Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Arend Dirksz. Vos: ketter, beeldenstormer en martelaar uit De Lier

Op 30 mei 1570 klom een grijsaard van 70 jaar oud de trappen op naar het schavot aan het Groene Zoodje, de executieplaats van de Gevangenpoort in Den Haag. De predikant Arend Dirksz. Vos uit De Lier had diezelfde ochtend te horen gekregen dat hij geëxecuteerd zou worden samen met drie andere voormalige priesters: Sybrand Jansz.,Wouter Symonsz. en Adriaen Jansz. van Berckou. Hun openbare terechtstelling bracht een grote menigte aan belangstellenden op de been.

Direct na hun executie ontstond er een stroom aan vlugschriften, waarin ooggetuigen hun verontwaardiging en verdriet uitten over de executie. Al snel vonden deze vlugschriften samen met verhalen, brieven, liedjes en juridische documenten hun weg naar martelaarsgeschiedenissen zoals de Historie der Martelaren van Adriaen van Haemstede. De vier pastors werden binnen calvinistische kringen bezongen als martelaren die voor hun geloof waren gestorven. Drie honderd jaar later worden deze geschriften gebruikt bij het schrijven van een biografie van deze vier predikanten. Aan de hand literatuur onderzoek met behulp van de biografieën van R.B. Janssonius en W.H. Houël over de vier pastors probeer ik te achterhalen wat de beweegredenen waren van Arend Dirksz. Vos om deel te nemen aan de beeldenstorm van 1566.

Ketter

‘Dat ik het beeld onteerd of schandelijk behandeld heb betuigde ik, dat al de wonderen, die men aan de afgod toeschrijft, zoals ik honderd malen gepredikt heb, niets dan duivelse kunsten waren’.[1] ‘Duivelskunsten’ noemde Arend Dirksz. Vos de rituelen van de rooms-katholieke kerk en de beelden die de katholieken aanbaden, afgoden. In de jaren 60 van de 16de eeuw waren dit gevaarlijke gedachten om te hebben, laat staan deze vanaf de kansel te verkondigen. De kritiek die de predikant had op de rituelen binnen de rooms-katholieke kerk waren echter niet nieuw. De boekdrukkunst hadden de ideeën van hervormers en kritiekpunten op de rooms-katholieke kerk in een razendsnel tempo over de Nederlanden verspreid.[2]

 

Een van de discussiepunten van de hervormers was de aanwezigheid en de verering van heiligenbeelden in de kerk. Sommige christenen stonden negatief tegenover de verering van heiligenbeelden.  Dit had te maken met het tweede van het tiende oudtestamentische verbod om afgodsbeelden te maken: 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte [...]. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen." Deze verering van heiligen was ook voor Arend Dirksz. Vos een doorn in het oog. Elk jaar op de sterfdag van Sint Joris werd zijn beeld in processie van de kerk in De Lier naar Delft gedragen. Sint Joris is een van de heiligen waarvan wordt aangenomen dat hij nooit echt heeft geleefd. Wellicht heeft Vos dit feit aangegrepen bij zijn weigering om op 23 april 1552 de processie naar Delft doorgang te laten vinden. Direct na dit incident werd er vanuit de parochie in De Lier een aanklacht wegens ketterij tegen hem ingediend bij de pauselijke inquisitie.

 

De inquisiteur Franciscus Sonnius, later bisschop van Den Bosch, bracht op 15 april 1553 een bezoek aan De Lier om een goed gesprek te hebben met de priester over zijn weigering. De daaropvolgende zondag verkondigde Arend Dirksz. Vos vanaf de kansel dat het gesprek met de bisschop hem ‘de lust om op de ingeslagen weg voort te gaan zeer hadden getemperd’[3] en verwierp hij openlijk de leerstellingen van het nieuwe geloof. De eerstvolgende feestdag werd weer volgens de rooms-katholieke rituelen gevierd.

 

Niet lang na zijn gesprek met de inquisiteur vertrok Arend Dirksz. Vos met zijn vrouw Belie naar Wezel. De grootste stad van het hertogdom Kleef stond sinds de invoering van de ketterplakkaten door Karel V bekend als een veilige haven voor gereformeerde vluchtelingen. Uitgetreden priesters konden hier onder leiding van een ervaren stadspredikant een bijbelstudie volgen.[4] Arend Dirksz Vos kwam in deze periode zijn jeugdvriend en kapelaan Herman Stein tegen, die een grote invloed op hem uitoefende. Hij besloot om predikant te blijven in zijn eigen kerk in De Lier en om zijn parochianen te onderwijzen in de nieuwe leer. Hoe lang hij voor zijn bijbelstudie in Wezel was gebleven werd uit de bronnen niet duidelijk. Op 24 augustus 1565 vinden we Arend Dirksz. Vos weer terug op de kansel van zijn eigen kerk in De Lier. Vanaf dat moment zou hij de mis voordragen in de volkstaal in plaats van het gangbare Latijn en werden de doop, het huwelijk en de begrafenis begeleid met Nederduitse psalmen.[5]

 

Beeldenstormer

‘De Spaensche Inquisitie, voor Godt malitie,
De Spaensche Inquisitie, als Draecx bloet fel:
De Spaensche Inquisitie, ghevoelt punitie,
De Spaensche Inquisitie, ontvalt haer spel’.[6]

Arend Dirksz. Vos uitte in het geuzenlied Slaet op den Trommele stevige kritiek op de Spaanse inquisitie. De inquisitie was een rechtbank die belast was met het opsporen van, het onderzoek doen naar en de veroordeling van ketters. Naast een pauselijke inquisitie, zoals de Hollandse inquisiteur Wilhelmus Lindanus, was er ook een inquisitie ingesteld door de Spaanse koning Filips II. Vanwege haar geheimzinnigheid, afschrikwekkende ketterverbrandingen en anti-katholieke propaganda kreeg de Spaanse inquisitie al snel een slechte naam.[7]

 

De opmerkingen over de boosaardigheid van de inquisitie in het lied van Arend Dirksz. Vos doet vermoeden dat het lied na 5 april 1566 is geschreven. Op die dag kwamen tweehonderd edelen in Brussel bijeen om aan de landvoogdes Margaretha van Parma een verzoekschrift te overhandigen. In dit verzoekschrift, dat later de naam Smeekschrift zou krijgen, riepen de edelen op tot het schorsen van de ketterplakkaten. Ook wilden zij dat de Staten Generaal bijeen geroepen werd om een nieuwe regeling te treffen rondom de godsdienstkwestie.

 

De edelen uitten hun bezorgdheid over de inquisitie. Volgens hen vormde de inquisitie een bedreiging voor de vrijheden en voorrechten van de adel en de steden in de Nederlanden. Uit angst voor represailles van de Spaanse koning Filips II benadrukten de edelen dat hun aanklacht alleen was gericht tegen de inquisitie en niet tegen de koning en de Kerk. In afwachting van het antwoord van Filips II op het smeekschrift besloot de landvoogdes over te gaan tot een versoepeling van de ketterplakkaten.[8] Hierop besloten veel godsdienstige vluchtelingen vanuit het buitenland terug te keren naar de Nederlanden. Tot grote bezorgdheid van de landvoogdes groeide in deze periode de belangstelling voor de hagenpreken. Op 3 juli besloot zij een verbod uit te vaardigen op de uitoefening van deze godsdienstige preken in de buitenlucht. Het verbod had geen enkel effect op de toenemende populariteit van de hagenpreken, maar had wel tot gevolg dat er steeds meer mensen gewapend naar de bijeenkomsten kwamen.

 

In de zomer van 1566 heerste er in de Nederlanden een koortsachtige sfeer waardoor het een kwestie van tijd leek voordat de frustraties onder het volk uit zouden monden in een golf van geweld.[9] Arend Dirksz. Vos besloot op 24 augustus  zijn eigen frustraties te botvieren op het ruiterbeeld van de heilige Sint Joris. Deze beeldenstorm zorgde voor een grote toeloop aan mensen in het kleine kerkje van De Lier. Tot verbazing van veel parochianen en tot vermaak van anderen haalde hij eigenhandig met een hamer en een beitel het ruiterbeeld neer. Hij vroeg aan de kerkmeesters of zij het zilveren harnas van het beeld in bewaring wilden nemen, zij weigerden dit. De predikant besloot hierop het harnas als een vogelverschrikker te gebruiken in zijn tuin. Zijn vrouw merkte op dat ‘die Joris wel een god mag wezen [maar] hij kan zelfs de mussen niet wegjagen’.[10] 

 

Waarom was Arend Dirksz Vos er zo gebrand op om het ruiterbeeld van Sint Joris neer te halen in zijn eigen kerk? Veel van zijn parochianen geloofden dat heilige beelden bepaalde krachten bezaten. Wellicht wilde hij op deze manier aantonen dat het beeld door mensenhanden was gemaakt en geen krachten had. [11] Wederom regenden het klachten over de reformatorische neigingen van Arend Dirksz. Vos bij de rechtbank in Den Haag. De heer Jan, kapelaan in De Lier, deed per brief zijn beklag dat hij de rooms-katholieke mis alleen mocht vieren in de zijkapel waar voorheen het beeld van de Sint Joris had gestaan. Het Hof van Holland schreef hierop als antwoord een brief aan Arend Dirksz. Vos waarin hij werd bevolen om het kerstfeest volgens rooms-katholiek gebruik te vieren. Hij weigerde dit niet alleen, hij verbood heer Jan de viering van de rooms-katholieke mis.

 

Op 10 januari 1567 moest de predikant in Den Haag zijn daden verantwoorden bij het Hof van Holland. Van Jan van Lezanen, raadsheer aan het Hof van Holland, kreeg hij een laatste waarschuwing om de diensten volgens het rooms-katholieke gebruik te vieren. Hierop antwoordde hij dat: ‘aan de last hem gegeven niet te zullen voldoen, maar op zijn weg te zullen voortgaan’.[12] Na de weigering van Arend Dirksz. Vos werd de heer Hubert naar De Lier gestuurd om de missen volgens het oude gebruik te leidden. Tijdens het paasfeest van 1567 was Arend Dirksz. Vos te vinden in ‘Het Geuzenhuis’ in Delft, een preekschuur buiten de Waterslootsepoort, waar hij een mis bijwoonde van de voormalig priester uit Scheveningen , Albert van der Houff. Op hetzelfde moment verzorgde heer Hubert een rooms-katholieke mis in de kerk van De Lier.[13]

 

Martelaar

 

In de Nederlanden wachtte men angstvallig op de reactie van de Spaanse koning Filips II op de beeldenstorm. De koning stuurde zijn generaal Fernando Álvares de Toledo met een leger van 10.000 man naar de Nederlanden, waar hij op 22 augustus 1567 aankwam in Brussel. Het gerucht dat hij de Nederlanders met harde hand terug in het gareel kwam brengen was hem vooruit gesneld. Velen wachtten de komst van de IJzeren hertog niet af en vluchtten weg uit de Nederlanden. Arend Dirksz. Vos besloot om in zijn kerk in De Lier te blijven prediken en bezegelde zo zijn lot. Direct na de aankomst van Alva in de Nederlanden richtte de hertog een nieuwe rechtbank op. Deze rechtbank kreeg bij het volk als snel de naam ‘Bloedraad’.

 

De Raad van Beroerten had als doel om diegene te straffen die in 1566 aan de onlusten hadden meegedaan en had als bevoegdheid katholieken die afweken van de politieke lijn van Filips II te straffen. De rechtbank mocht alleen een advies over de verdachten uitbrengen, want Alva nam in hoogst eigen persoon een beslissing over het vonnis van de verdachten. Het lied over de Spaanse inquisitie, de beeldenstorm in de kerk van De Lier en de klachten van parochianen over Arend Dirksz. Vos konden niet onopgemerkt blijven bij deze rechtbank. In april 1568 werd hij gevangen genomen en meegenomen naar de Gevangenpoort in Den Haag. Hier in de gevangenis begon het lange wachten op zijn proces en zijn executie wegens ketterij op 30 mei 1570.[14]

 

Noten
[1] W.H.Houël, Vier martelaars te ’s-Gravenhage gedood, den 30 mei 1570. Na drie eeuwen in herinnering gebragt (Dordrecht 1870) 30.

[2] E. de Bruijn, ‘Nieuwe ideeën’in: E. de Bruijn (red.) Volk in verwarring. Reformatie in Nederlandse steden en dorpen (Apeldoorn 2017)15.

[3] R.B.Janssonius, ’De marteldood der vier pastoren 30 mei 1570 te ’s Gravenhage’in: Voor driehonderd jaren. Volksbladen ter herinnering aan de schoonste bladzijden uit onze geschiedenis (Harderwijk 1870) 21-22.

[4] E. de Bruijn, ‘Nieuwe ideeën’, 9-10.

[5] I.Schipper. ‘Vluchtelingen’ in: E. de Bruijn (red.) Volk in verwarring (Apeldoorn 2017)100; H. Noordzij, Handboek van de Reformatie. De Nederlandse kerkhervorming in de 163 en 17e eeuw (Utrecht 2012) 55; F. van Lieburg,’Pastoors en predikanten’ in: E. de Bruijn (red.) Volk in verwarring (Apeldoorn 2017) 192;W.H. Houël, Vier pastoors, 11,30.

[6] P. Claes, Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig liederen (Amsterdam 2008) 101.

[7]A.Duke, Reformation and revolt in the Low Countries (Londen 2003)131

[8] J.I.Israel, De Republiek, 1477-1806 (Franeker 2001) 155-158.

[9] J.J.Woltjer, Op weg naar tachtig jaar oorlog. Het verhaal van de eeuw waarin ons land ontstond (Amsterdam 2011)367,369; A. Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland, 1555-1702 (Amsterdam 2013) 52

[10] W.H.Houël, Vier martelaars,13-14.

[11] A.Nobel, ’Beeldenstorm’ in: E. de Bruijn (red.) Volk in verwarring (Apeldoorn 2017) 66-71; A. van Bruaene ‘e.a.’, ‘Beeldenstorm in the sixteenth century Low Countries’in: Low Countries Historical Review. 131-1 (2016) 7-12.

[12] W.H.Houël, Vier martelaars,11-16.

[13] R.B.Janssonius, De marteldood, 24.

[14] J.J.Woltjer, Op weg, 388-389.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.