Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website gebruikt cookies om filmpjes van YouTube te tonen en social mediaknoppen van Facebook, Twitter en Pinterest (third party cookies). Als je deze cookies niet wil, dan kun je dat hier aangeven. De betreffende functionaliteit wordt dan uitgeschakeld. Wij plaatsen zelf wel altijd functionele cookies voor de werking van onze website en (anonieme) analytische cookies om onze site te verbeteren.

Ontdek de verhalen van Zuid-Holland

Brand op Fort Wierickerschans (1776)

In de nacht van 26 op 27 januari 1776 brak er brand uit op Fort Wierickerschans. Een levensgevaarlijke situatie, omdat er op het fort buskruit was opgeslagen. Op het fort was een 'detachement invalides' gelegerd, soldaten met een lichamelijke beperking die niet geschikt waren voor actieve dienst. De situatie liep compleet uit de hand en pas nadat de lokale bevolking te hulp schoot kon de brand geblust worden. In een brief die zich nu in het Nationaal Archief bevindt, beschrijft commandant Regis wat er nu precies gebeurde die in die winternacht. Het is een ietwat chaotisch verhaal en ook door de taal niet altijd even gemakkelijk te begrijpen, maar de strekking is duidelijk. Cruciale gedeeltes zijn onderstreept. Hier volgt de transcriptie:

Ter ordonnantie van de gecommiteerden raeden, (getekendt) A.J. Royer

Edele, mogende Heeren,

Alsoo in de Nagt tusschen den 26e en 27e laestleden maand met een stijfen Noordoosten wind in Blok H., no 6bij een invalide corporael, met naemen Jan Bischop brand is ontstaen wiens vrouw was overleden en Rooms zijnde, bij ’t lijk ’t welk op stroo in de bedsteede lag een kaers op de bedstee plankaan het voeten eijnd onder de schoijese (?) trap had geset brandende en doen in de wagt is gegaan, soo is den ondergetekende (?) verpligt aan U.E. Mog. Kennis te geeven als dat den ondergetekende (?) tusschen 12 en half 1 uuren van de schildwagt eerst is opgeschelt, waaruijt blijkt dat er van 10 uuren af geen schildwagt tot over 12 uuren is geweest om daer op te passen,

want anders is ’t wel te begrijpen dat de vlam in soo een oogenblik van onder en boven, niet algemeen had kunnen sijn, hebbe bij ’t oopenen van mijn huijsdeur gesien datde pannen reets van ’t dak afvloogen, ’t welk een eysselijk gekraak maekte, en geen deur of venster meer zijnden, de vlam van onder en boven uit het dak reets algemeen wasen de vonken en stukken van pannen op den noordoosten hoek ten noorden langs het kruitmagazijn tot bij de schildwagt agter het zelve in meenigte zijn gevolgen, hebbende de eerste, water of aenvoerpomp niet aen de gang kunnen krijgen, soo dat wij het water met de emmer in de perspomp hebben moeten dragen, ’t welk tot het laeste toe mocht werden gecontinueerd

endoor dien er 18 van de beste manschappen invalides met verloff weg zijn, en maer in ’t geheel 20 man met de onderofficieren present zijn, waer van een gedeelte dooft, het andere blind, het 3de kreupel het grootste gedeelte oud zwak en afgeleeft zijn, de 2e spuijt sonder volk niet konde gebruijken, ook waeren sij ten eersten kragteloos en afgemat, ook in ’t geheel niet in staat, om een brand leer of brandhaak over eijnd te krijgen dus soude het seer bedroefd hebben kunnen afloopen, als mij niet om 2 uuren alle de buijtenlieden met haar zoons en knegs en de bodegravers die de brandklok ook hebben laeten luijden, waren te hulp gekomen, met emmers en haeken (?) voordien soo wel den schout ambagtbewaerders, de 6 brandmeesters, geregtsbode, en alle die tot de brand behoorden met nog veele andere, waer door doen brandladders en haecken alsook de 2e spuijt gebruijkt konde werden.

Die egter door het stark vrieden (?) buijten gebruijk raakte, alsoo de linne Mamiering en slangen als pompen vol ijs wierden moetende wij ons toen (?) voorts met de emmers helpen waerop men de brand eijndelijk tegen 4 uuren meester wierd, zijnde alle de buijtenlieden eerst om half 6 en 6 uuren weder heengegaan en vermits de smeulende gloed geduurig weer vlam opgafs soo heb ik door 8 buijten lieden alle de brandstoffen laten buijten werken, en soo lang met waater laaten begieten totdat alles uijt was, zijnde de eene barak geheel uitgebrand, van de agter barak is zeer weinig van ’t dak over, dog van binnen nog niet beschadigt,

de anderen 3 naest aen zijn aent ’t dak eenigsints beschaadigt, zijnde dit nu al de 2e maal brand die voor de invalides zedert het jaer 1761 in de schans veroorsaakt is, God bewaer ons voor een 3e, want het niet gezegt kan worden, dat het weer soo gelukkig zal afloopen zijnde, de eerste brand aen zijn E. Mog. De Heer quarles/ quarters(?) en den Capitein, soover(?) niet onbekent voorts soo heb ik de emmers en zuijgbuijsen in de wagt gedaen om te ontdooijen en droogen waer toe ik dagelijks ¼ ton turff meer geeff tot dat alles weer in ordre is.

Zal ook zoo met den linne mamieringen en slangen etc. handelen, soodra dezelven om het ijs willen handelbaer zijn, ook sijnder verscheijdene ooren en handvatsels aan de leere brand emmers aanstukken, ook pomp stokken, Zal al het selve soo spoedig als mogelijk is laeten maaken en in ordre brengen, ten waare dat U. E. Mog. Sulks anders gelieften goed te vinden, of er aen de slangen, mamieringen, zuijgbuysen of pomp iets aan stukken is kan ik nog niet weten om het ijs willen ook

So… de ondergeseyden aen U. E. Mog versoeken bij het senden van de flamboussen lantaarens etc. nog te moogen hebben 46 plate viertande rieken of vorken met steelen, alsoo bij ’t uijtwerken van de brandstoffen om verleegen ben geweest, hebbe mij van de beslaage schoppen moeten bedienen, hebbe reets een brandspuyt uijt het magazijn van Woerden ontvangen, en daer bij gezien dat deselve een heel slag grooter is als de mijne, dus souden de ondergeseyden aen A. E. Mog. Ootmoedig versoeken of A.E. Mog. niet souden gelieven goed te vinden om de 2 spuijten uijt Woerden na de schans te doen senden, en die uijt de schans na Woerden, door dien de klijnere het in Woerden genoeg souden kunnnen doen op dat daar nog 3 stads spuijten zijn en bij mij geen andere als die 2 klijne,

vraag wel excuus dat niet eerder kennis aen U.E.Mog. hebbe kunne geeven, doordien ik en mijn vrouw bij onder Doctor en Meesters handen zijn vervallen, vermitz onze voeten en vingers en wel aen de regterhanden het slimste zijn bevrooren geraakt door het waater en het eijs, daer wij nog aen meesteren, alsoo mijn vrouw en meid van ’t begin af tot 2 uuren dat er volk van buijten quam insgelijks emmers met water hebben moeten aenbrengen, een yder vanons half gekleed zijnde, die s (?) wenste ik wel dat U.Ed.Mog. den ondergeseyden goedgunstelijk geheel van de oude invalides geliefden te bevrijden alsoo het voor mijn sonder iemand veel geruster, en voor den landen veel voordeeliger was, door dien sij veel meer tot zorg en gevaer verstrekken als tot hulp en bewaaring van ’s lands goederen soude aldaar geen geen diergelijken zorg en gevaer meer van haer te wagten hebben etc.

Waermeede de onderzeyde niet kan nalaeten bij deeze zig in U.E.Mog. gunst te recommandeeren en zig in alle ootmoedigheid te noemen ende zijn Edele Mogende Heeren Uw …? Hoog Zeer Ootmoedigen en Dienstvaerdige Dienaer, J.C. Regis (getekent) De Wierikerschans den 4e February 1776

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Plaats reactie

Om spam te voorkomen, stellen wij u een eenvoudige vraag. Vult u alstublieft het antwoord hieronder in.