Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Sorghvliet en de Wysentijt

Jacob Cats bracht zijn oude dag door op buitenplaats Sorghvliet, het huidige Catshuis. Hij liet zich daarbij inspireren door klassieke wijzen als Vergilius en Seneca.

Jacob Cats (1577-1660) woonde hartje Den Haag. Maar na eervol ontslag als hoogste bestuurder van ons land vestigde hij zich op een landgoed tussen Den Haag en Scheveningen. Daar op Sorghvliet was hij verlost van de drukte en stank van de stad. Deze buitenplaats  was voor hem een uitgelezen plaats voor een zorgeloze oude dag.

Vanwege zijn passie voor de oude Grieks-Romeinse beschaving gaf hij zijn huis op Sorghvliet, het huidige Catshuis, een klassiek symmetrisch aanzien. En de ingangspartij liet hij voorzien van een fronton, de driehoekvormige bekroning uit de Grieks-Romeinse architectuur. Zijn werkkamer lag in de rechtervleugel. Daar verdiepte hij zich in de bijbel en in de werken van beroemde kerkvaders.  

Sorghvliet, prent van Johannes van den Aveele, 1690. 

Maar in zijn boeck-kas stonden – rechtgeaard humanist als hij was – ook werken van niet-christelijke auteurs. En wel uit een periode die men toen de Wysentijt noemde. Dat was de tijd van de alwijze Adam  tot en met de klassieke, Grieks-Romeinse beschaving aan toe. Vergilius en Seneca waren twee van die Wijzen. Hun wijsheid putten zij uit de Stoa, een Grieks-Romeinse filosofie die zichzelf presenteerde als de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken. Dat Cats die twee als zijn leermeesters zag, maakte hij zichtbaar door op een schilderij behalve zichzelf ook een buste van Seneca af te laten beelden. En aan de onderkant van het boek, vlak er tegenaan schreef hij  ‘Vergilius’. 

Jacob Cats op 82- jarige leeftijd, in 1660 geschilderd door Arnold van Ravesteyn. Op de tafel een buste van Seneca.

Van Seneca las hij graag de Brieven aan Lucilius uit de jaren zestig na Christus en van Vergilius de Georgica, een gedicht uit de jaren ’30 vóór Christus. 

De landbouw
De Georgica is een ode op het leven op het land. Dit gedicht bestaat uit vier Zangen. De vier tableaux op de hier afgebeelde miniatuur  uit de Middeleeuwen maken die zangen visueel. Van onder naar boven:  ploegen en zaaien (I), verzorgen van bomen en wijnstokken (II), houden van vee (III) en het houden van bijen (IV). 

Landbouwactiviteiten op en rond een vijftiende eeuwse pachthoeve. Titelplaat in een Brugse kopie van de Georgica van Vergilius. Gemaakt in opdracht van Jan Crabbe, abt van de Duinenabdij, 1473. In bezit van Wells-next-the Sea. The Holkham Estate Trustees, Ms. 311, fol. 41v

Ook Cats achtte de landbouw hoog. Niet alleen omdat hij hierin in de voetsporen van de grote Vergilius wilde treden, maar  ook omdat hij God zelf als grondlegger  daarvan beschouwde. In zijn eigen woorden:

... Als dat God Eden schiep heeft hy dien eigen tijt den landbouw ingestelt. Het was een soet bedrijf, dat Adam was gegeven…

Oorsprong
De functies die een buitenplaats als Sorghvliet  vervulde – een plaats om zich terug te trekken, te lezen, schrijven, te mediteren, van de natuur te genieten en aan landbouw te doen - hadden hun oorsprong in de landgoederen  uit de antieke, Romeinse cultuurperiode. Bijvoorbeeld de eenvoudige buitenplaats nabij de Mincio – een zijrivier van de Po – waar Vergilius als boerenzoon zijn kinderjaren door bracht of de luxere Villa Vergiliana in de buurt van Napels waar hij zich later vestigde.

'Is ’t niet een lust te sien'…
Ick heb uyt de stille beeck die hier op Sorghvliet saghtjens henen swiert by-wijlen visch gegeten wiens aengename smaeck ick niet en kan vergeten (...) De vrugten die men siet op eygen landen groeijen, en sal geen billick mensch met ondanck oyt verfoeijen. Naast dit alles genoot Cats er ook van zijn  paardenkastanjes, Corsicaanse den, gevlekte aronskelk en stinzenplanten. U kunt ze nog steeds in Park Zorgvliet bewonderen. Maar is dit nu alles? Antwoorden op deze vraag vond hij in de bijbel en in de geschriften van Seneca.

Seneca
Ook al was Cats het - als christen - zeker niet altijd met Seneca eens, voor de praktische levenslessen die hij uit de natuur putte, had hij groot respect. Hij verwerkte die in zijn geschriften, óók in het gedicht dat hij over Sorghvliet schreef. Seneca's levensmotto was 'Zo lang je leeft, moet je leren hoe je moet leven’. Maar dat gaat niet zonder een goede leermeester. Voor Seneca was dat de natuur. Want van de natuur kun je leren hoe je als mens hóórt te zijn, zo schreef hij in zijn Brieven aan Lucilius

Eerste oefening
In de natuur is alles met alles verbonden, aldus Seneca. Van haar kun je leren dat ook wij mensen – onlosmakelijk deel daarvan - met elkaar verbonden zijn. Als je die verbondenheid, die band der broederschap verbreekt, dan vernietig je ook de eenheid waarop het hele leven in de natuur gebaseerd is. Daarmee ging Seneca ook dwars tegen  alle vooroordelen en tegenstellingen in die er in Rome ten opzichte van vreemdelingen heersten. Er waren destijds nogal wat mensen die vonden dat buitenlanders de Romeinse fatsoensnormen en gebruiken in gevaar brachten. Seneca zag de natuur als leermeester die de mens deze onderlinge verbondenheid leert. In Het ware geluk schrijft hij: 

Naar alle landen kijk ik alsof ze van mij zijn, naar mijn eigen land alsof het van iedereen is. Ik ga zó leven dat daaruit dit besef spreekt: ik ben voor anderen geboren. En daarvoor wil ik de natuur ook dank zeggen. 

Tweede oefening
Volgens Seneca zijn het haar symmetrie, variatie, creativiteit, veerkracht, dynamiek en visuele kracht die de natuur zo doen schitteren. Die eigenschappen maken haar tot wat zij is. De mens hoort bij de natuur, dus vraagt Seneca zijn lezers of zij er wel eens over nadenken welke eigenschappen henzelf tot een goed mens maken. Niet alleen Seneca, ook andere schrijvers uit zijn filosofenkring (de Stoa) denken daarbij aan kerndeugden als verstandigheid, moed en sterkte, rechtvaardigheid en matigheid. Als de mens zich daarin oefent en zich betert, dan voedt hij zijn ziel. Dan deugen de mensen net als de natuur dat doet.

Derde oefening
Kijk eens hoe de natuur zich aan regels houdt, in de maat loopt en in balans blijft, schrijft Seneca. Als de mens zich net als de natuur gedraagt, houdt ook hij het juiste midden (temperantia). Dat is des te belangrijker als het om hebzucht, genotzucht, heerszucht en eerzucht gaat.  Maat houden bewerkstelligt ook dat je baas over jezelf blijft, je laat je dan niet meer meeslepen door meer-en-meer. Een goede deugd, die matigheid.


Temperantia, houtsnijwerk Alte Rathaus, Wiesbaden, 1608

Vierde oefening
In zijn Brieven aan Lucillius schrijft Seneca:
Als ge op uw tocht een open plek in het woud aantreft, met oeroude bomen dicht omzoomd, bomen die boven de gewone maat ver uitrijzen, waar het oog vergeefs de hemel zoekt omdat de takken elkaar bedekken, dan zal de rijzigheid van het bos, de eenzaamheid van die plek, uw bewondering voor een schaduw vlak naast de zonnigheid zo dicht en ongebroken, U het geloof geven dat daar een goddelijke macht huist. (Brief 41)

De goddelijke macht waarover hij hier spreekt, gaat in de natuur te werk als een intelligente, wiskundig onderlegde edelsmid die in zijn werkplaats een sieraad aan het maken is. Daarbij selecteert hij de nodige materialen, ordent alle onderdelen en brengt daartussen verbindingen aan. En hij zet de stenen, een zaak van passen en meten. Dit alles doet hij met verstand van zaken. Anders gezegd, zijn ratio geeft sturing bij alles wat hij doet.

De goddelijke macht  in de natuur werkt evenzo: doelgericht, sterk sturend door middel van natuurwetten, rationeel en met wiskundige  precisie. Dat maakt dat alles in de natuur goed op elkaar is afgestemd (Brief 65). Seneca raad de mens aan zich bij deze goddelijke, rationele kracht in de natuur aan te sluiten, de ratio als leidsman te nemen en deze je hele lang te blijven ontwikkelen. Dat maakt je tot een wél-denkend mens: je houdt het focus gericht op wat er echt toe doet – de deugden. Je laat je dan niet meer leiden door de waan van de dag.  

De essentie
Deze vier geestelijke oefeningen vat Seneca in Het ware geluk als volgt samen: "Leef volgens de natuur, sluit u bij haar aan, wijk niet van haar af, vorm uzelf naar haar wet en voorbeeld, dát is wijsheid". Bij wijze van spreken zou ieder mens 'tuinman' moeten zijn. 

De buitenplaats
Ook Seneca had een 'buitenplaats', een villa rustica, fraai gelegen aan de Baai van Napels, een echte élitebuurt. Dat paste goed bij zijn status als keizerlijk adviseur. Dit landgoed lag ook nog eens dicht bij de Sarno. De grond was er erg vruchtbaar. Hij verbouwde er tarwe, spelt, gierst, olijven en druiven voor zijn Falernische wijn. 

Vis en groenten, mozaïek in villa Tor Marancia, Rome, 2e eeuw, Vaticaans Museum

De meeste buitenplaatsen in het Italië van de klassieke oudheid bestonden uit een grote herenboerderij waaromheen land, tuinen, voorraadschuren en stallen voor het vee. Seneca hield zich, naast allerlei nuttige zaken, ook bezig met ideële zaken. Zoals schrijven en lezen. En met vrienden filosoferen over de vraag hoe je moet leven, wat deugdzaamheid is en welke oefeningen je daarvoor moet doen. Hoe zo’n samenspraak er aan toe gaat, is te zien op de buitenplaats van Titus Siminius Stephanus in Pompeï, met een prachtig uitzicht op de Vesuvius. Op een mozaïek is een dergelijk gesprek afgebeeld. Op de voorgrond ligt, in een kist, een schitterende bol. Daarover gaat hun gesprek. Voor de Romeinen was zo’n bol symbool van de kosmos, hij omsloot ook de schitterende natuur. Die bol zet de deelnemers aan het denken, in het besef dat zij van de natuur veel kunnen leren. 

Nawoord: synthese
Net als de buitenplaatsen in het oude Romeinse Rijk hadden ook de (vele!) klassieke, humanistische buitenplaatsen en tuinen die in ons land gesticht werden – waaronder Sorghvliet  - zowel een nuttige als ideële functie. Uniek was dat op dit laatste, geestelijke gebied de beschrijvingen daarvan (al vanaf 1525) een synthese laten zien  van enerzijds de christelijke kijk op de natuur en anderzijds de – in dit artikel besproken – deugdethiek van de Stoa. Het is déze synthese die Cats’ beschrijving van zijn buitenplaats Ouderdom, buyten-leven en hof-gedachten op Sorgh-vliet zo bijzonder maakt. Als prélude daarop dichtte hij al in 1627:

‘Ghy die u in den tuyn by wijlen gaet vertreden,
En wilt niet al den tijt in uwen lust besteden;
Voedt niet alleen het oogh, of uwen gragen mont,
Maer weet dat ghy oock hier de ziele voeden kont'.

De Academie van Plato, mozaïek in de Villa van Titus Siminius Stephanus, te Pompeï, ± 90 voor Christus, Nationaal Archeologisch Museum te Napels. 


Literatuur

Beening, Theo Jan, Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de Renaissance, Nijmegen, 1963

Bezemer Sellers, Vanessa, Courtly Gardens in Holland 1600-1650; The House of Orange and the Hortus Batavus, Amsterdam/Woodbridge, 2001

Buys, Ruben Stefan, De kunst van het weldenken. Lekenfilosofie en volkstalig rationalisme in de Nederlanden (1550-1600). Dissertatie Erasmus Universiteit Rotterdam, 2009

Cats, Jacob, Ouderdom, buyten-leven en hof-gedachten op Sorgh-vliet

Dixon Hunt, John en Jong, Erik de, ‘The Anglo-Dutch Garden in the Age of William and Mary/De Gouden Eeuw van de Hollandse Tuinkunst’ in Journal of Garden History 8 (1988), 2 & 3

Dominicus van Soest, Marleen, Van hofstede tot lusthof. Zorgvliet onder Cats en Bentinck, twee delen, Amsterdam, 1988

Hadot, Pierre, Oefeningen van de geest. Het antieke denken en de kunst van het leven, Amsterdam, 2005 

Jansen, Annemieke, Lofzang op Park Sorghvliet, De Nieuwe Haagsche, 2006

Johnson, Luke Timothy, Among the Gentiles. Greco-Roman Religion and Christianity, Yale University Press, New Haven & London, 2010

Jong, Erik de, Natuur en kunst; Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur 1650-1740, Amsterdam, 1993

Jong, Erik de, en Dominicus van Soest, Marleen, Aardse paradijzen. De tuin in de Nederlandse kunst 15e tot 18e eeuw.

Jong, Erik de, e.a Landschappen van verbeelding; Vormgeven aan de Europese traditie van de tuin- en landschapsarchitectuur 1600-2000, Rotterdam, 2008

Jong, K.H.E., de, De Stoa, een Wereld-Philosophie, XX

Lauterbach, Christiane, Gärten der Musen und Grazien, Mensch und Natur im niederländischen Humanistengarten 1522-1655, Kunstwissenschaftliche Studien Band III, München/Berlin, Deutscher Kunstverlag, 2004

Lipsius, Justus, Over standvastigheid bij algemene rampspoed, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door P.H. Schrijvers, Baarn, 1983

Monumenta Literaria Neerlandica, IX, nr 2 Inleiding en commentaar op Jacob Cats Sinne- en minnebeelden, Constantijn Huygens Instituut van de KNAW, 1996

Rijken, Henk, De Leidse lustwarande. De geschiedenis van de tuinkunst op kastelen en buitenplaatsen rond Leiden, ca 1600-1800,  Leiden, 2005

Veen, P.A.F. van, De soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken, Den Haag, 1960

Vermeersch, Etienne en Johan Braeckman, De rivier van Herakleitos. Een eigenzinnige visie op de wijsbegeerte. Antwerpen, 2014

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.