamer door zodat men zelfs genoodzaakt was een jaar later de tarieven al weer met een stuiver te verhogen! Vanaf dat moment verdwijnen de trekschuiten uit de stedelijke archieven en worden ze alleen nog incidenteel genoemd als een plek benoemd wordt als de plaats ‘waar eertijds het veer naar Rotterdam vertrok’. Ze waren een herinnering geworden aan een voorbije tijd. 

Ook het vrachtvervoer met schuiten op de Schie raakte steeds meer in verval totdat in 1867 Delft en Rotterdam hun directe bemoeienis staakten en alle vervoer op de Schie in handen werd gesteld van de N.V. Stoombootreederij De Schie. Personen gingen voortaan met de trein van Delft naar Rotterdam, vracht ging per stoomschip of over de weg. De moderne tijd was definitief begonnen, Nicolaas Beets had zijn zin gekregen.

undefinedStation Delftsche Poort in Rotterdam, in 1847 gebouwd door de HIJSM. Dit gebouw werd in 1878 afgebroken en vervangen door een nieuw station even verderop. 

Bronnen
Gemeentearchief Delft, Raadsnotulen, 2.2. Inv. Nrs 1 t/m 5, jaren 1815 – 1851.
Gemeentearchief Rotterdam

 

Links

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.