Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Van eiland tot eiland: het leven van Abraham Matthieu de Rouville (1812-1881)

Geboren op het eiland Goeree-Overflakkee, opgegroeid op het eiland Voorne-Putten, het hoogtepunt van zijn carrière bereikt op het eiland Curaçao: dit alles is van toepassing op het leven van Abraham Matthieu de Rouville (1812-1881). Tekst: E. Lassing-van Gameren

Het zien van zijn portret in het Historisch Museum Den Briel en de ontdekking dat hij in Middelharnis is geboren vormden de aanleiding tot het schrijven van dit verhaal. Over de ambtelijke loopbaan van De Rouville is in historische literatuur wel het een en ander terug te vinden, over andere aspecten van zijn leven weinig tot niets. Vandaar deze aanzet tot een meer persoonlijk getinte levensbeschrijving.


Portret van A.M. de Rouville in ambtskostuum, geschilderd door zijn kleinzoon (collectie Historisch Museum Den Briel, nr. 0195)

Middelharnis-Sommelsdijk
In het net in gebruik genomen boek van de burgerlijke stand van Middelharnis werd op 14 mei 1812 de geboorte (op de dag daarvoor) ingeschreven van het kind Abraham Matthieu, zoon van Jean de Rouville, procureur, en Deliana Luciana Slotemaker. Vader Jean werkte bij de rechtbank in Sommelsdijk en Brielle en was waarschijnlijk toen bezig om voor zijn gezin in wording een huis in Brielle te regelen.

In Middelharnis heeft het gezin (waarschijnlijk) in de Voorstraat gewoond (huidige nummer 8). Jean was, samen met een broer, omstreeks 1800 in Sommelsdijk komen wonen. Zijn ouders woonden in Maastricht waar de oude De Rouville predikant was. Twee zoons werden naar hun oom in Sommelsdijk gestuurd om daar voorbereid te worden op een loopbaan in het notariaat of bij een rechtbank. Petrus Alderkerk, dorpssecretaris en notaris van Sommelsdijk, was getrouwd met een zus van dominee De Rouville, en bood zijn neven een mogelijkheid om in Holland aan de slag te gaan.

Jean vertoefde dus onder de notabelen van Sommelsdijk en Middelharnis en vond daar ook een echtgenote: de dochter van dominee Lucas Slotemaker.

De kleine Abraham was dus de kleinzoon van twee predikanten. De ene, naar wie hij vernoemd werd, heeft hij niet gekend. Dominee De Rouville was in 1808 in Sommelsdijk overleden toen hij met zijn vrouw een bezoek bracht aan zijn zoons. De andere, Slotemaker, had de eer zijn kleinzoon in de kerk van Middelharnis te mogen dopen.

Abraham Matthieu kwam dus uit een gegoed, maar niet overdreven welvarend milieu. Kennis en betrokkenheid bij de samenleving speelden in die kringen zeker een rol. Grootvader De Rouville was naast predikant ook hoogleraar aan de Illustere School in Maastricht, grootvader Slotemaker was nauw verbonden met de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en hoorde tot de oprichters van de afdeling Middelharnis-Sommelsdijk. Ook Jean de Rouville is korte tijd lid geweest van die afdeling.

Jeugd in Brielle
In 1815 kwam Abraham Matthieu met zijn vader en moeder te wonen in een huis aan de Nobelstraat te Brielle (wijk 1, no. 12, op de plek van het huidige pand Nobelstraat 20).


Nobelstraat 20, het toenmalige woonhuis van de familie De Rouville. (Foto F. Keller)

Het was een groot huis, met vele vertrekken. Jean de Rouville kon er kantoor houden als procureur, iemand die particulieren en bedrijven bijstaat in rechtszaken. De kleuter Abraham had er genoeg speelruimte, al moest hij zich vaak alleen vermaken. In 1814 had hij een zusje gekregen, maar dit meisje werd maar een jaar oud; zij overleed op bezoek in Middelharnis, in huis bij de familie Kolff van Oosterwijk.

Pas in 1819 kwam het volgende zusje, gevolgd door nog een in 1822. De geboorte van dit meisje kostte helaas het leven aan de moeder; Deliana Lucretia de Rouville-Slotemaker overleed op 24 november 1822, 33 jaar oud. Abraham was toen tien jaar, een jongetje dat nog alle zorg en aandacht nodig had. Die kreeg hij mogelijk van zijn oma Slotemaker die in Brielle was komen wonen. Materieel zal het de kinderen De Rouville aan niets ontbroken hebben. 

Wat Abraham bijvoorbeeld aan kleding bezat, zal meer geweest zijn dan wat het gemiddelde Brielse jongetje in die tijd had. De volgende opsomming geeft een beeld hoe keurige jongetjes uit die tijd gekleed gingen. In de kast van Abraham lagen: een hoed, een oude hoed, een groen lakens buisje en dito lange broek, een blauwlakense kraagjas, vier linnen hemden, drie paar witte katoenen kousen, drie paar grijze sajetten kousen, vier onderbroeken van wit werkjesgoed, drie asgrauwe nankingse overbroeken, zes witte overhemden, drie witwerkse hemdrokken, vijftien halve halsdoekjes, vier witte katoenen slaapmutsen, zes bonte zakdoeken en twee paar rijglaarzen.

In zijn nette groene pak (of in een grijze broek?) bezocht Abraham een van de Brielse scholen. Of dat de burgerschool of de "Nederduitse school voor jongeheeren" is geweest, werd niet duidelijk, bij gebrek aan leerlingenlijsten van de Brielse scholen uit die tijd. Wel staat vast dat hij voor vervolgonderwijs niet van huis hoefde. Brielle had al eeuwenlang een Latijnse school en daar volgde Abraham een aantal jaren de lessen. Door voor die school te kiezen maakte vader De Rouville duidelijk dat hij van plan was zijn zoon een universitaire opleiding te laten volgen. De Latijnse school was vanouds het begin voor een loopbaan als geleerde of bestuurder. Dat voornemen lukte en Abraham Matthieu werd in september 1830 ingeschreven aan de Leidse universiteit.

Tijdens zijn schooljaren was de gezinssituatie weer veranderd. In 1824 hadden de kinderen De Rouville een stiefmoeder gekregen in de persoon van Martina Pieria Muntz. Zij trouwde in 1824 te Nijmegen met Jean de Rouville. Samen kregen zij nog vier kinderen. Vergeleken met 1822 was het gezin in de Brielse Nobelstraat, naar we aannemen, gelukkiger en drukker geworden. Bovendien was de heer des huizes in de achting van velen gestegen door zijn benoeming als burgemeester van Oudenhoorn.

Studententijd
Abraham ging dus naar Leiden, de stad waar zijn verre voorouders na hun vertrek uit Frankrijk terecht waren gekomen. Het eerste studiejaar verliep echter heel anders dan hij zich voorgesteld zal hebben: de in opstand gekomen Belgen verstoorden de introductie in het studentenleven. In een golf van nationalisme meldden vele studenten zich aan als vrijwilliger om het zuiden een lesje te leren. Ruim 200 Leidse studenten vormden de 'Compagnie Vrijwillige Jagers van de Hogeschool te Leiden'. 

Met zijn medestudenten vertrok Abraham Matthieu in november 1830 uit Leiden om daar in september 1831 met veel vertoon ingehaald te worden. Het korps trok door Nederland, oefende (en verveelde zich misschien ook wel vaak) om uiteindelijk in de Tiendaagse Veldtocht van augustus 1831 in actie te komen. Wat ze precies gedaan hebben, valt buiten het bestek van dit verhaal: te melden valt dat slechts een student dodelijk verwond werd. 


Herinneringsmedaille voor de Tiendaagse Veldtocht, augustus 1831.

De anderen werden, toen de vijandelijkheden geëindigd waren in een wapenstilstand, op 23 september 1831 hartelijk begroet in Leiden, nadat op speciaal verzoek het begin van het studiejaar verschoven was naar oktober. Lofzangen en toespraken vielen de heren soldaten ten deel bij een bijeenkomst in de Pieterskerk. De mannen kregen een herinneringsmedaille met de tekst "Hulde van Leijdsche jonkvrouwen aan vaderlandsliefde en heldenmoed". Iedereen, dus niet alleen de studenten, die de Tiendaagse Veldtocht had meegemaakt kreeg het Metalen Kruis als herinnering, cq. beloning. De Rouville kon dus op 19-jarige leeftijd al twee medailles opspelden.

De volgende vier jaar was hij weer 'gewoon' student. In een normaal tijdsbestek voltooide hij zijn juridische studie en studeerde in 1835 af met een dissertatie over het 'jus albinatus' (het recht van het staatshoofd op de bezittingen van in zijn land overleden vreemdelingen), getoetst aan de Franse en Nederlandse wetgeving. Promotor was in dit geval zijn hoogleraar Thorbecke, de latere staatsman en medegrondlegger van een vernieuwde Nederlandse grondwet. 

De Rouville heeft verder geen boekwerken gepubliceerd. Toch vestigde hij wel naam als scherpzinnig jurist door een aantal omvangrijke artikelen van zijn hand dat verspreid over tientallen jaren in juridische tijdschriften zou verschijnen. In het tijdschrift Themis liet hij zijn gedachten onder meer schijnen over bezuinigingen in de rechtspraak, nieuwe wetgeving voor leger en marine, erfrecht, rechtspleging in de koloniën en de verhouding tussen nationaal en internationaal recht (bijvoorbeeld in de zaak van het schip De Jonge Albert dat in Riga door de Engelsen tegengehouden werd als uitvloeisel van de Krimoorlog in 1854). 

Hij werd echter geen geleerde die voornamelijk in de studeerkamer vertoefde, maar ging aan de slag als advocaat en procureur. Daarvoor keerde hij terug naar het vertrouwde Brielle.

Wonen en werken in Brielle
Abraham nam weer zijn intrek in het ouderlijk huis en begon een eigen praktijk op te bouwen. Het bleef niet bij het procureurschap. In 1838 werd hij aangesteld tot secretaris van de stad Brielle en tot rechter-plaatsvervanger bij de Brielse rechtbank. Dit zal ongetwijfeld een solide indruk gemaakt hebben toen hij om de hand vroeg van Jeanne Charlotte Anne Lette, de tweede dochter van een andere procureur uit Brielle.

Het kleine jongetje in zijn groene pakje was geworden tot een zwartharige, rijzige gestalte van 1 meter 87, die in keurige zwartlakense pakken, met een hoge hoed getooid, door de Brielse straten stapte. Echt avontuurlijk lijkt Abraham op het gebied van vriendinnen dus niet geweest te zijn: hij trouwde in oktober 1839 met een meisje uit hetzelfde kleine kringetje van Brielse notabelen waartoe hij zelf ook behoorde. Maar dan wel een van de hogere notabelen, voor zover je onderscheid daarin kan maken. Zijn aanstaande schoonvader was echt vermogend, met veel onroerend goed in Brielle en omgeving, en had de rechten van de ambachtsheerlijkheid Oostvoorne kunnen kopen.

Jeanne en Abraham de Rouville zouden in een tijd van twaalf jaar een negental kinderen krijgen. Een groot gezin is de eerste indruk, maar twee kindjes werden levenloos geboren en van de anderen bereikten maar twee de volwassen leeftijd. Omstreeks 1846, toen er al vier kinderen waren, verhuisde het gezin naar een van de grootste woonhuizen van Brielle, ‘De Wildeman’, aan de Nobelstraat 7-9. Een paar dienstboden stonden mevrouw De Rouville bij in het voeren van de huishouding; van een kindermeisje of gouvernante was geen spoor te vinden.


Huis De Wildeman, thans Nobelstraat 7-9, omstreeks 1902. Collectie Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg.

Al dan niet ambtshalve kreeg De Rouville steeds meer werkzaamheden. Hij nam zitting in het bestuur van het hoogheemraadschap van Voorne, had zeggenschap in het bestuur van het gasthuis en verschillende scholen in de stad. In 1850 werd hij ook nog verkozen voor de staten van Zuid-Holland. 

In 1845 ontvouwde De Rouville een geheel eigen plan: hij vroeg de gemeenteraad toestemming om een eigen onderwijsinstelling te beginnen. Hij wilde jongens die van de Latijnse school kwamen, een jaar voorbereiden op een studie aan de universiteit, zodat ze op de universiteit beter beslagen ten ijs zouden komen. 

Ook jongeheren die al begonnen waren met de rechtenstudie, maar bij wie het toch niet zo lekker liep, zouden bij De Rouville terecht kunnen. Of om met de woorden van de advertentie in landelijke bladen te spreken: "als voorbereiding tot het academisch verblijf, voor hen, die, na volbragte studien aan de Gymnasien, Latijnsche scholen of andere dergelijke inrigtingen nog te jeugdig zijn of voor welke het om andere redenen min verkieslijk is, dat zij in eens in het geheel vrije en onbedwongen studenten-leven overgaan; hetzij als gewijzigde voortzetting van het studentenleven, voor hen, die reeds eenige tijd aan eene hoogeschool of aan een athenaeum zijn geweest, doch om de eene of andere redenen meerderen drang tot hunne studien of meer toezigt, gedurige opwekking en vermaning in hun gedrag behoeven."


Commentaar uit de Arnhemsche Courant over de plannen van De Rouville. Arnhemsche Courant, 12-10-1845. 

Een idealistisch plan dus, waarmee De Rouville, bijgestaan door een doctor in de letteren, jongelui op het rechte pad wilde houden. De Brielse raad gaf toestemming, nadat de initiatiefnemer erop gewezen had dat zijn inrichting geen bedreiging was voor de bestaande Latijnse school, en dat het plan misschien nog wel voordeel zou brengen voor het kwijnende Brielle. De Rouville was niet over een nacht ijs gegaan: hij had ook met anderen zijn plannen besproken, onder andere met zijn oude leermeester Thorbecke. Deze zag wel iets in het plan, maar waarschuwde zijn vroegere student ook voor kritiek. 

Een artikel in de Arnhemsche Courant had de titel 'De Brielsche bewaarschool' gebezigd voor de nieuwe opleiding. Het sabelde het 'plan van inrigting' neer dat aan stadsbesturen in den lande gestuurd was en stak de draak met het rustige Brielle waar de studenten niet in aanraking konden komen met de verlokkingen van de grote stad. Helaas was er geen origineel van het bewuste plan te vinden in de archieven. De Rouville bleef toch een aantal jaren adverteren voor zijn geesteskind. Of er veel leerlingen naar Brielle kwamen, blijft een vraag. Slechts een heb ik kunnen traceren, dat was een 22-jarige jongeman die in Brielle bij een weduwe in de kost was (dus niet bij De Rouville zelf in huis).

Burgemeester
Sprak Abraham al eerder over de kwijnende toestand van Brielle, hij zou het nog vaker doen als burgemeester van deze stad. In die hoedanigheid werd hij namelijk in maart 1851 benoemd. Hij was daarmee de opvolger van zijn schoonvader. Mr. N.J.C. Lette van Oostvoorne was amper een jaar burgemeester geweest, toen hij, onderweg naar Hellevoetsluis, plotseling overleed. In deze tijd werd er voor burgemeesters nog steeds gekeken naar geschikte kandidaten uit dorp of stad zelf en waren sollicitaties en vertrouwenscommissies nog onbekend. 

De eerste daad van deze nieuwe burgemeester was een open brief aan de burgers van Brielle, waarin hij bedankte voor de felicitaties en zei zich verzekerd te weten van de welgezindheid der burgers. Tevens kondigde hij aan voortaan  elke middag, behalve zondag, van half een tot half twee spreekuur te houden in het raadhuis. Een ieder met dringende, persoonlijke vragen zou daar welkom zijn.

In 1851 kon de burgemeester zich eerst bezighouden met de praktische uitwerking van de nieuwe Gemeentewet die dat jaar in werking trad: verschillen tussen dorpen en steden werden opgeheven, de verhouding tussen gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders werd vastgelegd. Daarna konden specifiek Brielse zaken de aandacht krijgen. De naam van De Rouville bleef verbonden aan de oprichting van de calicot (soort katoen) weverij ter plekke van het latere Asylplein, een koehaarspinnerij en andere (al dan niet succesvolle) maatregelen om de armoede in Brielle te bestrijden.

Onder De Rouvilles bestuur kreeg Brielle een telegraafkantoor en werd een park aangelegd aan de zuidzijde van de stad (de nieuwe aanleg in de Plantage). Ook behoedde deze burgemeester een deel van de Brielse archieven voor vernietiging. De latere archivaris De Jager noemde "wakkere en werkzame burgemeester mr. A.M. de Rouville … Deze redde wat er nog te redden was, maakte van de behouden rekeningen een lijst en deponeerde ze in een kast op de voorzolder van het raadhuis".

De juridische betogen van de Brielse burgemeester bleven niet onopgemerkt en droegen mogelijk bij tot zijn benoeming in de landelijke commissie die een nieuwe politiewet moest voorbereiden. Had De Rouville zelf misschien dromen over een loopbaan in de landelijke politiek? Een verandering van loopbaan vond wel plaats, maar in een heel andere richting en met deels verdrietige aanleiding.

De familie De Rouville was tijdens het burgemeesterschap van Abraham niet gespaard gebleven voor ziekte en andere ongelukken. Er was een levenloos zoontje geboren (augustus 1852). Oudste zoon Nicolaas was in september 1853 met goede moed begonnen aan zijn eerste schooljaar op het nieuwe Brielse gymnasium maar moest al snel regelmatig verzuimen vanwege zijn slechte gezondheid. Hij overleed in maart 1854.

Aan het einde van datzelfde jaar was er het dramatische einde van halfbroer Pieter Helenus Muntz de Rouville. Deze Pieter was een net afgestudeerd jurist en had een betrekking in Nederlands Indië aanvaard. De reis naar Indië ondernam hij met de vrouw die hij kort daarvoor getrouwd had. Maar hun schip de Hendrika kwam niet ver: het verging op de Noordzee ter hoogte van Brouwershaven. Alle opvarenden kwamen om het leven, vonden een graf in de golven.

In april 1856 kwam een nog grotere klap voor De Rouville: zijn vrouw overleed op 38-jarige leeftijd, volgens de advertentie na "een langdurig lijden". Brielle had voor De Rouville zijn aantrekkingskracht verloren, zoals hij zelf verwoordde in een later geschreven verslag van zijn leven: "Het verlies eener beminde gade, die mij 17 jaren lang gelukkig had gemaakt, de zwakke gestellen mijner kinderen, waaronder eene aan tering lijdende dochter, noopten mij de stad mijner inwoning te verlaten”.

De Rouville had de minister van binnenlandse zaken laten weten in te zijn voor een andere betrekking, en al spoedig werd hij door die minister en die van justitie gepolst voor de functie van Procureur des Konings op Curaçao (het hoofd van rechtbank en politie). Na enige gesprekken over de voorwaarden werden de heren het eens. De Rouville kon zijn ontslag aanbieden als burgemeester van Brielle.

Toen ging het ook snel: op 9 september 1856 zat burgemeester De Rouville zijn laatste gemeenteraadsvergadering voor. Aan het einde van deze vergadering deelde hij mee dat hij de stad een geschenk wilde geven, en wel in de vorm van een hardstenen bank die geplaatst moest worden in de Plantage, daar waar hij zelf altijd zo graag vertoefd had. De bank is er gekomen, kwam in 1917 nog even in het nieuws toen vandalen zich erop uitgeleefd hadden, maar is uiteindelijk spoorloos verdwenen, waarschijnlijk in de jaren 1940-1945.

De hardstenen bank in de Plantage, het afscheidsgeschenk van burgemeester De Rouville aan de gemeente Brielle. Collectie Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg. 

De gemeente Brielle kon niet achter blijven en besloot in de buitengewone raadsvergadering van een dag later om de burgemeestersketting, compleet met penning, aan de scheidende burgemeester als afscheidscadeau te overhandigen. In die week kreeg hij vanuit de burgerij nog diverse, al dan niet nuttige, geschenken zoals een zilveren fruit-etagère en een zilveren tafelschel met inscripties.

Was Abraham zijn ambtsperiode begonnen met een open brief, hij eindigde daar ook mee. De brief, gedateerd op 28 augustus 1856, werd zelfs in gedrukte vorm verspreid. Daarin werd uiting gegeven aan zijn gevoelens van weemoed bij het verlaten van de stad, waaruit velen hem ongaarne zien vertrekken. Hij hoopte dat hij zich voor iedereen goed had ingezet. De passage die volgt zal misschien nu wat gemengde gevoelens opwekken vanwege de duidelijke standsverschillen die er uit blijken, maar viel in 1856 misschien juist in zeer goede aarde. Het einde van de brief luidde:

"Mogten er onder Ul. zijn, die mij gaarne een handdruk tot afscheid bragten, ook onder hen, die niet tot den meer gegoeden stand behooren en aan wien ik steeds gemeend heb, dat mijne meeste zorgen moesten gewijd zijn, gaarne zal ik een ieder afwachten. Men gelieve zich dan slechts, zoolang ik nog hier en in mijne tegenwoordige betrekking ben, bij een der boden ten Raadhuize aan te melden. Tot geruststelling van eenige behoeftigen voeg ik hier nog bij, dat ik beschikking heb gemaakt, dat de kleine giften, die mijn beperkt vermogen mij toeliet, ook na mijn vertrek, uitbetaald zullen worden. Nog eens: ontvangt met warme toebidding van Gods besten zegen, de welgemeende afscheidsgroet van uwen vriend, thans nog burgemeester van Brielle, De Rouville."

Naar een ander eiland
Natuurlijk was er het nodige te regelen als een man met vijf kinderen moet verhuizen naar een tropisch eiland. Een van de eerste dingen was het vinden van een gouvernante. Half augustus was in verschillende kranten de volgende advertentie te lezen: "Wordt verlangd eene dame van de P.G., boven de 30 jaren oud, om met een weduwenaar en diens gezin bestaande uit 5 kinderen (8 tot 15 jaren), omstreeks half oktober naar Curaçao te vertrekken en daar, voor ten minste 2 jaren, behoudens nadere overeenkomst, als gouvernante aan de 4 jongste kinderen, met eene beschaafde opvoeding, het noodige onderwijs te geven; voorts om zich met eenig opzicht over de huishouding te belasten, maar vooral ook, om met een zacht, geduldig en gelijkmatig humeur hare zorgen te wijden aan het oudste meisje, hetwelk ziekelijk en lijdende is".

Het was niet na te gaan wie uiteindelijk deze positie kreeg. Maar haar taak werd al snel anders. Op 27 september, kort na de afscheidsplechtigheden, kon de oud-burgemeester alweer een rouwadvertentie opstellen, nu om de dood van zijn oudste dochter Luciana te melden. Door deze droeve gebeurtenis werd het vertrek waarschijnlijk enkele weken uitgesteld. Op 22 oktober zat Abraham de Rouville nog bij de notaris in Brielle om de erfenis van zijn dochter (aandelen uit het familiekapitaal Lette, gouden en zilveren sieraden en naaigerei) te laten beschrijven.


Het overlijdensbericht in de Opregte Haarlemsche Courant van1 oktober 1856, met betrekking tot de oudste dochter van De Rouville. 

Met vier kinderen en een gouvernante begon dan in de tweede helft van november de reis. Het gezelschap ging met een Engelse stoompakketboot naar St. Thomas (een van de Maagdeneilanden) om daar over te stappen op het Nederlands marineschip Lynx dat de gezinsleden naar Curaçao zeilde. Een reis van Nederland naar Curaçao per stoomboot duurde ongeveer twee weken; op 13 december zetten zij voet aan wal in Willemstad: Abraham Matthieu de Rouville ondertekende op 16 december zijn eerste besluiten als Procureur des Konings.

Aan de inwerkperiode op Curaçao kwam een abrupt einde toen de jongste dochter, Jeanne Charlotte Anne, op 16 maart 1857 slachtoffer werd van een gele koortsepidemie op het eiland. De Rouville die gemeend had zijn kinderen naar een gezonder klimaat over te brengen, moet wel heel diep getroffen zijn door deze speling van het lot. Direct regelde hij vertrek naar Nederland. Zijn drie overgebleven kinderen wilde hij niet aan dit klimaat blootstellen. Ze werden ondergebracht in een kosthuis in Gouda, een plaats waar zowel de zoon als de twee dochters onderwijs konden volgen.

Een van de dochters zou hij nooit meer terugzien, zij overleed in 1859 te Gouda, net als haar moeder en zus na "een langdurig, uiterst geduldig gedragen lijden". De vader ging zo spoedig mogelijk terug naar Curaçao om nu echt aan zijn taken te beginnen. Zijn verdriet moet groot geweest zijn: hij was alleen, zonder afleiding. Een teken daarvan is de advertentie in de Curaçaosche Courant: A.M. de Rouville biedt te koop aan een nog geheel nieuwe pianino, voor tropisch klimaat vervaardigd door de gunstig bekende piano-fabrikant Paling.

Alvorens verder te gaan met de ambtelijke loopbaan van De Rouville, wil ik toch ook zijn verdere huiselijke omstandigheden schetsen. Hij kwam, al was het alleen maar vanwege zijn functie, in contact met de hoogste kringen van Curaçao: de Nederlandse ambtenaren en de blanke families die het zakenleven op het eiland beheersten.

Zo ontmoette hij de jonge weduwe Maria Adelaide Kikkert, geboren en getogen op het eiland, kleindochter van Albert Kikkert, gouverneur van "Curaçao en onderhorigheden" van 1816-1819. Haar eerste echtgenoot was, op ambtelijke missie in Venezuela, in Caracas aan cholera gestorven. Zij had geen kinderen, de kinderen van Abraham waren ver weg: zo was het voor beiden een nieuwe start bij hun huwelijk in oktober 1858. Voor de tweede maal kreeg Abraham een groot gezin: tussen 1859 en 1868 werden 6 dochters en een zoon geboren.


M.A. de Rouville-Kikkert (collectie CBG) 

Op een na bereikten ze allemaal een hoge leeftijd. Opvallend is dat juist het meisje dat tijdens een verlof in Brielle geboren werd, slechts drie maanden oud werd en in Brielle overleed. De Rouville was waarschijnlijk trots op de enige zoon van hem en Maria Adelaide. In hem wilde hij het aanzien en de rijke voorgeschiedenis van zijn geslacht laten zien.

Tijdens zijn verblijf buiten Nederland was Abraham bezig met een zoektocht naar zijn voorouders: hij voerde correspondentie met particulieren en beheerders van kerkarchieven in Frankrijk. Daaruit kwam de inspiratie voor de toevoeging van de naam De Meux aan de familienaam. Bij gouvernementsbesluit van 30 maart 1869 ging de oudste zoon voortaan als Herman Jan de Rouville de Meux door het leven. Waarom voor deze jongen zo’n toevoeging en niet voor de toen nog levende Johannes de Rouville (uit zijn eerste huwelijk), is een niet te beantwoorden vraag.

Door zijn echtgenote kwam De Rouville direct in aanraking met een aspect van de samenleving waaraan hij in Nederland waarschijnlijk nooit een gedachte gewijd had: slavernij. Ook al was de slavenhandel in 1814 bij koninklijk decreet verboden, de slavernij als zodanig bestond nog in de Nederlandse koloniën.

Voor Curaçao moeten we daarbij niet denken aan grote suiker- of katoenplantages met honderden slavenarbeiders. Curaçao had vooral te maken gehad met de doorvoer van slaven vanuit Afrika. De slaven die op het eiland bleven, werkten vooral als huisbedienden en op de boerenbedrijven. Ook konden slaven in diverse beroepen aan het werk, op dezelfde manier werkend als een vrije ambachtsman. Maar uiteindelijk waren ze nog steeds onvrij, eigendom van een ander.

Maria Kikkert had uit de nalatenschap van haar eerste man een vijftigtal slaven en slavinnen, werkend als huisbediende of op de drie landgoederen van de familie. Ze zouden niet lang meer een volkomen ondergeschikte positie hebben, want in 1863 werd de slavernij in het koninkrijk Nederland officieel afgeschaft. De eigenaren werden financieel gecompenseerd: voor elke slaaf betaalde de overheid een ‘schadevergoeding’ van f 200. De Rouville ontving via zijn vrouw in 1863 dus een aanzienlijk bedrag. Dit familiekapitaal werd twee jaar later aangesproken bij de bouw van de villa Belvédère. Daar zou De Rouville gaan wonen, en niet in het vervallen gouverneurshuis.

Overigens waren er in voorgaande jaren ook regelmatig slaven vrijgekocht of vrijgesteld, door middel van zogenaamde brieven van manumissie. De huisslavin van de familie De Rouville, Katalina werd in mei 1862 vrij verklaard en zou voortaan als Katalina Reville door het leven gaan. Zij ging mee toen De Rouville met zijn gezin kort daarop met verlof naar Nederland ging. Wie weet hoeveel bekijks zij gehad heeft toen zij een jaar lang in Brielle verbleef.

Van Procureur des Konings tot gouverneur
In 1856, bij de aankomst van De Rouville, was de hoogste macht in de kolonie Curaçao en onderhorigheden aan de gouverneur. Hij werd bijgestaan door de Koloniale Raad, een adviesraad, waarin De Rouville vanwege zijn functie als Procureur des Konings ook zitting kreeg. Als uitvloeisel van de Nederlandse grondwet van 1848 werd er al wel gewerkt aan een nieuw regeringsreglement voor de eilanden.

De Rouville werkte mee aan de uitwerking, vooral voor wat betreft het hoofdstuk van de rechtspleging. Het reglement trad in 1866 in werking, de nieuwe wetgeving in 1869. Met het nieuwe reglement werd de titel van De Rouville veranderd in procureur-generaal, maar zijn taak bleef gelijk: hoofd van politie en rechtspraak, adviseur van de gouverneur. 

Hier volgt geen verslag van al zijn activiteiten als procureur. In het proefschrift van Sjiem Fat is het nodige hierover te vinden en na bestudering van de koloniale archieven is waarschijnlijk nog heel veel hierover te vertellen. Wel moet verteld worden dat zijn bemoeienissen met het rechtswezen in de kolonie, al dan niet ongevraagd, niet altijd op prijs werden gesteld in het moederland. Hij kreeg bijvoorbeeld een stevige reprimande van de Minister van Koloniën omdat hij, zonder voorafgaande toestemming, een artikel had laten plaatsen in het juridisch tijdschrift Themis over de schadevergoeding bij de emancipatie der slaven. Hij zou daarin afwijken van het regeringsstandpunt, wat hem als dienaar van de staat niet toegestaan was.

Uit zijn eigen geschriften blijkt dat De Rouville er vanuit was gegaan dat hij al snel tot gouverneur, of minimaal waarnemend gouverneur benoemd zou worden, althans dat had hij geconcludeerd uit de gesprekken die in de zomer van 1856 gevoerd waren. Dat liep echter anders: in 1859 werd gouverneur Van Lansberge elders benoemd, maar zijn opvolger was niet De Rouville. Laatstgenoemde bleef zijn oude functie houden. Pas in februari 1866 kwam zijn promotie tot hoogste vertegenwoordiger van Nederland. 


A.M. de Rouville als gouverneur. Portret door Tom Blom, omstreeks 1925. Het portret hangt in het paleis van de Gouverneur in Willemstad. 

In het al eerder vermelde werk van Sjiem Fat wordt zijn bewind als gouverneur er een zonder veel strubbelingen genoemd. De Rouville stond op goede voet met de Curaçaose elite, de leden van de Koloniale Raad en de rechtbank, en andere figuren uit handel en nijverheid. Onder zijn bewind werd er veel gedaan aan het uiterlijk van Willemstad: straatverlichting, huisnummers, bestrating. Contracten met scheepvaartlijnen bevorderden het post- en personenvervoer, er kwam een nieuw pensioenreglement voor ambtenaren, er werd een quarantainegebouw opgericht. Kortom, bij veel inwoners moet De Rouville een goede naam gehad hebben.

Zelf beleefde hij, volgens zijn eigen schrijven, in die gouverneurstijd en ook al daarvoor, vele teleurstellingen en voelde hij irritaties. We moeten daarbij wel weten dat hij deze pas op schrift stelde kort nadat aan zijn carrière een abrupt einde gekomen was. De problemen waren niet problemen met ondergeschikten of mensen van Curaçao, maar de wrijvingen waren vooral tussen hem en de Nederlandse ministers over al dan niet gedane beloften, interpretaties van de wet en een verschillende uitleg over het belang van Nederland tegenover dat van Curaçao.

Alvorens bij het laatste grote twistpunt te komen, noemde De Rouville een lijst van negen punten waarover hij boos, teleurgesteld of verdrietig was. Hij was in 1859 gepasseerd voor de functie van gouverneur, zijn beleid inzake de promotie van ene kapitein Van Eps werd afgekeurd, er was een juridisch geschil over de verlening van venia aetatis (verklaring van volwassenheid), over vermindering van het garnizoen (voornamelijk over het ontslag van zijn persoonlijke adjudant), over andere bezuinigingen, over Abrahams voorstel om St. Eustatius te ruilen voor het Franse deel van St. Maarten, over een contract met een andere maatschappij in plaats van de stoomboot naar St. Thomas.

Ook kleinigheden zoals De Rouvilles belofte om zijn Franse collega van Guadeloupe een onderscheiding te verlenen voor betoonde hulp bij een orkaan op St. Maarten (volgens de minister was dat te duur). De oudste zoon, Johannis de Rouville, had tijdens of na zijn opleiding in Nederland enige tijd in Willemstad op het parket gewerkt, tot ieders tevredenheid, maar toen zijn vader hem aanbevolen had voor een functie in het nieuwe rechterlijke apparaat van Curaçao, werd hij van nepotisme beschuldigd. 

Deze gevallen waren in Den Haag ook niet vergeten en kwamen weer ter tafel toen begin januari 1870 een nieuw twistpunt zich voordeed. In het kort het verhaal: de regering van Venezuela had brieven onderschept van vier uitgeweken onderdanen die op Curaçao verbleven. De Nederlandse zaakgelastigde werd op de hoogte gesteld en Venezuela vroeg om uitlevering van de vier mannen die omverwerping van de regering in Caracas voor ogen hadden.

De Rouville nam zelf geen actie hierop maar werd vanuit Nederland bevolen deze briefschrijvers onmiddellijk uit te zetten. De Rouville vond dat onderschepte brieven geen erkend bewijsstuk waren en dat er in dit geval ook geen sprake was van gevaar voor Curaçao zelf. De Nederlandse regering zag echter een twijfel aan de Nederlandse neutraliteit dreigen en wilde de verhoudingen met Venezuela goed houden.

In de Koloniale Raad was er tegengeluid en werd nog een attest voor de koning opgesteld. Voordat daar antwoord op was, bleken twee van de, inmiddels onder bewaking gestelde, bannelingen gevlucht, een was vrijwillig naar zijn vaderland vertrokken, de vierde mocht vanwege zijn gezondheidstoestand voorlopig op het eiland blijven. De situatie werd nog gecompliceerder door het vasthouden van Curaçaose schepen en de onenigheid tussen De Rolandus (de zaakgelastigde in Venezuela) en De Rouville, en het aan de macht komen van Guzman Blanco, een van de gevluchte bannelingen. Er zou over deze zaak een boek te schrijven zijn. 

De zaak kreeg een plaats in het 'zwartboek De Rouville' dat als geheim rapport door het Ministerie van Koloniën werd opgemaakt. Het leidde tot het Koninklijk Besluit van 17 september 1870 waarbij De Rouville vanaf de dag dat zijn plaatsvervanger was aangekomen, eervol ontheven zou zijn van zijn functie als gouverneur. Het bericht bereikte de gouverneur op 23 oktober. Vijf dagen later belegde hij een openbare vergadering van de Koloniale Raad – een zeer ongebruikelijk gebeuren – waarop hij duidelijk zijn verrassing, kwaadheid en andere emoties liet blijken.

Hij voelde zich het slachtoffer van persoonlijke wrok, had altijd de belangen der kolonie gediend  etc. etc. Ook meldde hij het feit dat hij het jaar daarvoor al zelf om eervol ontslag had gevraagd, maar dat dit toen geweigerd was omdat zijn plaatsvervanger ziek geworden was en hij, De Rouville, dus nog niet gemist kon worden. De Rouville kon nu niet anders en hij zal de volgende dag een boot naar St. Maarten sturen om de nieuwe interim-gouverneur Wagner te laten halen.

Het duurde nog een maand voordat, op 24 november, de officiële machtsoverdracht plaatsvond. In die tussenliggende tijd was het rumoerig gebleven op Curaçao, mogelijk aangewakkerd door de houding van De Rouville zelf. Net als bij zijn afscheid in Brielle, liet hij ook in Willemstad een gedrukte proclamatie verschijnen, gedateerd op 30 oktober waarbij hij nogmaals zijn gevoelens liet spreken, nu ook voor alle lagen van de bevolking.

Enige citaten uit dit stuk luiden: "ik mogt steeds de gunstige schatting van U, zyne bewoners, in ruime mate ondervinden. Ik zag my geacht, geëerd, ja, bij velen bemind. Immer vond ik by U een welwillend oordeel en medewerking; vroeger in myne ondergeschikte betrekking, later als bestuurder, in alles, wat ik deed of verrigtte of tot stand bragt of, ten nutte der kolonie trachtte te doen, te verrigten of tot stand te brengen. Dank, hartgrondige dank … Voor dat ik my van hier begeef, hoop ik nog eenigen tyd in uw midden te vertoeven. Ik zal dus nog altyd in de gelegenheid zyn menigen handdruk van afscheid te ontvangen".

Eén publieke afscheidsgroet ontving hij in elk geval, in de vorm van een gedicht in het sinds kort bestaande Curaçaosche tijdschrift De Onpartijdige, waarin de redactie hem lof toezwaaide en betoogde "dit hadt gij niet verdiend".

De Rouville bleef inderdaad nog even, bijna een half jaar. Misschien verwachtte hij toch nog een ander beleid, onder invloed van acties van de Koloniale Raad, of vanwege het feit dat in Den Haag een nieuwe Minister van Koloniën was benoemd. En er zal meegespeeld hebben dat hij een gezin met kleine kinderen (van 2 tot 11 jaar) niet midden in de winter in het onbekende, koude Nederland wilde laten aankomen.

In december richtte hij zich, zij het zonder succes, ook met een adres tot de koning, waaraan toegevoegd werd het al eerder geciteerde verslag van zijn ambtelijk leven, getiteld “Lotgevallen en wederwaardigheden van een koloniaal hoofdambtenaar en landvoogd, niets dan waarheid, bewijsbaar door de archieven van het departement van koloniën, door hemzelf opgesteld”. Tot rechtsherstel van Abraham Matthieu de Rouville is het nooit gekomen, ook al wordt hij door de enkelen die later over hem geschreven hebben, zeker niet negatief beoordeeld.

Een eenzaam einde
In april 1871 vertrok de familie naar Nederland. Onderweg legde het schip nog even aan in een Venezolaanse haven. De uitnodiging van de regering van Guzman Blanco om een bezoek aan Caracas te brengen werd vriendelijk afgewimpeld. Eenmaal aangekomen in Nederland deed De Rouville wel Brielle aan, waar toen zijn zwager G.F. Lette burgemeester was. Volgens de krantenberichten werd hij daar op 2 mei vriendelijk ontvangen: een aantal mensen had voor hem de vlag uitgestoken.


A.M. de Rouville als oude man (collectie CBG)

Twee weken later vestigde het gezin De Rouville zich in Den Haag, aan de Laan Copes van Cattenburgh. Daar zou de oud-gouverneur de laatste tien jaren in alle stilte leven. Hij verdween uit het openbare leven en hoe hij zijn tijd doorbracht, als het ware weer levend op een klein eilandje, was niet te achterhalen. Hij maakte de bruiloft van een zoon en een dochter mee, werd in 1874 grootvader van een kleindochter, maar moest vier jaar later ook aan het graf staan van de vader van dat kleine meisje. Een portretfoto uit deze tijd toont een grijsgeworden De Rouville, niet het beeld van een energiek man.

Op 9 oktober 1881 kwam een einde aan het leven van Abraham Matthieu de Rouville. Hij was 69 jaar oud geworden. De Nederlandse kranten wijdden geen in memoriam aan hem, alleen het Weekblad voor Voorne en Putten, Goeree en Overflakkee stond stil bij het overlijden van de vroegere Brielse burgemeester en zijn verdiensten voor Brielle. In het hoofdartikel verbaasde de schrijver zich enerzijds over het feit dat De Rouville nooit meer politieke ambities had gehad, bijvoorbeeld als woordvoerder voor West-Indische zaken in de Tweede Kamer, maar anderzijds kon hij zich voorstellen dat het tropisch klimaat en de voorgevallen onaangenaamheden de gezondheid en ambities van De Rouville hadden geknakt.

Welke tastbare herinneringen aan deze jurist-burgemeester-gouverneur zijn er nu nog? Nakomelingen met zijn achternaam in elk geval niet. Hij kreeg tien kleinkinderen, maar de enige kleinzoon zorgde niet voor voortzetting van de naam. Deze kleinzoon, Abraham Mattheus de Rouville de Meux, overleed in 1986; zijn partner en erfgenaam raakte in gesprek met de ‘Vrienden van het Trompmuseum’ te Brielle.

Zo kwam het museum in bezit van het grote schilderij van Abraham Matthieu, gekleed in zijn ambtskostuum van gouverneur. Het portret dateert overigens van na het gouverneurschap. Het is gemaakt door de kleinzoon (geboren in 1893), mogelijk op basis van een foto of eerdere portretten. Het was voor de familie een herinnering geweest aan de (groot)vader die zo akelig behandeld was: "… ik herinner dat de heer De Rouville steeds zei, dat zijn grootvader op een eervolle manier had gehandeld en weigerde zijn vrienden in de steek te laten en uit Curaçao te zetten .. met voor hemzelf zware consequenties".

Het schilderij is nog steeds in bezit van het Historisch Museum Den Briel; het heeft vele jaren deel uitgemaakt van de portrettengalerij, waarin De Rouville een plaats had tussen andere Brielse notabelen uit vroeger eeuwen.

Op Curaçao, in Willemstad zijn meer sporen te vinden. In het gouvernementshuis hangt een ander portret van De Rouville, in de galerij met alle gouverneurs. Er is een De Rouvilleweg waar op nummer 9 het café-restaurant Gouverneur de Rouville is gevestigd. Mogelijk lopen er ook nog mensen rond met de achternaam Reville, nakomelingen van zijn vrijgelaten slaven. Zijn huis Belvédère werd na een tijd van verval in volle glorie hersteld. Eerder werd als verdienste van deze gouverneur voor Curaçao genoemd het zorgen voor straatverlichting in de straten van Willemstad. Dat dit door de een wel, door de ander niet op prijs werd gesteld, komt tot uiting in liedjes die honderd jaar na dato nog bekend waren.

Meneer Rouville a bin Korsou

bin pone lus den hanchi smal.

Ba na de donder Meneer Rouville

ku bo karson asina smal.

(Rouville is naar Curaçao gekomen om voor licht in de smalle straatjes te zorgen. Loop naar de donder Rouville met je zo smalle broekspijpen.)

Meneer Rouville a bin Corsou

el a haci tempu ta scaridad

unico cos k’el a haci bon

k’el a pone luza na caja scur

unico kos k’el a haci bon

k’el a pone lampi na cajanan.

(Meneer Rouville is op Curaçao aangekomen, hij heeft ons een slechte tijd bezorgd; het enige goed dat hij heeft gedaan is lantaarns plaatsen in donkere straten.)

Misschien dat de familieleden er toch nog om hadden kunnen lachen als ze wisten dat hun (groot)vader in de herinnering zou blijven om zijn broekspijpen en de straatverlichting.

Hoe zie ik hem? Als een knappe (van uiterlijk) man, een beetje ijdel (de dubbele naam voor zijn zoon, een schitterend huis), zorgzaam voor zijn kinderen, gevoelig voor de openbare mening (in zijn open brieven), vasthoudend in juridische kwesties, vastgelopen in een spagaat tussen Nederlands en Curaçaos belang. Een man die een vermelding mag hebben in de geschiedenis van zijn geboorte-eiland en een grotere plaats in de geschiedenis van Brielle.

Over de auteur
Drs. E. Lassing-van Gameren studeerde Geschiedenis te Utrecht; zij woont in Oude Tonge en is medewerkster van het Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift van Historische Vereniging De Brielse Maasmond.

 

Bronnen
Nationaal Archief Den Haag

Archief van Ministerie van Koloniën, 1850-1900

Archief van de Algemene Rekenkamer

Streekarchief Goeree-Overflakkee Middelharnis:

Archieven van de voormalige gemeente Middelharnis, ca. 1585-1931

Notarieel Archief Sommelsdijk en Middelharnis

Archief van het departement Middelharnis-Sommelsdijk van het Nut van ’t Algemeen

Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg te Brielle

Archief van de gemeente Brielle, 1811-1959

Notarieel Archief Brielle

Nieuwe Brielsche Courant 

Weekblad voor Voorne en Putten, Goeree- en Overflakkee

Centraal Bureau voor Genealogie Den Haag:

Familiearchief De Rouville

Reacties

  1. anoniem

    Erg benieuwd was ik naar hoe de Curacaose bevolking over hem dacht. En dan bedoel ik vooral de Afro Curacaoenaars die tot slaaf gemaakt zijn. Er blijkt echter alleen uit de twee liederen op het eind hoe zij over hem dachten en dat zegt al heel veel. De hogere sociale klassen zorgen goed voor zichzelf, redden zich wel, zijn maar een klein percentage van de bevolking en worden minder beinvloed door het bewind van een gouverneur. Daarom vind ik de midden en lagere klassen zo interessant, vooral in een tijd waarin onvrije mensen vrij worden, niemand voor hun onvrijheid wordt gestraft en slavenhouders nota bene worden gecompenseerd voor het verlies van hun tot slaaf gemaakten. De wereld op zijn kop. Wat heeft deze gouverneur nou echt voor het volk gedaan? Hoe heeft hij gezorgd dat de voormalige onvrije mensen hun waardigheid terug kregen? Een vrij bestaan konden opbouwen zonder middelen? Heeft hij de plantage houders aangepakt die de inmiddels vrije Afro Curacaoenaars alsnog voor niks op hun land lieten werken? Met al deze vragen in mijn achterhoofd, denk ik helemaal niet dat de Rouville zo geliefd was. Zeker niet bij het grootste deel van de bevolking; de niet-handelaren, niet-Nederlanders, niet-Joodse mensen..

    25 juli 2018

  2. Redactie

    Terechte vragen, lijkt me erg interessant om daar meer over te lezen. Als iemand hier meer onderzoek naar gedaan heeft en dat wil delen, dan horen we daar graag meer over. Laat een reactie achter of mail naar redactie@geschiedenisvanzuidholland.nl

    26 juli 2018

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.