Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Een nieuw hoofdstuk voor Beresteijn

Goed nieuws voor liefhebbers van historisch groen en buitenplaatsen: na jaren overleg tussen ontwikkelaar Amvest en omwonenden wordt buitenplaats Beresteijn in Voorschoten herontwikkeld. Amvest is sinds 2008 eigenaar van de buitenplaats, waarvan het park wordt beheerd door het Zuid-Hollands Landschap. Het monumentale deel van het landhuis, dat al meer dan 15 jaar leegstaat, zal worden gerestaureerd en gaat samen met een nieuw te bouwen deel erachter onderdak bieden aan ouderen die zorg nodig hebben. De overige bijgebouwen, met name uit de 20ste eeuw, worden gesloopt en zullen plaatsmaken voor drie nieuwe appartementenblokken. Het is de bedoeling dat het park aan de Leidseweg in de toekomst open is voor wandelaars.

undefined
Foto: Amvest

18de-eeuwse tuin met grot
Een goed moment om eens terug te kijken naar de geschiedenis van deze buitenplaats, waar onder meer een exclusieve jongenskostschool en een priesteropleiding waren gevestigd. Beresteijn is genoemd naar jonkheer Hugo van Beresteijn, die het huis in 1833 liet bouwen en er met zijn vrouw Anna de Jong van Beek en Donk en hun kinderen ging wonen. Voor die tijd was het terrein in gebruik als ‘overtuin’ van de veel oudere en inmiddels verdwenen buitenplaats Vredenhoef, gelegen aan de andere kant van de weg. De tuin – ouder dan het huis – bevatte klassiek 18de- en 19de-eeuwse kenmerken, met onder andere een kruisvijver en een slingervijver. De kruisvijver werd rond 1930 gedempt maar is onlangs, mede dankzij een bijdrage van de provincie Zuid-Holland, weer uitgegraven.

Een bijzonder element in de tuin is de grot. Deze heeft waarschijnlijk ooit toegang geboden tot de hermitage, een zogenaamde kluizenaarshut die was bedoeld als romantische decoratie (folly). Bezoekers konden hiervandaan uitkijken over de hele omgeving. Vergelijkbare hermitages (met een entree via een donkere grot, uitkomend op een lichte koepel) zijn ook op enkele andere buitenplaatsen in de buurt te vinden.

Hugo van Beresteijn werd in 1825, op zijn 35ste,  in de adelstand verheven. Ongetwijfeld hoopte hij dat zijn kersverse buitenplaats nog vele generaties in de familie zou blijven, maar dat liep helaas anders. Om financiële redenen moest hij namelijk het huis in 1846 verkopen. De jonkheer moest hierdoor verhuizen naar een klein huurhuis in Rijswijk, waar hij wellicht nog vaak aan zijn mooie buitenplaats in Voorschoten heeft gedacht. In de jaren die volgden, kreeg buitenplaats Beresteijn enkele andere particuliere eigenaren. Hierbij zijn het vooral de vele connecties (en onderlinge verkopen) tussen de bewoners van Beresteijn en het naastgelegen Berbice opvallend. Het huis kreeg in deze periode ook zijn huidige uiterlijk in neo-renaissancestijl.

undefinedHugo van Beresteijn, de eerste bewoner van Beresteijn (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Een exclusieve kostschool
In 1893 werd er een kostschool gevestigd op Beresteijn. Het Instituut Wullings, genoemd naar de eigenaar Hendrik Wullings, startte met slechts 16 leerlingen. Maar al snel groeide de school uit tot een begrip: in sommige jaren werden er zelfs meer dan 150 leerlingen geteld. Jongens uit de hogere kringen van de samenleving konden op Instituut Wullings een HBS-opleiding volgen. In krantenadvertenties profileerde de school zich als dé oplossing voor leerlingen die “extra hulp, leiding en toezicht bij de studie” nodig hadden. Met trots werd er vermeld voor welke vervolgopleidingen – de Koninklijke Militaire Academie, de Zeevaartschool en de Marine – leerlingen zoal waren aangenomen. Ook prominente families uit Nederlands-Indië stuurden hun zonen naar de kostschool. Onder de dorpsbewonders leidde dit tot verhalen dat de kok zulke scherp gekruide rijst kookte dat deze “voor Hollanders niet te kanen” was.

In verhalen van oud-leerlingen figureert de eerdergenoemde grot, waar werd afgesproken als er iets uitgevochten moest worden. Op de bestaande buitenplaats kwamen uitbreidingen om alle leerlingen te kunnen huisvesten. Er kwamen bijgebouwen en er werden de nodige aanpassingen uitgevoerd. Ook werd er een tennisbaan aangelegd en konden leerlingen voetballen en hockeyen op het terrein. Ouders moesten dan ook een flink bedrag aan school- en kostgeld betalen. Vergeleken met de koopkracht van nu was dit zo’n 16.000 euro per jaar.

undefined
Eindexamenleerlingen van Instituut Wullings, begin jaren ‘30. Het was een traditie dat alleen leerlingen in de hoogste klas die zich op het eindexamen voorbereidden een witte broek mochten dragen. (Collectie P.J. de Lint) 

Na het overlijden van directeur Wullings in 1936 werd de school nog voortgezet, maar de Tweede Wereldoorlog markeerde het begin van het einde. Personeel werd tewerkgesteld in Duitsland, er waren leerlingen die moesten onderduiken en de nieuwe directeur werd ernstig ziek. Als klap op de vuurpijl werd Beresteijn in het voorjaar van 1944 gevorderd door de Wehrmacht en moesten de overgebleven leerlingen verhuizen naar een onderkomen in Leidschendam.

Roomse idealen
Na de bevrijding besloot directeur-eigenaar Van Suchtelen te stoppen met de school. Hij verhuurde het complex aan een groep Brabantse paters die een onderkomen zochten omdat hun klooster in Langeweg, niet ver van Moerdijk, was verwoest. Deze Kapucijnen – gekleed in bruine pij met kap, met blote voeten in sandalen – runden op Beresteijn een seminarie, een middelbare school voor jongens die priester wilden worden. In het park legden ze een openluchttheater aan, waar elke zomer een voorstelling werd opgevoerd voor ouders van leerlingen en de inwoners van Voorschoten.

 undefined
Broeders Montfortanen tijdens hun dagelijkse rondgang door het park. De broeders – zonder priesterwijding, in tegenstelling tot paters - waren onmisbaar op het seminarie en zorgden o.a. voor de dagelijkse maaltijden. (Collectie www.montfortaans-beresteyn.nl)

Toen de Kapucijnen in 1954 terug naar Brabant verhuisden nam een andere kloosterorde, de Montfortanen, hun plaats in. Mariaverering stond centraal voor deze paters en broeders die in zwarte pij met rozenkrans waren gestoken. Zij waren onder meer in Afrika, Azië en Zuid-Amerika actief als missionarissen. In brochures uit die tijd is te lezen dat hun seminarie was bedoeld voor jongens met “een openhartig en goed karakter” die “gelukkig worden door anderen gelukkig te maken.” Potentiële leerlingen moesten dan ook een getuigschrift van hun plaatselijke geestelijke overleggen. De elitaire scholieren van Wullings hadden plaatsgemaakt voor jongens met religieuze idealen die op Beresteijn de eerste helft van hun priesteropleiding voltooiden. Dit weerspiegelde zich in het kostgeld, dat stukken lager was dan in het tijdperk Wullings. Een veelzeggend detail was dat de tennisbaan werd verwijderd, zodat er meer ruimte was om te voetballen. Een in 1936 gebouwd gymlokaal werd in gebruik genomen als kapel. De Montfortanen voerden de nodige verbouwingen uit, waarbij ze ook zelf (timmerwerk, vloeren leggen) de handen uit de mouwen staken.

undefined
Leerlingen van het seminarie van de Montfortanen steken hun handen uit de mouwen bij het bladvrij maken van de slingervijver. (Collectie Montfortaans Beresteyn)  

Nadat in de jaren ’60 het aantal leerlingen sterk terugliep, en in 1968 de Mammoetwet werd ingevoerd, werd de seminarie opgeheven. De overgebleven leerlingen bleven intern, maar moesten naar middelbare scholen in de omgeving. Later startten de Montfortanen een ‘gewoon’ internaat op het landgoed, voor kinderen uit onder meer probleemgezinnen. Toen er begin jaren ’80 te weinig paters waren om dat internaat te runnen, werd het omgevormd tot een opvanghuis voor mensen die tijdelijk onderdak nodig hadden. In 2001 vertrokken de laatsten der Montfortanen naar hun moederklooster in het Limburgse Schimmert. Sinds die tijd wacht Beresteijn op een nieuwe bestemming, zodat deze bijzondere buitenplaats aan een nieuw hoofdstuk in zijn geschiedenis kan beginnen. 

Tekst: Marloes Wellenberg


Met dank aan Jane Koopstra-Kraal, Annelies Aerts, Gijs van den Berg en Margo van Aarle.

undefined
Foto: Amvest

---------------------------------------
De Zocherparken
Wie van historische parken en tuinen houdt, heeft vast de naam Zocher wel eens gehoord. Deze familie van tuinarchitecten heeft generaties lang beeldbepalende tuinen ontworpen voor landgoederen en buitenplaatsen in heel Nederland. Ook de tuin van Berbice, naast Beresteijn gelegen, werd door  Johan David Zocher Sr. begin 19de eeuw onder handen genomen en omgevormd tot een park in landschapsstijl.

Omdat er in de praktijk maar weinig bekend was over de werkwijze van de Zochers, en beheerders van veel tuinen op zoek waren naar handvaten om ze mooi te houden en/of te herstellen, heeft het Erfgoedhuis onderzoek laten uitvoeren naar Zocherparken in Zuid-Holland. Het resultaat is te bekijken op de website www.zocherparken.nl. Daar is bijvoorbeeld te zien welke sporen er op Berbice nog zijn te vinden. Andere Zuid-Hollandse parken die uitgebreid aan bod komen zijn Beukenhorst en Oosterbeek in Wassenaar en Vreugd en Rust in Voorburg. Het onderzoek werd mogelijk gemaakt dankzij een bijdrage vanuit de Erfgoedlijn Landgoederenzone, een initiatief van de provincie Zuid-Holland.

 

 

Links

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.