Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Op dood spoor

Het is maandagmorgen, ik trek de deur achter mij dicht en loop door de nevelige binnenstad naar het station. Al bijna twee jaar reis ik elke veertien dagen op maandagmorgen via Utrecht naar Rotterdam. Als ik de trap afloop naar het perron, rolt mijn trein, -komende uit het noorden van het land-, het station binnen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is maandagmorgen, ik trek de deur achter mij dicht en loop door de nevelige binnenstad naar het station. Al bijna twee jaar reis ik elke veertien dagen op maandagmorgen via Utrecht naar Rotterdam. Als ik de trap afloop naar het perron, rolt mijn trein, -komende uit het noorden van het land-, het station binnen.

Altijd stap ik in Amersfoort onder aan de trap de eerste de beste wagon binnen en zoek een zitplaats in het achterste gedeelte van de trein. Die dag niet, ik loop naar voren en ik kijk naar de mensen in de trein. Voor een van de ramen zit een meisje van een jaar of twee. Het is haar grijze maillot die mij opvalt, een leuk meisje met blonde krullen. Misschien reist ze wel voor het eerst met een trein. Ze zit op zo’n plateau waar je een boek op kunt leggen of je bekertje koffie neerzet. Ik kan het, ook achteraf niet verklaren waarom ik tegen mijn gewoonte in, naar voren loop. Ik  vind een zitplaats, met mijn gezicht in de rijrichting, in de derde wagon vanaf de locomotief.

Kort daarna koerst de trein richting Utrecht. Daar aangekomen wordt de eerste wagon de laatste. Aan het bonken van de trein voel ik dat de locomotief wordt gekoppeld. Even later rijdt hij in omgekeerde richting het station uit. Door het regelmatig klinkende gedeng, gedeng doezel ik in slaap. Ik, noch mijn medereizigers beseffen dat er op dat moment twee treinen op elkaar af denderen.

Plotseling ......... een hevige schok en een oorverdovend lawaai. De trein komt met een klap tot stilstand. Mensen vallen over elkaar heen tussen tassen en koffers die uit de bagagerekken vallen. Gedreven door angst spring ik op en door de wanorde baan ik mij een weg naar het balkon. Goddank de deuren zijn open en terwijl ik naar buiten klim is daar de mist en de ijzige stilte.

Ik ren langs wat eens twee treinen waren. Ik zie verwrongen staal en in elkaar gevreten wagons. Uit het diepste van die ravage hoor ik een vrouwenstem: “ Help me, ik ben zo bang dat ik hier niet meer uit kan.” Met gebalde vuisten sta ik daar radeloos om mij heen kijkend uit onmacht te vloeken.

Een klein kind ligt aan de slootkant, roerloos in het gras. Is zij het, vraag ik mij af? De grijze maillot is voor mij de bevestiging.  Jankend en verdwaasd loop ik door en zie een verminkte man, half onderuitgezakt, tegen een transformatorhuisje liggen. Ik struikel bijna over mensen die geen mensen meer zijn. Reizigers die een bestemming hadden, maar nooit zullen aankomen.

Ik kijk naar mijzelf, naar mijn schouders en benen, leef ik nog wel? Het is zo gruwelijk, zo onwerkelijk, een slagveld in een oorlogsgebied kan geen verschrikkelijker aanblik geven.

Ik wil helpen, maar hoe kan ik dat met mijn blote handen? Machteloos en wanhopig loop ik verder, waar moet ik beginnen? Na enige tijd loop  ik weg van de plek waar de grootste treinramp uit de Nederlandse geschiedenis heeft plaatsgevonden.

Laat in de middag kom ik aan in Rotterdam. Gejuich en opluchting op de afdeling als ik mijn hoofd om de deur steek. Ik was als vermist opgegeven. Die opgewektheid kan ik op dat moment niet hebben en trap ter plekke een stoel in elkaar. Diezelfde avond smijt ik in mijn kosthuis een radio tegen de grond omdat ik de vrolijkheid van mijn huisgenoten niet kan verdragen.

Heftige reacties die tijdelijk waren, maar de beelden van toen vervagen nooit.

Het was 8 januari 1962 in Harmelen.

Enige maanden later rijd ik in de trein van Utrecht naar Amersfoort. De trein nadert Amersfoort en ik loop naar voren. Op een bepaald moment kan ik niet verder en stap over de metalen platen [harmonica-verbinding] van het ene op het andere balkon. Als ik net de laatste stap heb gemaakt zie ik plotseling de andere mensen op het balkon verschrikt in mijn richting kijken. Tevens voel ik een koude wind in mijn nek. Ik kijk achterom en zie de wagon die ik zojuist heb verlaten achterblijven, onder mij flitst de rails voorbij. De koppeling tussen de twee wagons bleek afgebroken te zijn. De remmen deden hun werk en de treinkwam tot stilstand. 

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.