Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

De RTM en de Zuid-Hollandse eilanden

Echte eilanders kunnen het niet nalaten om ook te denken aan de buurtspoorwegen die er vooral ook op de Zuid – Hollandse eilanden te vinden waren. Deze werden alle geëxploiteerd door de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij, die sinds 1878 tramlijnen in exploitatie had. Eerst als RETM met als zwaartepunt de stoomtramlijn Rotterdam – Schiedam. Maar sinds ongeveer 1898 begon men het zwaartepunt van de activiteiten te verleggen naar de Zuid – Hollandsche en Zeeuwse eilanden. Men deed dit met ten eerste een tramlijn vanaf de Rosestraat in Rotterdam naar de Hoeksche Waard, waar Numansdorp – Haven het eindpunt was. Met een aansluitende stoomveerboot kon men dan verder reizen naar Schouwen – Duiveland, Flakkee en Willemstad.

Voor de verbindingen naar Goeree – Overflakkee was de tramlijn van Rotterdam – Spijkenisse Station – Hellevoetsluis van zeer groot belang. Er was voor de bewoners van het eiland Goeree – Overflakkee in het begin van de 20ste eeuw geen andere mogelijkheid om in Rotterdam te komen dan de tram – boot – tramverbinding. In Hellevoetsluis lag de veerboot naar Middelharnis – Haven, waar ook weer een tram of later ook een bus klaarstond voor verder vervoer naar Ooltgensplaat of Ouddorp. Zoals u kunt begrijpen, was het materieel er ook op ingesteld, dat dit een belangrijke verbinding was. 

Zullen we de boot halen of niet….  Dat was ook dikwijls de grote vraag, want in het laatste van de periode dat de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij ook een echte tramwegmaatschappij was, moest die vraag ook heel dikwijls gesteld worden, omdat de tram destijds lang niet altijd stipt op tijd zijn diensten aan de mensen verleende. Dit kon allerlei oorzaken hebben, zoals daar zijn: een auto op de trambaan, een aanrijding met een auto, drukte in de stad Rotterdam, te laat vertrekken vanaf de Rosestraat, waardoor de tram ook de voorrang verloor bij de overwegen van de grote broer, NS. Vandaar gingen de trams  van de RTM richting het voor de RTM zeer belangrijke station Spijkenisse. Daar werden de trams ook gecombineerd c.q. gesplitst, want men kende bij deze maatschappij ook het systeem van gedeelde trambestemmingen. De vroegste trams richting Spijkenisse (Hellevoetsluis – Goeree – Overflakkee) vertrokken al om 04.41 uur uit Rotterdam. Voor de PTT waren deze trams van uitnemend groot belang, omdat ze de post voor de eilanden meenamen. Er was dan ook een zogenaamde postconducteur in de tram aanwezig, die voor het verdelen van de postzakken verantwoordelijk was. (Foto links: De M 1806 Bergeend bij Hellevoetsluis)

In Spijkenisse was het voor de reizigers mogelijk om met een bus naar Hekelingen of later ook naar de Botlek te gaan. Van het woord bus moest men zich in de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, zoals u wel zult begrijpen, niet te bijster veel voorstellen. Zo is bijvoorbeeld bekend, dat op de lijn naar Hekelingen in die tijd een bus reed. Jazeker, hij reed, maar u moet niet vragen hoe het comfort was. Wat dat betreft zijn wij stukken beter af met onze gelede bussen en dat soort zaken, want er reed namelijk een oude, afgedankte, verbouwde Engelse Austin – legerbrandweerwagen. Naar het destijds in Engeland geldende gebruik was deze wagen in de Tweede Wereldoorlog als brandweerauto voorzien  van een bel. Vandaar ook de bijnaam Bellenwagen.

(Foto links: De Haringvliet op de dienst Middelharnis Haven-Hellevoetsluis)

Vanuit Spijkenisse kon men met de tram ook naar Oostvoorne. In deze badplaats kwam men natuurlijk eerst aan op het station, maar later is men er bij de RTM toe overgegaan om de tramlijn door te trekken naar het strand. Voor de mensen  naar en van Goeree – Overflakkee was de lijn Spijkenisse – Hellevoetsluis natuurlijk van veel groter gewicht. Immers het was de aan – en afvoerlijn van het eiland richting de "overkant." De trams naar en van Goeree – Overflakkee waren daarom dan ook bijna allemaal sneltrams. Want ja, de kapitein van de boot naar Middelharnis stond op zijn passagiers te wachten. In Hellevoetsluis kwam het trammetje aan op het in de jaren ’80 afgebroken tramstation.  

Als u dan op de boot zat, moet u weten, dat de verbinding in het begin van de 20ste eeuw natuurlijk onderhouden werd door stoomschepen. Twee op ons eiland Goeree – Overflakkee daarvan bekende namen zijn: "Stad Zierikzee" en "Minister Ph.W. van der Sleijden." Soms werd er door een invalboot gevaren. Dat gebeurde bij voorkeur als de normale pont naar de scheepswerf was voor een onderhoudsbeurt, iets wat één keer in het jaar voorkwam. Misschien zal dat bij de stoomschepen meerdere keren in het jaar geweest zijn, maar dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. U merkt wel: langzaam maar zeker ben ik ook voor wat de buurtspoorwegen op ons eiland betreft in de tweede helft van de 20ste eeuw aangeland. Want bij de motorveerboot die in 1957 in dienst kwam, was dat zo, als het om onderhoudsbeurten ging. Er was dus heel wat nieuws onder de zon. Want totnogtoe had men alleen maar met stoomschepen gevaren. In de jaren ’50 kwam men tot het besef, dat een versnelling in het openbaar vervoer op ons eiland van levensbelang was. De particuliere auto rukte sinds de jaren '20 ook op onze eilanden steeds verder op.

Die versnelling bracht ook modernisering met zich mee. Was men in 1909 zo verstandig geweest om een tramlijn vanaf de (veer)haven van Middelharnis aan te leggen in zowel de richting Ouddorp als de richting Ooltgensplaat, nu was men in 1956 zo verstandig om deze tramlijnen te verbussen.Houd in gedachte, dat de brug en de sluizen over het Haringvliet er bij lange na nog niet waren. Denk er ook aan en dat naar de Rosestraat te Rotterdam met een tram – stoomboot – tram – verbinding al snel 3 ½ uur onderweg was. Daarom wilde men van de stoomtractie af. Maar niet alleen uit het oogpunt van reistijdreductie was dat noodzakelijk, ook uit  het  oogpunt van de financiële zaken was dat nodig. Want stoomboten, hoe mooi ze ook mochten zijn, waren op geldelijk gebied niet erg efficiënt te noemen, omdat de nieuwe techniek, dieseltechniek veel goedkoper was.

Maar aan alles komt een begin, maar ook een eind. En zo ook aan de tramexploitatie. Dat was ook een logisch gevolg van het drama dat zich in de nacht van 31 januari 1953 op 1 februari 1953 had afgespeeld. Dit omdat bijna alles wat met de trambaan op Schouwen- Duiveland te maken had, verloren was gegaan. Toch heeft de tram nog op een afgesloten baantje in de veerhaven van Zijpe het tot 1974 weten vol te houden, al vervoerde hij daar alleen maar wagens met steenkool naar de tot 1974 nog varende stoomkopladingsveerponten op het beruchtste pontveer van Nederland, dat van Zijpe – Anna - Jacobapolder. Dit veer werd namelijk bij zeer dichte mist direct uit de vaart genomen, omdat het op de zeer druk bevaren scheepsroute van Rotterdam naar Antwerpen ligt. Maar dat terzijde.

 In 1953 gingen er dus bussen rijden tot Zijpe, want daar lag de veerpont naar Numansdorp  - Haven. De vaste boot op deze verbinding was de "Minister C. Lely". Deze boot heeft daar tot 1965, het jaar van de opheffing van deze verbinding gevaren. In september 1956 brak er voor de RTM een rampzalige woensdag aan. De tram naar Numansdorp – Haven was op één van de laatste woensdagen van september op de gewone tijd van, naar ik meen 09.23 uur, vanaf station Rotterdam  Rosestraat vertrokken. Men wilde op tijd aankomen in Numansdorp – Haven, waar niet alleen de boot naar Zijpe, maar ook die naar Willemstad lag te wachten.

Die bedoeling had de machinist van de stoomloc van de RTM wel, maar er kwam toen men op de Dordtsestraatweg in Rotterdam reed, niet veel meer van terecht, doordat de tram ontspoorde. Dit alles was, zoals u zult begrijpen, geen reclame voor openbaar vervoer met (stoom)tramexploitatie. Het heeft uiteindelijk ook het einde van de tramlijn naar de Hoeksche Waard ingeluid, zeker toen men er na onderzoek van de Rotterdamse recherche achterkwam, dat het ongeluk veroorzaakt was door slecht baanonderhoud. Vrijwel onmiddellijk werd er overgegaan op busexploitatie, hoewel dat niet voor de hele tramlijn naar Numansdorp – Haven direct is gaan gelden. Want tot ongeveer begin 1957 werd het trajectgedeelte Blaaksedijk – Numansdorp – Haven nog door een tramstel bereden. De reden hiervoor was waarschijnlijk een tekort aan bussen of buschauffeurs.

In de jaren ’50 ontwikkelde het (auto)verkeer zich in een razendsnel tempo. Steeds minder en minder gingen de verkeersdeelnemers in het algemeen en de automobilisten in het bijzonder rekening houden met de mogelijkheid van een eilandentrammetje, dat wel eens in het verkeer voor zou kunnen komen. Het aantal aanrijdingen en andere minder leuke zaken liepen gestaag op. Dat hierbij ook wel eens doden vielen, was natuurlijk niet te voorkomen, net zoals het daardoor ook onvermijdelijk was, dat het RTM – trammetje een lugubere bijnaam kreeg in Rotterdam: DE MOORDENAAR.

Het voorgaande leidde ertoe, dat er in het beleid van de gemeente Rotterdam over de RTM een voor het trammetje niet zo positieve houding kwam. Dit omdat men in het gemeentebestuur van Rotterdam de stad een wat moderner aanzien wilde gaan geven. Hier paste een eilandentrammetje niet meer in. Vandaar ook dat zo half de jaren ’60 de tramexploitatie op de lijn Rotterdam – Spijkenisse – Oostvoorne –(Hellevoetsluis) werd gestaakt. Ondanks het voorgaande werd er in 1963 nog nieuw materieel in dienst gesteld. Dat was en is het ook nu nog in Ouddorp actief zijnde Sperwer – stel. Dit stel  is afkomstig van een tramlijn van de DB en komt zo te zien uit Hellevoetsluis met passagiers uit onder andere Goeree–Overflakkee.

Het tramstel is na de definitieve stopzetting van de tramexploitatie op 14 februari 1966 buiten dienst gesteld en ter verkoop aangeboden. De koper kwam naar later bleek uit Oostenrijk en het bleek te gaan om de Zillertalbahn, die een tramlijn exploiteert van Jenbach naar Mayrhofen in het Zillertal. Op genoemde lijn in Oostenrijk heeft dit tramstel, wat bij de RTM de dierennaam Sperwer droeg, nog jaren rondgereden, wat ik ook met eigen ogen heb kunnen waarnemen tijdens een vakantie in Sankt Johann in Tirol in 1998.

Daar het nu voor de RTM gedaan was met de tramexploitatie, zet ik een punt achter dit deel van het verhaal. De RTM heeft na 1966 tot en met 23 juni 1978 nog een twaalftal jaren lang tot ieders tevredenheid het openbaar vervoer op onze eilanden kunnen en mogen verzorgen. In 1978 is de RTM samen met nog een aantal andere OV – organisaties gefuseerd tot Zuid West Nederland. (Foto: Deze bus, RTM 38, heet "de Wasbeer" en is in beheer bij de Stichting Veteraan Autobussen)

 

Reacties

  1. Jan van Leeuwen

    "Eerst als RETM" in de kop van dit artikel is onjuist. De stoomtram naar Schiedam werd door de RTM geëxploiteerd evenals de paardentramlijnen in Rotterdam. De RETM verscheen pas in 1904 met de elektrische tram ten tonele.

    27 juni 2013

  2. Redactie

    @Jan van Leeuwen, dat klopt inderdaad. Toen de RTM zich niet langer op het stadsvervoer (per paardentram) ging richten maar op het vervoer naar buiten (o.a. Schiedam en later de eilanden), werd het vervoer in de stad opgepakt door de RETM, de voorloper van de RET.

    01 juli 2013

  3. anoniem

    De huidige RTM bezit 3 bussen in dienst waarvan de RTM 107 genaamd grasklokje en de van Oeveren 40 rij vaardig zijn en worden voor door de RTM georganiseerde dagtochten worden ingezet. De derde een z.g. pontbus staat opgeslagen in afwachting van de restauratie.

    19 mei 2018

  4. Redactie

    Dank voor de aanvulling. Tip: op de website van het museum RTM Ouddorp is informatie te vinden over dagtochten etc. (Een aanrader!)

    22 mei 2018

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.