Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853)

Eén van de eerste Nederlandse ‘reclasseringswerksters’, zo niet de allereerste, was Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, een maatschappelijk geëngageerde dame uit Gouda. Voor tal van Nederlanders is Barbara een volstrekt onbekende figuur. Onderstaand artikel verscheen eerder in 'Tidinge', het tijdschrift van de historische vereniging Die Goude uit Gouda.

Door Marcel Krutzen

Eén van de eerste Nederlandse ‘reclasseringswerksters’, zo niet de allereerste, was Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, een maatschappelijk geëngageerde dame uit Gouda. Voor tal van Nederlanders is Barbara een volstrekt onbekende figuur. Onderstaand artikel verscheen eerder in 'Tidinge', het tijdschrift van de historische vereniging Die Goude uit Gouda.    

Jeugd, onderwijs en huwelijk
Anna Barbara Schilperoort, roepnaam Antje en beter bekend als Barbara, werd op 3 januari 1778 in Voorburg geboren, een plaats waar veel belangrijke en gegoede burgers hun buitenverblijf hadden. Barbara had alleen een halfbroer uit een eerder huwelijk van haar moeder. Barbara had een goede jeugd. Aan speelgoed ontbrak het haar niet, wat volgens haar dochters het gemis aan broers en zussen moest compenseren. Op jonge leeftijd toonde zij ook al een grote liefde voor de natuur.

Barbara bracht haar schooljaren door in Noordwijk-Binnen. Daar bezocht ze het Franse meisjespensionaat van de dames Du Flos en Wägeli. Een goede opleiding kreeg ze niet. Zoals haar dochters later vertelden, ontving zij ‘oppervlakkig’ en ‘gebrekkig’ onderwijs. Leergierig als ze was, probeerde ze zichzelf zo veel mogelijk te ontwikkelen. Lezen deed ze graag en veel. Ze was niet alleen een groot liefhebber van het Nederlandse schrijfsterduo Betje Wolff en Aagje Deken, maar ook van de Duitse auteur Johann Wolfgang von Goethe. Toen het gezin Schilperoort naar Zaltbommel verhuisde, ontmoette Barbara de twaalf jaar oudere hervormde predikant Hendrik van Meerten. Hij behoorde tot de lokale notabelen. Mensen traden hem vol eerbied en ontzag tegemoet. In 1794 trad Barbara op zestienjarige leeftijd met Hendrik in het huwelijk. Ze werd domineesvrouw in Wadenoijen, een dorpje bij Tiel.

Franse Tijd en Gouda
Begin 1795 trok het Franse leger Nederland binnen, een spoor van vernieling achterlatend. Aan de Republiek der Verenigde Nederlanden, het bewind van de Oranjes en de overheersende positie van de gereformeerde kerk werd abrupt een einde gemaakt. De Franse Tijd (1795-1813) brak aan. Ook de Van Meertens maakten op ruwe wijze kennis met het nieuwe bewind. Franse soldaten sloegen de inboedel van de pastorie waar het echtpaar woonde kort en klein. Deze traumatische ervaring verwerkte Barbara achteraf in haar in 1828 verschenen roman Emilia van Rozenheim en zou haar latere onverschilligheid voor ‘vergankelijke goederen’ verklaren. Later in het jaar 1795 werd Van Meerten benoemd in Bedijkte Schermer, een plaats in Noord-Holland.

In 1798 kreeg Hendrik van Meerten een aanstelling in Gouda. De stad was van oudsher een belangrijk handelscentrum waar een geest van vrijzinnigheid heerste. Barbara was toen net van haar eerste kind bevallen. In Gouda zouden nog vijf andere kinderen geboren worden. In totaal kreeg zij drie zonen en drie dochters. Zoon Jacobus Hubertus werd assistent-resident in Nederlands-Indië. Eduard Douwes Dekker noemde hem in zijn boek Max Havelaar een capabel man, en de zoon van een bekend schrijfster.

Het was Barbara’s grootste verlangen om haar kinderen zelf op te voeden en te onderwijzen. Omdat zij in haar jeugd zelf niet veel had geleerd moest zij die schade alsnog inhalen. Zij had de moed om zich te oefenen “in alle nuttige zaken die daartoe nodig waren”. Als hulp bij de opvoeding begon zij boekjes te schrijven. Toen zij zag dat haar kinderen deze boekjes graag lazen, legde zij zich meer en meer toe op het schrijven van verhalen en leerboeken voor kinderen en jong volwassenen. Haar man stimuleerde deze bezigheden en zo besteedde zij steeds meer tijd aan lezen, schrijven en studeren. Het liefst deed zij dit alleen op een zolderkamertje. In die zin was Barbara een echte autodidact. Het huishouden liet haar onverschillig. Daarvoor zorgde haar moeder. Deze woonde bij haar gezin in. Een traditioneel rolmodel was Barbara geenszins en dat maakte dat veel Gouwenaren haar maar een eigenaardige persoon vonden.

Pedagoge, schrijfster en redactrice
Tijdens de Franse Tijd werd het domineestraktement sterk verminderd. Om rond te kunnen komen moesten de echtelieden Van Meerten hun spaargeld aanspreken. Langzamerhand raakte het gezin in financiële moeilijkheden. Met de uitgave van haar boekjes kon Barbara het gezinsinkomen gedeeltelijk aanvullen. Om de geldzorgen van haar gezin verder te verlichten haalde zij in 1812 een onderwijsbevoegdheid en begon zij een dag- en kostschool voor meisjes. Dit was het beginpunt van een bijzondere loopbaan en van een grote productiviteit. Samen met twee van haar dochters lukte het haar de meisjesschool tot een gerespecteerd onderwijsinstituut te laten uitgroeien, waar steeds zo’n twaalf meisjes in de kost waren. De toenmalige onderwijsinspectie sprak in lovende bewoordingen over deze school. Het lesgeld bedroeg 900 gulden wat verklaarde dat de leerlingen hoofdzakelijk uit het gegoede milieu kwamen. Zij kregen niet alleen kennis en kunde bijgebracht, maar ook maatschappelijk engagement. Urenlang bracht zij met haar pupillen door in de tuin achter de school waar zij hen alles vertelde over de natuur.

Barbara verwierf niet alleen nationale bekendheid als opvoedkundige, maar ook als schrijfster van kinderboeken, reisverhalen, romans en andere genres. Enkele van haar publicaties zijn: Leer- en leesboek over de eerste beginselen der noodzakelijke wetenschappen. Aanleiding tot de kennis der Nederlandse taal uit 1811, Gids voor jonge lieden van beschaafden stand uit 1821, Reis door het koninkrijk der Nederlan-den en het groothertogdom Luxemburg voor jonge lieden een serie die zij vervaar-digde tissen 1822-1829, Zelfopoffering van den Nederlandse zeeheld J.C.J. van Speijk, benevens eene schets van zijn leven, voor vaderlandsche zonen en dochteren uit 1832, de in die tijd veel geroemde Kinderbijbel. Of bijbelsche verhalen voor jonge kinderen, bij het zien van bijbelprenten aan ’s moeders schoot uit 1839 en Mara, woorden van troost in verschillende treurkamers uit 1850. Barbara’s totale oeuvre omvat meer dan honderd boeken. Op den duur kon ze gemakkelijk van haar schrij-verschap leven, ook nadat haar man in 1830 was overleden.

Ook was zij de stuwende kracht achter het toentertijd enige en succesvolle Nederlandse vrouwenblad Penélopé,of maandblad aan het vrouwelijk geschat gewijd waarvan in 1821 het eerste nummer van de persen rolde. Jarenlang voerde zij de redactie van dit blad aan. De illustraties voor dit tijdschrift werden ontworpen door de Goudse kunstenaar Cornelis Borsteegh (1773-1834). Ondanks de bijdragen van toonaangevende buitenlandse schrijfsters en pedagogen droeg het blad een specifiek vaderlands karakter, zoals de Neerlandica Lotte Jensen in een studie over vrouwentijdschriften aangeeft. Dit kwam onder meer tot uiting in het ideaalbeeld dat de redactie haar lezeressen voorspiegelde. De primaire taak van de vrouw lag in het huishouden en het gezin. Als verstandige echtgenote en vaderlandslievende opvoedster fungeerde de vrouw als de bewaarster van het volkskarakter en door deze rol met verve te vervullen diende zij het algemeen belang. Deze moraal paste bij de in Nederland gangbare visie op de vrouw aan het eind van de achttiende eeuw.

Het vaderlandse karakter kwam eveneens tot uitdrukking in de moderubriek. Barbara moest weinig hebben van de Franse mode die toen al toonaangevend was. In plaats daarvan pleitte zij voor specifiek Hollandse kleding, waarmee zij de roep om een eigen nationale mode, die kort na de Belgische opstand in brede kring gehoor vond, steunde. In Penélopé waren niet alleen bijdragen van gerenommeerde schrijfsters te vinden, het blad trok ook beginnende auteurs. Barbara moedigde jonge Nederlandse schrijfsters aan om kopij in te sturen en vermeldde uitdrukkelijk dat alleen bijdragen van ‘vrouwelijke hand’ geplaatst werden. Kopij van mannelijke lezers werd door de redactrice dan ook zonder pardon ter zijde gelegd: de inzending van een zekere heer ‘K.F.V. uit A.’ werd op grond van zijn sekse geweigerd. Zo creëerde zij in korte tijd een netwerk van schrijfsters. Zelf schreef Barbara met enige regelmaat artikelen voor het blad. Delicate onderwerpen schuwde zij niet. Zo schreef zij bijvoorbeeld over seksualiteit, wat in die tijd een ongekend fenomeen was.

Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen
(1823-1975)
In 1823 stichtte Willem Hendrik Suringar samen met zijn geestverwanten Willem Hendrik Warnsinck en Johannes Leonardus Nierstrasz het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen. Het was de eerste reclasseringsinstelling in ons land. Alle drie de heren waren christelijk geïnspireerde, sociaal bewogen en welgestelde burgers. De Britse gevangenishervormers John Howard en Fry waren hun grote voorbeelden en inspiratiebronnen. Howard reisde jarenlang door Europa om allerlei strafinrichtingen te inspecteren. Hij slaagde erin de leefomstandigheden van gedetineerden te verbeteren. Hij is de schrijver van het standaardwerk The State of the Prisons uit 1777. Fry, een quaker, bezocht gevangenis Newgate te Londen. Ze werd diep getroffen door wat ze zag: vrouwen en kinderen in diepe ellende. Samen met enkele vrijwilligers lukte het haar het gevangenisregime te humaniseren.

Quaker J.S. Mollet, Zwitser van geboorte, kostschoolhouder te Amsterdam, behoorde eveneens tot de grondleggers van het Genootschap. Hij had vooral diepe bewondering voor Fry. Hij correspondeerde zelfs met haar. Zodoende was hij altijd op de hoogte van haar visie en beleid. Over haar leven en werk schreef hij in 1822 een uitvoerig artikel in het nieuwe Christelijk Maandschrift voor den beschaafden stand. Barbara las dit artikel en raakte diep onder de indruk van de persoon van Fry. Zij juichte haar gevangeniswerk onder vrouwen toe.

Zoals eerder opgemerkt hadden Barbara en Suringar persoonlijk contact met elkaar. Geregeld schreven zij elkaar brieven.Toen Suringar haar in 1823 op de hoogte bracht van het voornemen om het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen op te richten, reageerde Barbara enthousiast. Graag wilde ze een steentje bijdragen. In het tijdschrift Penélopé publiceerde ze een artikel, getiteld ‘Een droom’. Daarin beschreef ze een visioen. Dit visioen betrof doorgevoerde verbeteringen in de gevangenenzorg. Ook daarna besteedde ze meerdere malen aandacht aan de verrichtingen van het Genootschap. Zij spoorde haar lezeressen aan om in het voetspoor van Fry vrouwelijke gevangenen te bezoeken. Ongetwijfeld heeft deze oproep destijds veel stof doen opwaaien. Het bezoeken van gedetineerden was in die tijd geenszins passend voor vrouwen en zeker niet voor ‘welgestelde dames’. Burgers vonden haar oproep maar bespottelijk en afkeurenswaardig.

Vrouwengevangenis te Gouda
In 1611 werd het voormalige Sint Catherinaklooster te Gouda ingericht als Tuchthuis voor mannen en vrouwen. In 1837 achtte de toenmalige minister van Justitie het noodzakelijk om mannelijke en vrouwelijke gedetineerden niet langer meer in dezelfde strafinrichting onder te brengen. Er moesten aparte gevangenissen voor mannen en voor vrouwen komen. Aldus geschiedde. Veroordeelde vrouwen verbleven in de gevangenis te Gouda, veroordeelde mannen elders. Onder meer vanwege organisato-rische problemen raakte de vrouwengevangenis al snel overbevolkt. Gedetineerden sliepen in hangmatten. Deze hingen vlak naast en in drie rijen boven elkaar. Daarnaast waren er andere problemen. Binnen de strafinrichting was enorme stank-overlast vanwege de ligging bij een open riool. De temperatuur op de werkzolders was tijdens de zomer en winter ondraaglijk. Kortom, veroordeelden zaten onder erbarmelijke omstandigheden hun straf uit!

In de vrouwengevangenis te Gouda verbleef een gemêleerd gezelschap. Het bestond onder andere uit dievegges, moordenaressen en geldsnoeisters. Jonge, relatief ‘onschuldige’ misdadigsters liepen groot gevaar geronseld te worden voor de prosti-tutie. ‘Hellewichten’, ‘vrouwen gehard in de zonde’,‘waardinnen der huizen van wellust’, zochten de mooiste meisjes uit. Veel ontslagen vrouwen kwamen in de prostitutie terecht, hetgeen niet verwonderlijk was, omdat ze geen werk, inkomen of huisvesting hadden. Prostitutie was geen vreemd verschijnsel in de stad. Gouda was immers niet alleen een handelscentrum, maar ook een garnizoensstad. Dikwijls werden vrouwelijke gevangenen nog slechter behandeld dan mannelijke. Volgens toenmalige opvattingen hadden vrouwelijke gedetineerden niet alleen de wet over-treden, maar ook ‘hun vrouwelijkheid beschaamd’. Het waren ‘gemankeerde vrouwen’. ‘Normale vrouwen’ werden geacht altijd het ‘goede voorbeeld’ te geven. Vrouwelijke veroordeelden werden dikwijls als ‘de meest verdorven groep gevangenen’ beschouwd.

Met toestemming van gevangenisregenten begon Barbara op 12 augustus 1832 als allereerste vrouw in Nederland met het bezoeken van gedetineerde vrouwen. Tijdens dit eerste bezoek reageerde de gevangeniscommandant uiterst ontstemd. Al schreeuwend vroeg hij haar wat ze kwam doen. In een brief aan de predikant Goudse predikant J. Herman de Ridder vertelde zij over haar eerste bezoeken aan de inrichting:

"Mijn eerste bezoek aan de gevangene vrouwen was den 12 augustus 1832. Welk een verschil toen en nu! Nu in alles medewerking – toen van binnen niets dan smaad en hoon door den zoogenaamden kommandant…. die mijne vriendin (die eigenlijk de eerste was, welke het plan ontwierp) en mij naschreeuwende: wat doen die vrouwen hier; mij een brief, voor een gevangene bestemd uit de hand rukkende. En van buiten bespotting en afkeuring van allerlei aard. O, wij hebben menige bittere teug geslikt, maar God lof dat is voorbij."

Het feit dat Barbara in 1832 met haar ‘reclasseringswerk’ startte is geen toeval. Vanwege de Belgische Revolutie waren veel mannelijke leden van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen in militaire dienst en lag het reclasseringswerk in tal van afdelingen bijna stil. Het werk vond spoedig navolging. Barbara richtte het eerste damescomité op voor het bezoeken van vrouwelijke gevangenen. Haar ‘medehelpsters’, tevens vriendinnen, waren mevrouw Brandt Maas, de echtgenote van een remonstrantse predikant, en mejuffrouw Grave.

Pogingen om meer vrouwen te betrekken bij de gevangenenzorg mislukten keer op keer. In Gouda was ‘de verlichting nog in haar dageraad’, aldus Barbara. In acht jaar tijd lukte het haar slechts twee vrijwilligsters te werven. Opmerkelijk is dat het reglement van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen pas in 1841 de mogelijkheid bood om vrouwenverenigingen op te richten.

Trouw bezocht Barbara de vrouwengevangenis aan de Groeneweg. Zij hield haar ‘reclasseringswerk’ ruim twintig jaren vol. Vrijwel dagelijks had ze contact met de ongeveer tachtig gedetineerden, wat uiteraard een tijdrovende bezigheid was. Hoogstwaarschijnlijk heeft ze de destijds beroemde en beruchte seriemoordenares Hendrikje Doelen (1784-1847) wel eens ontmoet. Hendrikje onderging 20 jaar tuchthuisstraf wegens het plegen van gifmoorden. Wellicht zullen Barbara’s gesprekken niet altijd even diepgaand of succesvol zijn geweest. Ondanks haar goede bedoelingen zal ze met de nodige vooroordelen en teleurstellingen zijn geconfronteerd. Barbara liet zich echter niet snel uit het veld slaan. Sterker nog, ze keek reikhalzend uit naar het gevangenenbezoek. Dit bleek bijvoorbeeld uit haar vrees, dat haar gevangenisbezoek gestaakt zou worden vanwege onregelmatigheden die waren ontstaan na het terugbrengen van een ontsnapte gevangene. Uiteindelijk mocht ze haar werk toch voortzetten. Dat was een grote opluchting.

Evenals het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen probeerde Barbara vooral het geestelijk welzijn van gevangenen te verbeteren. Hun ‘zielenheil’ was een primair doel. Ze bemoedigde gedetineerden en las hen voor uit de Bijbel. Maar dat niet alleen. Ze hield ook school en leerde veel gevangenen lezen. Ook schonk zij aandacht aan de lichamelijke gezondheid van mensen. Zo probeerde ze de gevangenisdirecteur ervan te overtuigen dat ingrijpende maatregelen nodig waren om de ronduit mensonwaardige leefomstandigheden van de veroordeelde vrouwen te verbeteren. Eveneens deelde ze soms ‘kleine beloningen’ uit en trakteerde ze tijdens feestdagen op koffie en koek.

Elisabeth Fry
Door haar gevangenenzorg kwam Barbara met tal van mensen in contact, onder wie ook Elisabeth Fry, haar grote inspiratiebron. Via een briefwisseling met quaker J.S. Mollet, secretaris buitenland van het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, was de Engelse gevangenishervormer Fry op de hoogte geraakt van het gevangenenbezoek van Barbara en haar ‘medehelpsters’. In 1833 schreef ze Mollet een brief waarin ze aangaf verheugd te zijn over het feit dat Nederlandse vrouwen waren begonnen met het bezoeken van vrouwelijke gedetineer-den. ‘Woman, after all, were especially suitable to feel compassion for those of their own sex’, aldus Fry. Volgens haar was hetgeen deze vrouwen deden “in line with the teaching and example of Him who came to seek and to save what was lost”.

Toen Fry in maart 1840 een eerste bezoek aan Nederland bracht, en daarbij verschillende strafinrichtingen waaronder de vrouwengevangenis in Gouda aandeed, ontmoette zij ook Barabara van Meerten. Uit handen van Elisabeth ontving Barbara een boek met de inscriptie: ‘A Token of Regard to Her Friend Madame Van Meerten’. Uiteraard was zij zeer verguld met deze gift. Door tijdgenoten werd Barbara ‘de Nederlandse Elisabeth Fry’ genoemd, wat zeker een eretitel was.

Fry had forse kritiek op de Goudse gevangenis. Het gebouw was overvol en ongeschikt. Ook ontbraken bewaaksters. Mannelijke cipiers hadden toegang tot alle vertrekken. Hierover maakte Fry zich grote zorgen. Ze vreesde machtsmisbruik. In Gouda moesten vrouwelijke bewaarders aangesteld worden, luidde de aanbeveling van Fry. In 1841 was Fry opnieuw in Nederland. Zij wilde controleren of haar adviezen ook gepraktiseerd werden. Tijdens dit bezoek werd zij hartelijk ontvangen door koning Willem II en andere hoogwaardigheidsbekleders. Haar naam was een begrip geworden.

Ottho Gerard Heldring
Barbara onderhield ook contacten met andere invloedrijke personen zoals de dominee Ottho Gerard Heldring. Heldring was hervormd predikant te Hemmen, een dorpje in de Overbetuwe. Hij had oog voor maatschappelijke problemen, vooral voor het ellendige bestaan van de armoedige plattelandsbevolking. Zijn armenzorg getuigde van praktisch inzicht. Hij verweet de kerken een overvloed aan leergeschillen en een gebrek aan maatschappelijk engagement. In zijn strijd tegen sociale misstanden voelde hij zich vaak alleen staan.

Heldring verwierf grote bekendheid door zijn filantropisch werk. Hij was onder meer oprichter van het in 1848 tot stand gekomen Asyl Steenbeek te Zetten. Dit tehuis bood niet alleen onderdak aan dakloze vrouwen die uit de gevangenis ontslagen waren, maar ook aan ‘gevallen vrouwen’ die bereid waren om een nieuw leven te beginnen. Aanleiding tot dit initiatief betrof Heldrings bezoek aan de vrouwengevange-nis te Gouda in 1847. Dit bezoek had een ‘diepe en droevige indruk’ op hem gemaakt. Door een juist afgelopen koortsepidemie waren vele gedetineerde vrouwen gestorven. Een zaal met zeventig meisjes kon hij niet betreden vanwege de ‘verpeste lucht’. Hij was naar buiten gerend om niet te bezwijmen.

In de Goudse gevangenis ronselden beruchte bordeelhoudsters meisjes voor hun bordelen. “O, grondelooze put van jammer”, dacht Heldring. “Hij vond er een verleidster, omringd van vrouwen en meisjes, personeel vormend en opkweekend voor een bordeel in den Haag, dat zij na haar ontslag zou openen en met ontslagen veroordeelden bevolken.” Een vijftal meisjes riep de hulp van Heldring in. ‘Dat vestigde zijn besluit, om zulke ongelukkigen niet hulpeloos te laten en een toevlugtsoord te stichten, waar zij, die willen terugkeeren, steun en redding vinden’, aldus Jacobus Craandijk in zijn Wandelingen door Nederland met pen en potlood.

Over de bewoners van Steenbeek schreef Heldring:

De opgenomenen te Steenbeek behoren tot de diepst gezonkenen, maar al is hun zielekrankheid ook nog zoo zwaar, niemand mag van hen, evenmin als in een gewoon hospitaal van den kranke, zeggen: "Ga voorbij, wij kunnen u niet opnemen, uwe krankheid is te zwaar." Zelfs de diepst gevallenen kunnen behouden worden, wanneer zij uit eigen vrije keuze den weg zoeken tot redding der onsterfelijke ziel; dwingt gij hen een keuze op, deze wijkt spoedig; een besluit door overreding genomen, houdt geen stand, maar is het uit overtuiging geboren, dan "dwingt hen om in te gaan" door de enge poort.

Petronella Voûte, een ongehuwde dame uit een welgesteld koopmansgezin, was de eerste directrice van dit opvangcentrum. Gedurende circa dertig jaren zette zij zich met hart en ziel in voor het welzijn van ‘haar meisjes’. In die tijd was dit een unieke gebeurtenis. Ongetwijfeld hebben Barbara en Petronella contact met elkaar gehad. Gedurende haar loopbaan als ‘reclasseringswerkster’ zal Barbara wellicht een aantal ‘verwaarloosde vrouwen’ hebben verwezen naar Asyl Steenbeek. In de loop van de tijd groeide Asyl Steenbeek uit tot een complex van tehuizen en internaten; de Zettense en Hoenderlose inrichtingen voor ‘verwaarloosde jeugdigen’, die respectievelijk in 1848 en 1851 werden gesticht.

Gedachtegoed
Als domineesvrouw was Barbara diepgelovig en sociaal bewogen. De Bijbel was haar liefste boek, zo schreef haar dochter. Van alle dagen was zij het minst graag op zondag ziek, omdat zij dan de kerkdienst moest missen. Wekelijks verzorgde zij bijbellessen voor meisjes van verschillende rang en stand. Meerdere van haar boeken hadden een sterk religieuze inslag zoals De christelijke feestdagen en de Lijdensgeschiedenis van Onze Heer dat meerdere drukken beleefde en de al eerder geboemde Kinderbijbel. Toch was haar doen en laten niet gebaseerd op het gedachtegoed van het Réveil, een internationale opleving van het christelijke denken in de negentiende eeuw dat zich typeerde door een sterke zendingsdrang. Nee, haar opvattingen vertoonden eerder verwantschap met de denkbeelden van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Ze verwachtte veel meer heil van opvoeden dan van bekeren. 'Mensch! Help u zelf en God zal u helpen', zo luidde haar credo.

Als domineesvrouw werd ze geacht ‘werken van weldadigheid’ te verrichten of te organiseren, wat ze ook deed. Voortdurend had zij ook oog voor de armen. Ze was steeds bereid een helpende hand te bieden. In haar kostschool betrok zij haar pupillen bij de hulpverlening aan minderbedeelden. Overigens, gebeurde dit niet altijd met instemming van de ouders, iets waarover ze zich beklaagde in een brief aan Suringar, wiens dochter bij Barbara onderwijs volgde. De predikant Herman de Ridder herinnerde zich in zijn in 1853 gepubliceerde nagedachtenis aan Barbara van Meerten hoe hij eenmaal bij haar op zondag binnenkwam en de meisjes onder haar leiding ijverig bezig zag met handwerken:

"Mevrouw van Meerten zei toen: Ziet ge wel prediker, hoe ik den sabbath schend. [-] Maar ging zelve voort, wat is beter, op den sabbathdag wel te doen dan kwaad te doen? En zij deed dubbel wel. Alle die dametjes breidden grove sajetten kousen voor – de armen! Zulke werkzaamheid woog het geven van lessen en vermaningen over weldadigheid en den aankleve van die, honderdvoudig op."

Een van haar belangrijkste geestverwanten was Suringar, een prominente vertegenwoordiger van het Nut en betrokken bij de oprichting Asyl Steenbeek. Ook hij hield zich intensief bezig met de gevangenenzorg en hechtte grote waarde aan het ‘opvoeden der gevangenen’. Hij was het met Barbara eens dat er voor vrouwen een belangrijke rol was weggelegd in de ‘sociale sector’. Zo riep hij in 1841 de vrouwenvereniging Hulpbetoon aan Eerlijke en Vlijtige Armoede in het leven, waarvan Barbara vier jaar later de Goudse afdeling oprichtte.

Barbara was tevens de enige vrouw die bereid was toe te treden tot de Vereniging tot Afschaffing van Sterken Drank. Zij hoopte steeds vurig dat ook andere vrouwen bereid waren haar voorbeeld te volgen. Kort voor haar dood had Barbara nog een manuscript klaarliggen waarin zij “het belang dat de armen zich zelven helpen” naar voren bracht. De meer gegoede burgerij zou door middel van de oprichting van een spaarkas en een spaarbank een helpende hand kunnen bieden.

Overlijden
Op 11 februari 1853 werd Barbara door ziekte geveld. Zij was toen 75 jaar oud. Ondanks haar ziekte en haar hoge leeftijd was zij nog vol goede moed. Aan dominee Herman de Ridder, die haar regelmatig bezocht, vertelde zij nog van plan te zijn een boekje te schrijven over zieken en ziekenkamers. Het mocht niet zo zijn. Drie dagen later, op 14 februari 1853 overleed zij. Haar dood werd diep betreurd. Tal van mensen – leerlingen, vrienden en kennissen – herdachten haar als een vrome vrouw die zich dagelijks bekommerde om armen en andere ongelukkigen. Haar dochters traden in haar voetsporen en namen onder meer haar ‘reclasseringswerk’ over.

Bij haar overlijden werd Barbara ‘De Kroon van Gouda’ genoemd. Er verschenen meerdere nagedachtenissen. Sommige tijdgenoten eerden haar met de titels: ‘Vriendin van de gevangenen, van de kinderen en van de armen. Haar huisvriend Herman de Ridder waardeerde het als een grote weldaad haar gekend te hebben. “Zij was een DISCIPELIN DES HEEREN” zo schreef hij in kapitalen in zijn in 1853 gepubliceerde nagedachtenis. En vervolgens: "Zij was een toonbeeld der wijsheid, die van boven is, welke zuiver is, vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en goede vrucht, niet partijdig oordelende en ongeveinsd."

Barbara was een ondernemende vrouw vol met ambities. Ze werkte bijna dag en nacht. Ze was een echte workaholic. Volgens critici zou ze het huishouden en de opvoeding van haar kinderen hebben verwaarloosd. Met haar kinderen zou ze geen vertrouwelijke band hebben gehad. Dat was althans wat enkele critici in haar omgeving beweerden. In werkelijkheid stond zij steeds voor haar kinderen klaar. Nog in het jaar van haar overlijden werd in de hervormde Sint Janskerk een door J. Stracké vervaardigde gedenksteen voor haar geplaatst met als opschrift: ‘Hulde aan Neerlands Kindervriendin’.

Na haar dood werden haar verdiensten voor de samenleving nog lang herinnerd. Haar biografen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek schreven: "Veel deed zij bovendien op het gebied der philantropie en hier volgde zij geheel haar neiging tot weldoen. Evenals de Engelsche schrijfster Elisabeth Fry, die haar in 1840 te Gouda een bezoek bracht, strekte zij haar menschenmin zelfs uit tot de gevangenen, die zij, in ons land een der eersten op dezen weg, in den kerker tot inkeer en beterschap trachtte te brengen."

Pionier
Latere generaties, vooral feministen en historici, onder wie Johanna Naber, bestempelen Barbara als pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging, pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs en wegbereidster van sociaal werk als professioneel vrouwenberoep. Zij was zonder enige twijfel een vooruitstrevende persoon en haar tijd in veel opzichten vooruit. Haar ideeën zouden immers niet hebben misstaan in het laat negentiende eeuwse beschavingsoffensief, de periode van de ‘Sociale kwestie’. Het voornaamste doel van dit offensief, dat werd ingezet door personen uit de gegoede burgerij, was de verheffing van de arbeider. De arbeider moest worden opgevoed en geschoold en alleen dan zou hij zich een beter bestaan kunnen verwerven. Barbara van Meertens gedachtegoed sloot hier goed bij aan. Jammer genoeg is haar naam in de vergetelheid geraakt. Ofschoon Barbara al meer dan 150 jaren geleden overleden is, is haar gevangenenzorg van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het reclasseringswezen in Nederland.

Die Goude
Dit artikel van Marcel Krutzen is eerder gepubliceerd onder de naam "'Mensch! Help u zelf en God zal u helpen!' Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853), reclasseringsmedewerkster van het eerste uur" in Tidinge, het tijdschrift van historische vereniging Die Goude. (juli 2009). De auteur is zelf werkzaam in de reclassering.

Links

Reacties

  1. anoniem

    Gouda 9 mei 2015 Fantastisch al die informatie Er moet snel een grafgedenkteken komen op haar graf. Bedankt voor jullie inzet Kees Moerings Gouda

    09 mei 2015

  2. Redactie

    @Kees Moerings Bedankt voor je enthousiaste reactie! We zijn ook erg blij dat we dit artikel - uit het tijdschrift van historische vereniging Die Goude - mochten plaatsen. Ben je al lid van Die Goude? Is beslist een aanrader, een zeer actieve vereniging!

    11 mei 2015

  3. anoniem

    mooie en leerzame site

    22 september 2018

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.