Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Een boterham van Toon

Het café-restaurant in Zoetermeer in de Dorpsstraat 121 is er niet meer. Het heette “Ons Genoegen” en werd gedreven door Toon van Fraassen, die vooral de oudere Zoetermeerders zich nog goed zullen herinneren. Hij was een kleurrijke figuur en naar zijn zeggen, in heel Nederland bekend onder de naam Toon. In zijn café had hij een hele collectie prentbriefkaarten hangen, die uit alle hoeken van Europa naar hem waren gestuurd, met uitsluitend de adressering “Aan Toon, Holland”. De kaarten kwamen altijd aan beweerde hij, het bewijs hing immers aan de muur van zijn etablissement! Hoe dat werkte heeft hij nooit verklapt.

In januari 1945 was zijn zaak het doel van een moeizame voettocht van vier mannen. Een van die vier was mijn vader. Het was een zeer koude winter. In de annalen van De Bilt is die winter misschien niet als streng of koud opgetekend, maar  het westen van Nederland beleefde toen de Hongerwinter en de mensen hadden door gebrek aan alles waarmee men zich tegen de koude kon wapenen én door een slechte lichamelijke conditie weinig weerstand. Brandstoffen voor verwarming of kookdoeleinden werden niet verstrekt en gas zowel als elektriciteit waren afgesneden. Heel wat bomen in de straten waren al illegaal geveld en verder was alles wat wilde branden ook geleidelijk aan verdwenen in de kachels van de zwaarbeproefde bevolking.

De vier mannen, getekend door ondervoeding, waren boven de leeftijd waarop ze nog het risico liepen te worden opgepakt om gedwongen in de oorlogsindustrie in Duitsland te worden tewerkgesteld. Ze waren werknemers van een handel in wijn en gedistilleerd in het centrum van ‘s-Gravenhage. Veel handelsactiviteit was er toen niet, zeker niet in deze branche. De bezetter had reeds de hele productie van de onderneming “gevorderd”, blijkbaar in een poging om de onafwendbare ineenstorting van het Derde Rijk in een roes van “Schnaps” wat aanvaardbaarder te maken. Door de accijnsverantwoording waren de voorraden van dit soort bedrijven tot op de milliliter nauwkeurig bij de instanties bekend. Het was dus haast niet mogelijk, zonder de nodige inventiviteit iets aan die beslaglegging te onttrekken.

De vier gingen toch een “bestelling” afleveren bij het café van Toon. Het woord bestelling staat tussen aanhalingstekens omdat de begeleidende factuur, die het transport het karakter van een normale levering moest geven, heel andere dranken vermeldde dan er feitelijk werden bezorgd. Het was een list om bij eventuele controle door de gehate Landwacht, de door van Geelkerken opgerichte hulppolitie, te bemantelen dat het hier om een in hun ogen waarschijnlijk dubieus transport ging. Deze landverradersbende, bestaande uit Nederlandse handlangers van de bezetter, voornamelijk NSB’ers, beschouwde vervoer van zowat alles als een economisch delict en waren gauw met inbeslagnemen. Ze ontzagen zich niet om uitgeteerde stumpers, die op een hongertocht soms dierbare sieraden hadden geruild tegen wat tarwe of peulvruchten, hun dat, wat ze zo moeizaam hadden verworven, af te nemen onder het voorwendsel dat het in strijd met de voorschriften was, die een eerlijke verdeling van de voedselvoorraden moesten garanderen. Misschien waren die voorschriften wel zo, want de overheid van toen werd gevormd door een groep lieden aan wie het bestuur van een klaverjasclub niet zonder enige bezorgdheid kon worden toevertrouwd.

Het vervoer geschiedde met een bakkerskar, het enige vervoermiddel dat nog beschikbaar was. Het was zo’n ouderwetse kar met een klapdeksel en houten wielen waar metalen hoepels omheen zaten. Twee man duwden en twee man trokken. Het was in die tijd niet ongebruikelijk als de wegen moeilijk begaanbaar waren en het wekte dus geen argwaan dat er vier man met zo´n wagen meeliepen. Dat was tevens voor de veiligheid, want het gebeurde wel dat een bakkerskar geplunderd werd door het door honger tot wanhoop gedreven volk. Al werd er geen brood vervoerd, een overval door een troep hongerige mensen was allerminst waarop ze zaten te wachten.  

De vervoerde handelswaar, in werkelijkheid bestaande uit jonge en oude jenever, brandewijn en bessenjenever was met vernuft en grote vindingrijkheid  aan de roofzucht van de Duitse bezetter onttrokken. Het zat in wijnflessen die volgens de etikettering en de factuur vruchtenwijn van Nederlands fabricaat bevatten.  Slechts aan de kleur van de capsules was de werkelijke inhoud door ingewijden te herkennen. De Duitsers hadden voor de vruchtenwijn geen belangstelling, omdat ze in hun eigen land betere wijn verbouwden. Ik zou dat toen nooit hebben beaamd, maar nu na ruim vijfenzestig jaar ben ik - wel wat schoorvoetend - bereid dit als juist te erkennen.

Aldus gecamoufleerd en elke fles zorgvuldig in een strohuls gestoken en op een dikke laag stro in de bakkerskar gelegd, gingen de vier mannen op pad, lopend vanaf het centrum van ‘s-Gravenhage naar de Dorpsstraat in Zoetermeer. Ze kwamen zonder moeilijkheden aan en werden door Toon warm en hartelijk onthaald. Er werd voor hen een stevige maaltijd klaargemaakt, zoals ze in maanden niet hadden gehad en ze konden eten zoveel ze wilden. Een ongekende weelde.   (Foto links: Gemeentearchief Zoetermeer)

Voor wie die tijd niet heeft meegemaakt of de gelukkige die niet weet wat honger is moet opgemerkt worden, dat er verschil bestaat tussen honger en eetlust. Het laatste gevoel wordt in de maag waargenomen, maar het eerste beheerst ononderbroken de geest. Al het denken is gericht op de wil om te eten. In die toestand komt men er merkwaardig genoeg steeds toe herinneringen op te halen aan eens genoten maaltijden, waarin overvloed en smakelijkheid de boventoon voeren. Het lijkt wat op zelfkwelling en psychologen zullen er vast wel een plausibele verklaring voor hebben.

Na het lossen van de vracht werd de “betaling” ingeladen, aardappelen en wat boter. Daar overheen werden lege flessen in strohulzen gelegd, zodat het een “normaal” transport van ledige emballage leek, als er in die tijd althans nog iets normaal was en werd de terugtocht aanvaard. Ze kregen elk nog een pak boterhammen mee voor onderweg, dik met boter besmeerd en rijkelijk met worst belegd.

Ook de terugtocht verliep zonder incidenten, maar het was vermoeiend en zwaar. En enige haast was wel geboden, want ze moesten namelijk voor de avondklok van acht uur binnen zijn. De kostbare “betaling” werd verdeeld. Mijn vader kwam thuis, doodmoe, maar met een flink pak boter en een zak aardappelen.  Hij stond glunderend met zijn kostbare buit in de deuropening. Wat hij meebracht gold als een geschenk uit de hemel. Hij had vijf zonen, maar van die vijf waren er drie niet thuis. Twee waren in Duitsland en een was ondergedoken. Mijn moeder, mijn broer en ik kregen uitvoerig te horen hoe lekker hij had gegeten in het restaurant van Toon, want ook bij mijn vader kwam dat merkwaardige verschijnsel voor. (Foto links: Toon van Fraassen; Collectie Historisch Genootschap Oud Soetermeer)

Maar hij bracht nog een verrassing mee wat een flinke pleister op de wonde betekende, want bij zulke verhalen kwam het water je in de mond. Hij had de boterhammen voor onderweg en ook zijn middagboterham die hij van huis had meegenomen niet opgegeten maar voor ons bewaard. Met een traan van vreugde in zijn ogen deelde hij zijn brood uit. Het van regeringsbloem gebakken gorig ogende en nauwelijks gerezen brood stak schril af tegen de ferme boerenmik van Toon. Hij keek er met welgevallen naar hoe wij in het brood hapten en je zag hem met zijn mond dezelfde beweging maken, alsof hij ook meeat. Ik heb dat moment erg intens beleefd want het was een gebaar, waarvan ik de waarde nu nog nauwelijks onder woorden kan brengen. Vaak hoorde je van het Zweedse wittebrood zeggen dat het als cake smaakte. Die boterham van Toon moet dan wel ambrozijn geweest zijn. Ik kan me niet herinneren ooit iets gegeten te hebben wat beter smaakte.

Ons gezin heeft het allemaal overleefd. Ook dankzij Toon en de list met de vruchtenwijn. Als ik nu nog eens door de Dorpsstraat loop denk ik telkens weer terug aan die dag in januari 1945 en aan mijn vader met zijn voor die tijd zo genereuze gebaar.  Zoetermeer leek me toen het paradijs. Ik ben er nu wel wat genuanceerder over gaan denken, maar “Toon, Holland” is voor mij nog altijd een voldoende adressering!

Reacties

  1. anoniem

    dit is mijn opa

    25 april 2016

  2. Redactie

    Wat leuk, kende je deze verhalen ook al?

    28 april 2016

  3. anoniem

    Mijn moeder van 91 heeft tijdens de oorlogsjaren bij Fraassen gewerkt. Haar naam is Mien Gouweleeuw. Mijn moeder zit nog steeds vol verhalen over Toon Fraassen. Het bovenstaande verhaal heb ik voor haar gekopieerd. Dank, Wil Heggelman

    15 november 2017

  4. Redactie

    @Wil Heggelman Wat bijzonder! Heel erg leuk dat de verhalen zo verder verspreid worden, daar doen we het voor!

    17 november 2017

  5. anoniem

    Heel mooi verhaal, er was wel bekend dat Toon heel goed was voor de mensen in de oorlog maar ik herinner mij hem meer als een clown. Niet onaardig bedoeld maar hij had fratsen en had dus ook Toon fratsen genoemd kunnen worden.

    26 november 2018

  6. Redactie

    Een clown als in een grappenmaker? Ook u dank voor het delen.

    28 november 2018

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.