Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

De Lantaarn: de Rotterdamse club van Benjamin Furly

door Wiep van Bunge

In de literatuur over Rotterdam in de vroegmoderne tijd stuit je steeds weer op ‘De Lantaarn’, de Rotterdamse ‘club’ van Benjamin Furly (1636-1714), waar vanaf de jaren tachtig van de zeventiende eeuw tot in het begin van de achttiende eeuw sommige van de interessantste geleerden van Europa bijeenkwamen om te discussiëren, te socializen en om bier te drinken. Er is zelfs sprake van een 'sociëteit', aan de Scheepmakershaven. Dat gaat wat ver. Het huis van Furly heette 'De Lantaarn', en hoewel hij niet in dat huis lijkt te hebben gewoond, werd er inderdaad bier geschonken. Maar aan de Scheepmakershaven werden verder vooral heel veel boeken bewaard. Veel voor zeventiende-eeuwse begrippen, welteverstaan. Hij had er zo’n 4200 – en uit de bewaard gebleven Catalogus van de Bibliotheca Furliana blijkt dat Furly bijzondere titels bezat. Hij had trouwens meer huizen in de stad dan alleen dat pand aan de Scheepmakershaven: ook aan het Haringvliet, de Wijnstraat en de Goudse Rijweg huurde en kocht hij huizen.  

Rotterdam als 'brandhaard' van de Verlichting
Furly wordt vooral veel genoemd om de bijzondere rol van Rotterdam te duiden ten tijde van de vroege Verlichting. Rotterdam zou één van de eerste brandhaarden van die Verlichting zijn geweest – als woonplaats van Pierre Bayle, als tijdelijk adres van de naar de Republiek gevuchte John Locke, en als geboorteplaats van Mandeville, meeting point van Shaftesbury en Toland, én natuurlijk als de stad waar in 1684 het eerste publieke debat werd uitgevochten over de filosofie van Spinoza, en waar Pieter Rabus de Boekzaal van Europa lanceerde – misschien wel het eerste expliciet 'verlichte' tijdschrift in de Nederlandse taal.  

En dat is allemaal waar. Nog in 1672, tijdens het rampjaar hadden liberale, ‘erasmiaanse’ Rotterdammers uit de bestuurlijke bovenlaag op hun tellen moeten passen. Regent Adriaan Paets had geluk gehad: hij was net benoemd als gezant in Madrid, maar zijn collega Johan Pesser werd gevangen genomen en Pieter de Groot – zoon van de grote Hugo – zag zich gedwongen uit te wijken naar Antwerpen. Ook minder hooggeplaatste erasmianen als de dichter Joachim Oudaen en Jacob Ostens, de sociniaanse chirurgijn die brieven wisselde met Spinoza, liepen reëel gevaar. En dat gevaar week niet met de moord op de gebroeders De Witt en de benoeming van Willem III tot stadhouder: nog in 1674 achtte men het raadzaam het standbeeld van Erasmus tijdelijk van zijn sokkel te lichten. Zogenaamd voor het uitvoeren van achterstallig onderhoud, maar ook omdat de calvinistische hetze tegen de staatsgezinde Loevesteinse factie maar niet tot bedaren kwam.  

Pas in 1677 keerde de rust terug – dan, althans wordt het standbeeld van Erasmus ‘in ere hersteld’. Dat ging gepaard met nogal wat feestelijkheden, en alles wijst er op dat de stad voor even weer in wat rustiger vaarwater terecht kwam. In 1681 werd de Illustre School geopend, en werd – in de herfst van dat jaar – de jonge Pierre Bayle welkom geheten door Paets. Niemand kon vermoeden wat Bayle als hoogleraar Filosofie en Geschiedenis de stad zou brengen. Hij had nog niets gepubliceerd, en hij was vooral in urgent need of a job, nadat zijn vorige werkgever, de protestantse universiteit van Sedan door Lodewijk XIV was gesloten. Nog geen jaar in de stad, publiceerde Bayle – anoniem – zijn Lettre sur la comète, weer twee jaar later lanceerde hij de Nouvelles de la République des Lettres, en was zijn naam gemaakt.  

undefined
John Locke (Wikimedia Commons)

In 1683 vluchtte John Locke naar de Republiek, op verdenking van betrokkenheid bij een poging Karel II te vermoorden. Locke leefde afwisselend in Amsterdam en Rotterdam, waar hij bij Furly thuis onder anderen Bayle leerde kennen. Locke was vijftien jaar ouder dan Bayle, en had ook nog niets gepubliceerd, maar anders dan Bayle speelde hij als arts van de eerste graaf van Shaftesbury wel een politieke rol in zijn eigen land, namelijk in het verzet tegen een dreigende katholieke troonsopvolging. Bayle zou de rest van zijn leven in Rotterdam blijven wonen, Locke zou na de Glorious Revolution terugkeren naar Engeland, waar hij in korte tijd zou uitgroeien tot de belangrijkste filosoof van zijn generatie: maar zijn verblijf, onder andere in Rotterdam, stelde hem in de gelegenheid zowel zijn Essay concerning Human Understanding te voltooien als zijn Two Treatises of Government en zijn Epistola de Tolerantia.   

Het is ondoenlijk in één paragraaf de betekenis van Bayle en Locke voor de Verlichting samen te vatten. In de meeste handboeken wordt Bayle de eerste Franse verlichte filosoof genoemd, en Locke de eerste Britse. Bayle vanwege zijn aanval op bijgeloof, zijn ideeën over deugdzaam atheïsme, zijn kritiek op de geschiedenis van het christendom en zijn pleidooi voor tolerantie – de Commentaire philosophique. U weet: zijn Dictionnaire uit 1697 zou hét voorbeeld worden van Diderot en D’Alembert’s Encyclopédie. Locke legde de basis voor heel de achttiende-eeuwse kentheorie, ontwierp de moderne politieke contracttheorie, en – we zagen het al - pleitte eveneens voor tolerantie. (Behalve voor katholieken en atheïsten – er zijn natuurlijk grenzen.) 

Beide Rotterdamse verhalen – zowel dat van Bayle als dat van Locke – laten denk ik vooral zien hoe nauw het lot van Rotterdam verbonden was met de Grote Geschiedenis van de ons omringende landen. Toen Bayle hier aankwam stond Frankrijk vlak voor de herroeping van het Edict van Nantes in 1685; toen Locke weer vertrok was in Engeland voorgoed een eind gekomen aan het spookbeeld van een katholieke Stuart monarch: Jacob II week uit naar Frankrijk. Voor de havenstad die Rotterdam toen al was, sprak die afhankelijkheid van het Grote Buitenland misschien wel vanzelf. 

Little London
Aan het einde van de zeventiende eeuw woonden in Rotterdam iets meer dan vijftigduizend mensen, van wie enkele duizenden uit Engeland en Frankrijk afkomstig waren. Tot het begin van de negentiende eeuw werd de stad wel aangeduid als 'Little London'. Al aan het eind van de zeventiende eeuw stonden in Rotterdam enkele honderden Britten als poorter ingeschreven. Tel daarbij de niet geregistreerde 'vreemdelingen' in de stad op, en het zal duidelijk zijn dat hier een stevige Britse gemeenschap was gevestigd. En zoals u weet heeft Bayle nooit Nederlands geleerd – gewoon omdat hij hier in de stad een volledig Franstalig leven kon leiden, temidden van vier- à vijfduizend landgenoten. Tot zijn grote opluchting vond hij kort na aankomst zelfs een hospita bij wie hij Frans kon eten. En college gaf hij natuurlijk gewoon in het Latijn. Niet dat dat allemaal zomaar ging, die opvang van zoveel vluchtelingen in zo’n korte tijd: in met name de Franse gemeenschap werd bittere armoe geleden – de armenzorg van de Église Wallonne kraakte in haar voegen. Recent onderzoek, van David van de Linden, heeft dan ook aangetoond dat van de circa 35.000 hugenoten die uitweken naar de Republiek, vele duizenden na verloop van tijd weer terugkeerden naar Frankrijk, en dus weer katholiek werden. 

undefined
Pierre Bayle (Wikimedia Commons)

Maar wat deed Furly dan in Rotterdam? Furly was een Britse Quaker, en hij had zo zijn eigen redenen zich in de Republiek te vestigen. Het Quakerdom was ontstaan tijdens de Engelse Burgeroorlog, en na de restauratie werd het als een gevaarlijke secte gezien, zodat nogal wat Quakers uitweken naar de tolerante Republiek. Hij kwam aan in Rotterdam in 1677, afkomstig uit Colchester en handelde in van alles en nog wat: tabak, zijde, textiel, leer, wijn, enzovoort. Daarnaast was hij agent van William Penn, die in de nieuwe wereld land te koop had – Pennsylvania, en zoals u weet ging vooral op dissenters een grote aantrekkingskracht uit van die nieuwe wereld.   

De grote vraag die Furly’s rol als gastheer van De Lantaarn natuurlijk oproept, luidt hoe uitgerekend een Quaker zo’n sleutelrol kon hebben gespeeld in de radicale, vroege Verlichting? Sarah Hutton heeft gewezen op Furly’s diepe afkeer van religieuze autoriteiten. Voor Furly bestond waar geloof uit het volgen van één enkele regel: 'To love God above all, and our neighbour as ourselves'. Aan Locke schreef hij 'sick of anything' te zijn, 'which looks like sectism, singularitys, and authority'. Keer op keer wees hij zijn vrienden op de noodzaak je eigen oordeel te vertrouwen en je niet neer te leggen bij de autoriteit van welke traditie dan ook – en dat mocht hij van de Quakers, die niet eens een belijdenis onderhielden, maar vooral een individueel beleefd christendom beleden: Quakers werden geacht hun eigen 'Inner Light' te volgen. 

Van dat soort christenen keken ze in de Republiek, en zeker in Holland, niet op: 'collegianten' werden dat soort individuele waarheidszoekers hier genoemd, en ook in Rotterdam had je er daar veel van. Wie dat 'Inner Light’ serieus nam, ging het kritisch onderzoek van de overgeleverde traditie niet uit de weg. Zo kon het gebeuren dat allerlei vrijdenkers hun weg vonden naar Furly’s Lantaarn: behalve Bayle: Anthony Collins, John Toland, Algernon Sidney en Zacharias Conrad von Uffenbach. En dat hij een van de eerste eigenaren was van een Traité des trois imposteurs manuscript. Er is zelfs geopperd dat dit beruchtste van alle clandestiene manuscripten uit de vroege Verlichting in zijn bibliotheek tot stand kwam, mogelijk onder leiding van de Rotterdamse burgemeesterszoon en diplomaat Jan Vroese.  

Rotterdam vrijhaven
Een open havenstad met een grote Britse en Franse gemeenschap, een overwegend liberale bestuurselite, die zich graag met Erasmus identificeert, en gelovigen die de voorkeur geven aan een individueel beleefde religie – dat lijken de factoren te zijn geweest die van Rotterdam aan het eind van de zeventiende een vrijhaven maakten. Als rijke buitenlander had Furly bovendien het voordeel dat hij minder kwetsbaar was voor wisselingen van de wacht in het stadsbestuur. Bayle stond machteloos toen hij in 1691 werd geschorst door het stadsbestuur, zijn werkgevers. Paets was inmiddels overleden en na het beruchte Costermanoproer beschermde de stadhouder zijn corrupte zetbaas Van Zuylen van Nijevelt, die op de hand was van Bayle’s orthodoxe tegenstanders. Uiteindelijk werd Bayle financieel uit de brand geholpen door zijn Rotterdamse uitgever Reinier Leers, maar Bayle’s leerling Mandeville, die Van Zuylen op de hak had genomen in een aantal pamfletten moest zich uit de voeten maken, en vestigde zich in Londen.  

Furly daarentegen kon het zich veroorloven zijn schouders op te halen over wie er nu weer op het pluche zat. Dat zal gasten van Furly als de derde graaf van Shaftesbury ook een zorg zijn geweest. Zij kwamen voor de man zelf – die onHollands gastvrij was –, voor zijn bier en voor zijn bibliotheek. Ik zei al: die was relatief groot. Spinoza had nog geen tweehonderd boeken. Maar Von Uffenbach, een van Furly’s Duitse vrienden had er bijna 7.000, en Eugène van Savoie’s Haagse bibliotheek telde 15.000 titels. Wel bezat Furly unica, zoals een manuscript over de geschiedenis van de Inquisitie, en zeer gewaagde boeken, die je bijna nergens kon inzien, zoals de verzamelde werken van de bijbelcriticus Richard Simon, een enorme collectie van literatuur van Chrétiens sans Église als Jacob Boehme, Schwenckfeld, Boreel en Zwicker. En natuurlijk Hobbes en Spinoza, Lucretius, en vele honderden kritische edities van afzonderlijke Bijbelboeken. In zekere zin was hij het Rotterdamse antwoord op de in Amsterdam bedachte 'mercator sapiens' – de wijze kopman, die door Barlaeus was gevierd bij de opening van het Amsterdamse Atheaeum Illustre in 1632. 

undefined
Ex libris van Benjamin Furly (Bron: Boekprentverzamelaars.info) 

Furly’s voorbeeld van bibliofiele, vroegmoderne sociabiliteit zou school maken: terug in Londen richtte Locke zijn zogenaamde 'Dry Club' op, met heuse clubregels 'For the Amicable Improvement of Mixed Conservation'. De graaf van Shaftesbury liet zich bij de aanleg van zijn Londense bibliotheek eveneens inspireren door De Lantaarn. En er is niet heel veel fantasie voor nodig om in De Lantaarn de aankondiging te zien van de Parijse salon – ook al valt nog te bezien of Furly zich dáár erg op zijn gemak zou hebben gevoeld. Zowel het mondaine karakter van die salons als de rigide sociale hiërarchie die er voortdurend bevestigd werd, hadden hem hoogstwaarschijnlijk tegen de borst gestuit. Recent onderzoek naar de rol van de achttiende-eeuwse salons in Parijs van Antoine Lilti laat weinig heel van de voorstelling als zouden daar de zaden van de Franse Revolutie zijn gezaaid. In Rotterdam zal Furly zich meer thuis hebben gevoeld. Er nog van afgezien dat hij veel meer in theologie was geïnteresseerd dan in politiek, kon hij hier zelf de spelregels schrijven van zijn eigen sociale verkeer. En in Rotterdam werd hij tenminste met gerust gelaten. In 1693 schreef hij aan Locke: 'I find myself most at ease where I am'.

Over dit verhaal
Dit is de lezing die Wiep van Bunge op 12 december 2016 gaf in het Historisch Wel & Wee Café van Historisch Genootschap Roterodamum. De tekst is eerder gepubliceerd in de Kroniek van Roterodamum.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.